Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:628

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
17/03370
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:2503, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art 92, lid 2, Wfsv. Sectorindeling werknemersverzekeringen. Belang van vervallen circulaire voor indeling als bouwbedrijf of als agrarisch bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/0971 met annotatie van Frank Werger
V-N 2018/693 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2018/844
V-N 2018/24.16 met annotatie van Redactie
BNB 2018/109
Viditax (FutD), 20-04-2018
FutD 2018-1103
FED 2018/107 met annotatie van Mr. dr. P. van der Wal
NTFR 2018/1036 met annotatie van TH.J.M. VAN SCHENDEL
NTFRB 2018/34 met annotatie van TH.J.M. VAN SCHENDEL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 april 2018

nr. 17/03370

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 2 juni 2017, nr. 15/01128, gewezen op het beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) betreffende een beschikking sectorindeling voor de werknemersverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

De werkzaamheden van belanghebbende zijn in het Handelsregister als volgt omschreven:

“Aannemersbedrijf voor grond-, water en wegenbouw. Groothandel in landbouwwerktuigen en grondverzetmachines. Verhuur van grondverzetmachines. Groothandel in zand en grind. Slopen van gebouwen en installaties. Uitvoeren van bodemsaneringswerkzaamheden. Recyclen van bouw- en afvalstoffen. Uitlenen/verhuren van arbeidskrachten aan andere ondernemingen.”

2.1.2.

Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht haar indeling in sector 3 (Bouwbedrijf) voor de premieheffing werknemersverzekeringen te wijzigen in sector 1 (Agrarisch bedrijf). De Inspecteur heeft het verzoek bij beschikking afgewezen. Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt.

2.1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de Inspecteur onderzoek gedaan naar de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende en de resultaten daarvan vastgelegd in een rapport (hierna: het rapport). In het rapport is vermeld dat belanghebbende werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren. Het betreft onder meer werkzaamheden die onder sector 1 (Agrarisch bedrijf) vallen en werkzaamheden die onder sector 3 (Bouwbedrijf) vallen. De Inspecteur heeft op de voet van artikel 96, lid 2, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Wfsv) beslist dat belanghebbende terecht is ingedeeld in sector 3 (Bouwbedrijf) omdat 81,13 percent van de omzet is toe te rekenen aan civieltechnische grondwerkzaamheden. Aan de door hem gehanteerde verdeling van de werkzaamheden in sector 1 (Agrarisch) en sector 3 (Bouwbedrijf) heeft de Inspecteur een circulaire van de voormalige Sociale Verzekeringsraad van 3 december 1992 (hierna: de circulaire) ten grondslag gelegd.

2.1.4.

De Inspecteur heeft de in 2.1.2 vermelde beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.2.

Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de circulaire geen juridische grondslag heeft en het rapport daarom ten onrechte is gebaseerd op de criteria van de circulaire en niet aan belanghebbende kan worden tegengeworpen. Vervolgens heeft het Hof op basis van een door belanghebbende ingediend rapport dat is opgesteld ter vaststelling onder welke werkingssfeer belanghebbende valt met betrekking tot de cao en het bedrijfstakpensioenfonds, geoordeeld dat belanghebbende ten onrechte in sector 3 (Bouwbedrijf) is ingedeeld.

2.3.1.

Het eerste middel komt op tegen het in 2.2 vermelde oordeel van het Hof dat aan de criteria van de circulaire geen betekenis kan worden toegekend.

2.3.2.

De toelichting op de Regeling Wfsv (Stcrt. 2005, 242; hierna: de toelichting) vermeldt onder het kopje ‘Bijlage 1’ dat in het kader van de overheveling van de premieheffing naar de Belastingdienst, ook de uitvoering van de sectorindeling van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overgaat naar de Belastingdienst, dat in verband daarmee het indelingsbeleid van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen per 1 januari 2006 is komen te vervallen en dat dit beleid daarom, voor zover nodig, is opgenomen in die toelichting. In de toelichting is niet alleen verwezen naar de circulaire, maar is ook de inhoud van de in de circulaire opgenomen beleidsregels weergegeven.

2.3.3.

Gelet op het bovenstaande berust het oordeel van het Hof dat de in de circulaire opgenomen criteria buiten beschouwing moeten blijven, op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel treft dus doel.

2.4.

Op grond van het hiervoor onder 2.3.3 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

2.5.

Uit de gegrondbevinding van het eerste middel volgt dat het tweede middel geen behandeling behoeft.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.