Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:649

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
17/02482
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:251, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht, cassatie. Vordering tot verdeling van nalatenschap. Processueel ondeelbare rechtsverhouding. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81. De Hoge Raad geeft eiser tot cassatie gelegenheid om mede-erfgenamen op te roepen als partijen in digitale vorderingsprocedure in cassatie (art. 30g Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/888
RvdW 2018/537
NJ 2018/214
RFR 2018/94
JBPR 2018/33 met annotatie van mr. F.J.P. Lock
JERF 2018/157
RBP 2018/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 april 2018

Eerste Kamer

17/02482

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. F.I. van Dorsser,

t e g e n

1. [verweerster 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

2. [verweerster 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [verweerster 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

4. [verweerder 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5. mr. H.Ph. BREUKER, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het erfdeel van [betrokkene 1] ,

kantoorhoudende te Drachten,

6. [verweerder 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] , [verweerster 1] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/17/82686 / HA ZA 07-396 van de rechtbank Leeuwarden van 17 juni 2009, 21 april 2010 en 25 juli 2012 en van de rechtbank Noord-Nederland van 23 oktober 2013;

b. het arrest in de zaak 200.142.299/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Bij faxbericht van 9 juni 2017 heeft de cassatieadvocaat van [eiser] medegedeeld dat het cassatieberoep tegen [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] wordt ingetrokken. Deze intrekking heeft plaatsgevonden voordat deze verweerders waren verschenen.

[verweerster 1] heeft geconcludeerd tot verwerping.

De zaak is voor [eiser] en [verweerster 1] toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt ertoe om [eiser] te bevelen het oproepingsbericht van 22 mei 2017, alsmede de daarbij behorende procesinleiding van 18 mei 2017, onder bepaling van een nieuwe uiterste datum voor verschijning, binnen twee weken bij afzonderlijke exploten te betekenen aan [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] , dan wel hun die stukken op andere wijze te bezorgen, een en ander conform art. 112 Rv.

3 Beoordeling van de oproeping van verweerders

3.1

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Uit het huwelijk van [de vader] (hierna: de vader) en [de moeder] (hierna: de moeder) zijn zeven kinderen geboren, te weten [verweerster 1] , [eiser] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , [betrokkene 1] en [verweerder 6] .

(ii) De vader is overleden in 1989, de moeder in 2000. Tussen de kinderen zijn geschillen ontstaan over de verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder.

(iii) Mr. Breuker is aangesteld als bewindvoerder over het erfdeel van [betrokkene 1] . In die hoedanigheid is hij in de hierna in 3.2.2 en 3.2.3 te noemen feitelijke instanties partij geweest. [betrokkene 1] is in 2014 overleden.

3.2.1

[verweerster 1] heeft onder meer vaststelling van de wijze van verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder gevorderd.

3.2.2

In haar eindvonnis heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder vastgesteld en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.2.3

Het hof heeft, voor zover thans van belang, [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem tegen [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] ingestelde hoger beroep, de bestreden vonnissen bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3

De door [verweerster 1] ingestelde vordering tot verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder betreft rechtsverhoudingen waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhoudingen betrokkenen, in dit geval [verweerster 1] , [eiser] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] . Indien sprake is van een dergelijke processueel ondeelbare rechtsverhouding kan de rechter de beslissing over die verdeling slechts geven in een geding waarbij allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden opgeroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties. (Vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, rov. 3.4.)

3.4.1

[eiser] heeft de procesinleiding en het oproepingsbericht bij afzonderlijke exploten doen betekenen aan [verweerster 1] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] . Aldus heeft hij gehandeld overeenkomstig hetgeen is overwogen in het hiervoor in 3.3 genoemde arrest van de Hoge Raad.

3.4.2

Bij faxbericht van 9 juni 2017 heeft de cassatieadvocaat van [eiser] aan de Hoge Raad medegedeeld dat zij van mening is dat [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] ten onrechte zijn opgeroepen, aangezien [eiser] in zijn hoger beroep tegen hen niet-ontvankelijk is verklaard en hij tegen deze beslissing geen klachten heeft gericht. Het cassatieberoep ten aanzien van [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] is bij die gelegenheid ingetrokken, en alleen ten aanzien van [verweerster 1] voortgezet.

3.4.3

Deze gang van zaken miskent dat de omstandigheden dat [eiser] door het hof niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] , en dat hij daartegen in cassatie geen klachten richt, onverlet laten dat op hem – in overeenstemming met hetgeen is overwogen in het hiervoor in 3.3 genoemde arrest van de Hoge Raad – de verplichting rust om alle partijen die zijn betrokken bij de onderhavige processueel ondeelbare rechtsverhoudingen, in het geding in cassatie op te roepen.

3.5

Overeenkomstig rov. 3.6.1 van het hiervoor in 3.3 genoemde arrest van de Hoge Raad dient [eiser] gelegenheid te worden gegeven om [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] alsnog als partij in het geding in cassatie te betrekken door hen daartoe op te roepen.

In deze zaak is in cassatie het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de regelgeving inzake digitaal procederen in vorderingszaken in cassatie (Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017, 16). De hiervoor bedoelde oproeping dient derhalve te geschieden op de voet van art. 30g Rv.

Ingevolge art. 30g, laatste volzin, Rv is art. 112 Rv niet van toepassing op de oproeping van derden. Dit betekent dat de oproeping met de procesinleiding en het onderhavige arrest bij exploot dient te worden betekend, en dat dit niet kan geschieden door bezorging op andere wijze als bedoeld in art. 112 lid 1 Rv.

3.6

De oproeping op de voet van art. 30g Rv dient te geschieden binnen twee weken na heden. Daarbij dient aan [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] een uiterste datum voor verschijning te worden aangezegd. De Hoge Raad zal deze datum met overeenkomstige toepassing van art. 121 lid 2 Rv in verbinding met art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv en art. 30g Rv bepalen op vier weken na heden (vgl. HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2628, NJ 2017/419, rov. 2.3.7).

4 Beslissing

De Hoge Raad geeft [eiser] gelegenheid om binnen twee weken na heden de procesinleiding en het onderhavige arrest bij exploot te betekenen aan [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] , en elk van hen op te roepen om uiterlijk 18 mei 2018, niet in persoon, maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, in deze procedure te verschijnen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 20 april 2018.