Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:644

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
17/03577
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:152, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Caribische zaak (Sint Maarten). Verzuim te beslissen over verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid? Goederenrecht, onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/891
RvdW 2018/543
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 april 2018

Eerste Kamer

17/03577

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoekster] ,
wonende te Sint Maarten,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,

t e g e n

1. [verweerster 1] ,
wonende te Sint Maarten,

2. de openbare rechtspersoon
HET LAND SINT MAARTEN,
zetelende te Sint Maarten,

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] , verweerders als [verweerster 1] respectievelijk het Land, en gezamenlijk als [verweerder] c.s.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak AR 70/2013 van het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 14 januari 2014;

b. de vonnissen in de zaak AR 70/13-Ghis 71358-H 412/14 en 412A/14 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 4 maart 2016, 26 augustus 2016 en 12 mei 2017.

De vonnissen van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof van 12 mei 2017 heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] c.s. hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging en terugwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) In 1981 is ten aanzien van het perceel met meetbrief nr. 183/1981 (kavel 246; hierna: perceel 246) voor de duur van zestig jaar het recht van erfpacht verleend aan [betrokkene 1] , de zuster van [verzoekster] . Het Land is eigenaar van dit perceel (van 584 m2). [betrokkene 1] heeft op het perceel een woning gebouwd en een ‘wire fencing’ aangebracht.

  • -

    ii) Op 18 juli 1984 heeft [verzoekster] de woning en het recht van erfpacht van haar zuster gekocht. [verzoekster] heeft de woning betrokken en heeft het perceel in gebruik genomen. Vervolgens heeft [verzoekster] op het perceel een appartementencomplex gebouwd.

  • -

    iii) Naast perceel 246 is een perceel gelegen dat door [verweerster 1] wordt gebruikt en bewoond. Laatstgenoemd perceel (van 600 m2) wordt nader omschreven in meetbrief nr. 29/1973 (kavel 247; hierna perceel 247). In 1989 is ter zake van dit perceel aan [verweerster 1] een recht van erfpacht verleend. Ook van dit perceel is het Land eigenaar.

  • -

    iv) In april 2012 heeft een meting door het Kadaster plaatsgevonden. Blijkens de van deze meting opgemaakte tekening is een deel van perceel 247 door [verzoekster] in gebruik genomen en met het hiervoor onder (ii) bedoelde appartementencomplex bebouwd. Dit deel beslaat 106 m2.

  • -

    v) [verweerster 1] heeft in 2012 een deel van het door [verzoekster] in gebruik genomen stuk grond van 106 m2 bebouwd met een appartementengebouw en een zich aldaar bevindende mangoboom verwijderd.

  • -

    vi) Bij akte van 5 december 2012 is perceel 247 op verzoek van [verweerster 1] gesplitst in twee aparte percelen, zoals vermeld in de meetbrieven nr. 29/1973 en nr. 46/2012. Het perceel met meetbrief nr. 46/2012 beslaat 106 m2 en betreft het deel dat [verzoekster] volgens de meting van het Kadaster in gebruik heeft (hierna: de strook grond).

3.2.1

[verzoekster] heeft in eerste aanleg acht vorderingen ingesteld tegen [verweerder] c.s., waaronder een vordering om voor recht te verklaren dat [verzoekster] door verjaring de eigendom van de strook grond heeft verkregen, een vordering om voor recht te verklaren dat [verweerder] c.s. onrechtmatig jegens [verzoekster] hebben gehandeld en daarom jegens haar schadeplichtig zijn, een vordering om [verweerster 1] te bevelen het door haar op de strook grond gebouwde appartementengebouw af te breken, en een vordering om [verweerder] c.s. te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.

3.2.2

Het gerecht heeft de vordering van [verzoekster] tot afbraak toegewezen en haar overige vorderingen afgewezen.

3.2.3

[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld en heeft bij die gelegenheid haar eis gewijzigd. Nadat het hof zijn eerste tussenvonnis had gewezen, heeft [verzoekster] andermaal haar eis gewijzigd. Zij vordert thans, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht wordt verklaard dat zij door verjaring het recht van erfpacht van de strook grond heeft verkregen, en (zowel primair als subsidiair) dat voor recht wordt verklaard dat [verweerster 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en jegens haar schadeplichtig is, en veroordeling van [verweerster 1] tot betaling van schadevergoeding.

3.2.4

Het hof heeft het vonnis van het gerecht vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat [verzoekster] door verjaring het recht van erfpacht van de strook grond heeft verkregen, en de inschrijving van de verjaring in de openbare registers gelast. Het hof heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3

Onderdeel VI van het middel klaagt dat het hof ten onrechte de vordering van [verzoekster] heeft afgewezen om voor recht te verklaren dat [verweerster 1] onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld, althans dat het zijn oordeel niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd. Bij gebrek aan deugdelijke motivering is het oordeel van het hof op dit punt onbegrijpelijk, aldus de klacht.

3.4.1

Op grond van het navolgende kan deze klacht niet tot cassatie leiden.

3.4.2

De klacht dat het hof heeft verzuimd om gemotiveerd te oordelen over de schadeplichtigheid van [verweerster 1] jegens [verzoekster] , mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 2.1 van zijn tweede tussenvonnis in verbinding met rov. 4.2 van zijn eerste tussenvonnis geoordeeld dat de primaire vorderingen van [verzoekster] – dus ook die tot vergoeding van schade – moeten worden afgewezen, nu zij zijn gebaseerd op een onjuiste grondslag. Wat betreft de vordering tot schadevergoeding op de subsidiaire grondslag heeft het hof in rov. 2.5 van zijn tweede tussenvonnis geoordeeld dat voor toewijzing onvoldoende grond bestaat, mede in aanmerking genomen dat [verzoekster] zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld eigenaar te zijn geworden van de strook grond, terwijl het Land de eigenaar was en is, en ten behoeve van [verweerster 1] de erfpacht destijds is gevestigd (zie tevens rov. 2.1 van het eindvonnis). Aldus heeft het hof gemotiveerd geoordeeld over alle (primaire en subsidiaire) vorderingen tot schadevergoeding van [verzoekster] zoals deze luidden als gevolg van haar hiervoor in 3.2.3 bedoelde eiswijziging na het eerste tussenvonnis.

3.4.3

Het cassatieberoep van [verzoekster] is alleen gericht tegen het eindvonnis (verzoekschrift tot cassatie, p. 1 en 12). In het verzoekschrift tot cassatie worden geen klachten aangevoerd tegen de tussenvonnissen, en dus ook niet tegen de hiervoor in 3.4.2 weergegeven motivering voor afwijzing van de vorderingen tot schadevergoeding.

3.4.4

Voor zover het onderdeel zich keert tegen de afwijzing van (enkel) de door [verzoekster] gevorderde verklaring voor recht, mist [verzoekster] daarbij belang. Blijkens de toelichting op onderdeel VI strekt de hier bedoelde vordering van [verzoekster] ertoe “om voor recht te verklaren dat [verweerster 1] onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld en derhalve schadeplichtig jegens [verzoekster] is” (verzoekschrift tot cassatie, paragraaf 6, verwijzend naar memorie van grieven, tevens inhoudende akte vermindering en vermeerdering van eis, p. 5, onder punt 2), laat de afwijzing van een vordering tot verwijdering onverlet dat degene op wiens eigendomsrecht, dan wel recht van erfpacht inbreuk wordt gemaakt, “vergoeding van schade kan vorderen” (paragraaf 6.1) en is “afwijzing van de vordering tot schadevergoeding” onjuist en ten onrechte niet gemotiveerd (paragraaf 6.2).

Het vorenstaande laat geen andere conclusie toe dan dat de door [verzoekster] gevorderde verklaring voor recht niet als een zelfstandige vordering is bedoeld, maar onlosmakelijk is verbonden met haar (primaire en subsidiaire) vorderingen tot schadevergoeding, en dus het lot van die vorderingen deelt.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 20 april 2018.