Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:619

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
16/05488
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:175
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv. Klaagschrift dat strekt tot teruggave van de auto via klager aan zijn moeder (de eigenaar). HR: 81.1 RO. CAG, anders: art. 552a Sv biedt niet de mogelijkheid dat op verzoek van een belanghebbende teruggave van het inbeslaggenomene aan een ander wordt gelast. De Rb. had klager daarom n-o moeten verklaren in zijn beklag t.a.v. de inbeslaggenomen auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/557
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 april 2018

Strafkamer

nr. S 16/05488 B

ABO

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 25 oktober 2016, nummer RK 16/2164, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft D.R. Kops, advocaat te Breukelen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing op de inbeslaggenomen auto, en de klager alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in het beklag voor zover dat betrekking heeft op de inbeslaggenomen auto.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2018.