Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:700

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
16/01372
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:450
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van phishingfraude, diefstallen en (pogingen tot) oplichtingen door klanten van een bank telefonisch en per e-mail te benaderen teneinde hen te bewegen inloggegevens voor internetbankieren af te geven. Art. 138ab, 311 en 326 Sr. Middelen m.b.t. tegenstrijdigheid doordat Hof m.b.t. dezelfde geldbedragen zowel bewezen heeft verklaard dat verdachte die heeft weggenomen van particuliere rekeninghouders bij bank (feit 2) als bewezen heeft verklaard dat verdachte bank heeft bewogen die geldbedragen af te geven (feit 3), verzuim toepassing te geven aan art. 55 of 56 Sr en bewijs medeplegen. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/607
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/01372

SK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 februari 2016, nummer 22/002387-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan wegens de in cassatie geconstateerde schending van het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn, en verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van227 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

4 Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 224 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018.