Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:612

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
16/04676
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:178
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:6348, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Het niet voldoen aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het WvSv, art. 447e Sr. O.g.v. art. 55c.2 en 3 Sv komt – onder de in die bepaling gestelde voorwaarden – aan de ambtenaren a.b.i. in art. 55c.1 Sv o.m. de bevoegdheid toe vingerafdrukken te nemen van een verdachte met het oog op het vaststellen van zijn identiteit. Anders dan bijv. art. 29c Sv houdt art. 55c.2 en 3 Sv niet in dat door opsporingsambtenaren een bevel tot medewerking aan verdachte wordt gegeven. Wel kan verdachte worden gedwongen de feitelijke toepassing van deze bevoegdheid te dulden. Dit sluit aan bij de wettelijke regeling van de voorheen bestaande bevoegdheid tot het nemen van vingerafdrukken van art. 61a.1.b (oud) Sv en de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis. Art. 55c.2 en 3 Sv houdt derhalve geen wettelijke verplichting tot medewerking in. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 55c.2 en 3 Sv voor verdachte of veroordeelde een verplichting bevat tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het WvSv, vindt geen steun in het recht. Het niet-medewerken aan het afnemen van vingerafdrukken o.b.v. art. 55c.2 en 3, Sv is derhalve niet een gedraging die strafbaar is gesteld bij art. 447e Sr. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0155
NJB 2018/894
RvdW 2018/548
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 april 2018

Strafkamer

nr. S 16/04676

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 5 augustus 2016, nummer 21/005646-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsvrouwe van de verdachte, L. Koers, advocaat te Arnhem, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Tenlastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak

2.1.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 5 juni 2015 te Utrecht, niet heeft voldaan aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafvordering (artikel 55c lid 2 Sv)."

2.2.

Het Hof heeft de verdachte daarvan vrijgesproken. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

"Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 55c lid 2 Sv de verdachte een verplichting oplegt tot het verlenen van medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken. Het openbaar ministerie heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het Wetsvoorstel verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden (Kamerstukken II 2011/12, 33 352, nr. 3, p. 29).

Het hof deelt de conclusie van het openbaar ministerie niet. Het lex certa beginsel brengt met zich dat het voor de burger in voldoende mate voorzienbaar moet zijn in welke omstandigheden zijn gedraging volgens de wet strafbaar is. Van belang daarbij is dat de wet de burger, eventueel in samenhang met de daarop van toepassing zijnde jurisprudentie, voldoende houvast biedt. Artikel 447e Sr stelt strafbaar het niet voldoen aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van vingerafdrukken krachtens (onder meer) het Wetboek van Strafvordering. Artikel 55c lid 2 Sv wordt daarin niet expliciet genoemd. Artikel 55c lid 2 Sv geeft de ambtenaar in de daar omschreven gevallen de bevoegdheid om vingerafdrukken van een verdachte te nemen, maar daarin staat niet dat de verdachte verplicht is om zijn medewerking te verlenen. Voor zover het hof bekend is er geen jurisprudentie (van de Hoge Raad) waaruit volgt dat die verplichting er ondanks de wettekst toch ingelezen moet worden.

Bij de interpretatie van wetgeving hoeft weliswaar niet alleen naar de wettekst (en de daarop van toepassing zijnde jurisprudentie) gekeken te worden, maar kan ook gekeken worden naar de wetsgeschiedenis en het systeem van de wet, echter daar waar het gaat om een strafbaarstelling dient vooral gewicht te worden toegekend aan de tekst van de wet omdat de tekst van de wet (eventueel in combinatie met de daarbij behorende jurisprudentie) voor burgers veel toegankelijker (beter te vinden en/of te begrijpen) is dan de wetsgeschiedenis en het systeem van de wet.

Ten aanzien van het systeem van de wet is bovendien van belang dat het nemen van vingerafdrukken niet alleen geschiedt in het belang van identificatiedoeleinden, maar ook een rol kan spelen bij de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten (artikel 55c lid 4 Sv), dus ook voor de opsporing, vervolging en berechting van het feit waarvoor de verdachte wordt verhoord. Uitgangspunt is dat verdachte niet verplicht kan worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De wet kent daarop uitzonderingen (zoals bijvoorbeeld artikel 163 leden 2, 6, 8 en 9 WVW), maar voor die uitzonderingen geldt dat de verplichting om mede te werken expliciet is geformuleerd.

Ofschoon het hof het met de advocaat-generaal eens is dat in de wetsgeschiedenis ten aanzien van artikel 447e Sr aanwijzingen te vinden zijn dat de wetgever in artikel 55c lid 2 Sv een verplichting voor de verdachte leest om medewerking te verlenen aan het afnemen van vingerafdrukken, leest het hof die verplichting er niet in, waarbij het hof heeft gelet op het lex certa beginsel, de tekst van artikel 55c lid 2 Sv (waarin die verplichting niet staat), de jurisprudentie (waaruit niet volgt dat die verplichting er niettemin in moet worden gelezen) en het systeem van de wet (waaruit volgt dat als de verdachte verplicht wordt zijn medewerking te verlenen, die verplichting expliciet is geformuleerd).

Aldus spreekt het hof de verdachte vrij van hetgeen hem is tenlastegelegd."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt dat aan de vrijspraak van het aan de verdachte tenlastegelegde een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag ligt.

3.2.1.

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:

- art. 447e Sr:

"Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden of medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie."

- art. 27a, eerste lid, Sv:

"De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats. Het vaststellen van zijn identiteit omvat tevens een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. In de gevallen, bedoeld in artikel 55c, tweede en derde lid, omvat het vaststellen van zijn identiteit tevens het nemen van een of meer foto's en vingerafdrukken."

- art. 29c Sv:

"1. In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord of een verhoor bijwoont, stelt de rechterlijk ambtenaar de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De rechterlijk ambtenaar is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.

2. De verdachte is verplicht op bevel van een rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken."

- art. 55c, eerste, tweede en derde lid, Sv:

"1. De ambtenaren, bedoeld in artikel 141, en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142 zijn, stellen de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin.

2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, of die wordt verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto's en vingerafdrukken. De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.

3. De officier van justitie of de hulpofficier beveelt dat van iedere andere verdachte dan de verdachte, bedoeld in het tweede lid, over wiens identiteit twijfel bestaat, een of meer foto's en vingerafdrukken worden genomen. Het tweede lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing."

- art. 61a, eerste en tweede lid, (oud) Sv, zoals deze bepaling gold van 1 maart 2002 tot 1 oktober 2010:

"1. Tegen de voor onderzoek opgehouden verdachte kunnen maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen. Als zodanige maatregelen kunnen onder meer worden aangemerkt:

a. het maken van fotografische opnamen of video-opnamen en het nemen van lichaamsmaten;

b. het nemen van vingerafdrukken;

(...)

2. De in het eerste lid genoemde maatregelen kunnen, behoudens de in het eerste lid onder a en b bedoelde maatregelen, voor zover die zijn gericht op het vaststellen van de identiteit, alleen worden bevolen in geval van verdenking van een strafbaar feit waarvoor inverzekeringstelling mogelijk is."

3.2.2.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014, 125, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden, op grond waarvan art. 447e Sr is komen te luiden als hiervoor weergegeven, houdt onder meer het volgende in:

"Tot slot bevat dit wetsvoorstel een uitbreiding van de delictsomschrijving van artikel 447e Sr. Strafbaar wordt het niet voldoen aan de verplichting om in de bij wet aangewezen gevallen vingerafdrukken af te staan.

(...)

Bij artikel I, onder J, van dit wetsvoorstel is de strafbaarstelling van artikel 447e Sr ook van toepassing verklaard op de justitiabele die niet voldoet aan de wettelijke verplichting een of meer vingerafdrukken te laten nemen. Bij de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen is in het Wetboek van Strafvordering geregeld dat op basis van artikel 55c, tweede lid, Sv de opsporingsambtenaar bij iedere verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, of die wordt verhoord wegens zo’n misdrijf, maar niet voor dat misdrijf is aangehouden, vingerafdrukken neemt. Bij iedere andere verdachte moet hij op basis van artikel 55c, derde lid, Sv vingerafdrukken nemen indien hij twijfel heeft over zijn identiteit of indien zijn identiteit onbekend is en de officier of de hulpofficier van justitie daarvoor een bevel heeft gegeven.

In het Wetboek van Strafvordering en de andere wetten die bij artikel II, onder Q, van de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen aan artikel 447e Sr zijn toegevoegd, is verder geregeld dat de vingerafdrukken die de opsporingsambtenaar aan de voorkant van het strafrechtelijk traject heeft genomen, primair op ieder ander relevant moment in hetzelfde strafrechtelijk traject, bijvoorbeeld tijdens de tenuitvoerlegging van een taakstraf, worden gebruikt om de identiteit van de verdachte of veroordeelde te verifiëren, alsook, indien hij recidiveert, in een later strafrechtelijk traject. Alleen als er geen vingerafdrukken aan het begin van het strafrechtelijk traject zijn genomen, wordt zijn identiteit later in het traject met behulp van een papieren identiteitsbewijs gecontroleerd. In verband daarmee is er in de genoemde wetten tevens in voorzien dat op de daarvoor wettelijk voorgeschreven momenten bij de verdachte of veroordeelde de vingerafdrukken worden genomen om deze online te kunnen vergelijken met de aan voorkant van het strafrechtelijk traject genomen vingerafdrukken en dat hij wettelijk verplicht is zijn medewerking daaraan te verlenen. Alleen op die wijze kan worden vastgesteld of een persoon in de ene fase van een strafrechtelijk traject dezelfde persoon is als in een andere fase van het strafrechtelijk traject en kan de kans worden geminimaliseerd dat die persoon later een andere identiteit kan aannemen en onder die andere identiteit in de strafrechtelijke systemen wordt geregistreerd, of dat een ander zich voor hem uitgeeft.

Nu de vingerafdrukken in de strafrechtsketen bij de verificatie van de identiteit van een justitiabele als wettelijk voorgeschreven biometrisch identiteitsbewijs fungeren, en de identiteit primair met behulp van dit identiteitsbewijs wordt vastgesteld als het voorhanden is in plaats van met het papieren identiteitsbewijs, ligt het bij nader inzien in de rede, zoals in artikel I, onder J, wordt voorgesteld, dat het niet afstaan van zijn vingerafdrukken op dezelfde wijze strafbaar wordt gesteld als het nalaten van het tonen van een identiteitsbewijs. Indien iemand niet zijn vingerafdrukken afstaat wanneer dat wettelijk verplicht is, overtreedt hij artikel 447e Sr."

(Kamerstukken II 2011/12, 33 352 nr. 3, p. 7, 28-29)

3.2.3.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 18 juli 2009, Stb. 2009, 317, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het verbeteren en versterken van de vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen (Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen), op grond waarvan art. 55c aan het Wetboek van Strafvordering is toegevoegd, houdt onder meer het volgende in:

"Dit wetsvoorstel beoogt de toepassingsmogelijkheden van het gebruik van foto's en vingerafdrukken op twee manieren te reguleren.

In de eerste plaats regelt het in artikel I, onder H, voorgestelde artikel 55c, tweede lid, Sv dat een opsporingsambtenaar van een ieder die verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bij aanhouding steeds foto's en vingerafdrukken neemt. Bij verdachten van een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis mogelijk is of een overtreding, is ingevolge het derde lid van artikel 55c – om redenen van proportionaliteit en capaciteit – het nemen van foto's en vingerafdrukken alleen toegestaan bij twijfel over de identiteit van betrokkene. Dit artikellid verplicht de officier van justitie of de hulpofficier van justitie in die situaties de afname van foto's en vingerafdrukken te bevelen.

(...)

Bij het afnemen van vingerafdrukken en onder omstandigheden ook bij het nemen van foto's (met name wanneer de verdachte geen medewerking verleent aan het maken van de foto en hij om die reden met de sterke arm gedwongen wordt medewerking te verlenen), wordt inbreuk gemaakt op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam.

(...)

Met het onderhavige wetsvoorstel wordt voldaan aan de eis dat de inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam bij of krachtens de wet is voorzien. Het wetsvoorstel vormt de basis voor de inbreuk en omschrijft de grenzen van toepassing van de verplichting tot afname van foto's en vingerafdrukken. Het voorgestelde artikel 55c, tweede lid, Sv voorziet erin dat van iedere verdachte wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bij aanhouding standaard foto's en vingerafdrukken worden genomen met als doel zijn identiteit onomstotelijk vast te stellen. De huidige regeling staat een inbreuk op de lichamelijke integriteit al toe in geval van verdenking van ieder strafbaar feit mits daarvoor een onderzoeksbelang aanwezig is (artikel 61a, eerste lid, onder a en b, juncto tweede lid, Sv). Bij verdachten wegens een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis mogelijk is of een overtreding, worden onder meer om redenen van proportionaliteit, foto's en vingerafdrukken alleen maar genomen bij twijfel over de identiteit van betrokkene (zie artikel 55c, derde lid, Sv). Op ieder ander moment in de strafrechtelijke procedure worden geen foto's, alleen maar vingerafdrukken van de verdachte – en ook van de veroordeelde – genomen, teneinde zijn identiteit te kunnen verifiëren.

(...)

Artikel 29a, tweede lid, Sv verplicht de verdachte op bevel van een rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken. Het is niet – in reactie op een opmerking van het College van procureurs-generaal in zijn advies – de bedoeling dat de rechterlijk ambtenaar op ieder moment dat het hem goeddunkt, een dergelijk bevel kan geven. Die verplichting voor de verdachte geldt alleen maar indien er twijfels over zijn identiteit zijn gerezen. In die gevallen dient de verdachte op bevel zijn vingerafdrukken af te staan en indien verificatie van zijn identiteit niet lukt met behulp van een vergelijking van zijn vingerafdrukken, een identiteitsbewijs te tonen.

Het niet verlenen van medewerking aan het nemen van vingerafdrukken door een verdachte kan worden opgevat als het opzettelijk niet nakomen van een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht of het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten in de zin van artikel 184 Sr (vgl. HR 27-6-1927, NJ 1927, blz. 975). Het doen van een vordering om vingerafdrukken af te staan, vindt zijn grond in het voorgestelde artikel 29a Sv.

(...)

In artikel 55c, tweede lid, Sv wordt geregeld dat altijd een of meer vingerafdrukken worden genomen van ieder aangehouden persoon op wie een verdenking rust ter zake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Indien over de identiteit van de verdachte wegens een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis mogelijk is of wegens een overtreding, twijfels bestaan, worden op basis van artikel 55c, derde lid, Sv vingerafdrukken genomen. Als gevolg daarvan is het niet langer nodig dat in de opsomming van maatregelen die ingevolge artikel 61a, eerste lid, Sv in het belang van het onderzoek kunnen worden genomen, het nemen van vingerafdrukken voor identificatiedoeleinden gehandhaafd blijft. Vingerafdrukken die tot doel hebben de identiteit van de verdachte vast te stellen, worden immers na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, niet langer op basis van 61a, eerste lid, onder b, Sv genomen, maar op grond van artikel 55c, tweede of
derde lid, Sv."

(Kamerstukken II 2007/08, 31 436, nr. 3, p. 20, 53, 69 en 76)

3.2.4.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 1 november 2001, Stb. 2001, 532, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek en enige andere onderwerpen, op grond waarvan art. 61a (oud) Sv is komen te luiden als hiervoor onder 3.2.1 weergegeven, houdt onder meer het volgende in:

"In het onderhavige wetsvoorstel worden voorstellen gedaan die betrekking hebben op de herziening en uitbreiding van het onderzoek aan en in het lichaam, de herziening van de maatregelen in het belang van het onderzoek en de overheveling van deze maatregelen naar het Wetboek van Strafvordering, alsmede een regeling voor het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer bij het vaststellen van de identiteit van een verdachte.

(...)

Bij het regelen van de onderhavige dwangmiddelen in het Wetboek van Strafvordering rijst de vraag of ook voor deze dwangmiddelen geldt dat zij zich voor toepassing onder lijfelijke dwang lenen.

Het gebruik van lijfelijke dwang teneinde bij de naleving af te dwingen van een verplichting van de verdachte om de toepassing van bepaalde dwangmiddelen te dulden is naar geldend recht niet ontoelaatbaar. De aanvaardbaarheid uit de gezichtshoek van het recht berust op de volgende gedachtegang. De toepassing van dwangmiddelen kan – uit de aard van het middel – verzet oproepen bij degene ten aanzien van wie de toepassing zal plaatsvinden. Dit verzet kan aan de juiste toepassing van het dwangmiddel in de weg staan. In dat geval zal het onvermijdelijk zijn aan het verzet zijn kracht te ontnemen door – met nauwgezette inachtneming van in het bijzonder de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit – dwang toe te passen om de verdachte te dwingen de feitelijke toepassing van het dwangmiddel te dulden.

(...)

De wetgever heeft voor de constructie waarbij de verdachte eventueel met toepassing van dwang het dwangmiddel moet dulden in plaats van strafbaarstelling van de weigering om mee te werken gekozen in het wetsvoorstel anonieme verdachte waar bij de totstandkomingsgeschiedenis is uitgegaan van de gedachte dat het toepassen van enige dwang bij het nemen van de identificatiemaatregelen is geoorloofd. (...) Voor het effectief hanteren van dwangmiddelen is het dus niet strikt noodzakelijk dat de weigering om mee te werken strafbaar moet worden gesteld. Deze opzet is te vinden bij de toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek."

(Kamerstukken II 1999/00, 26 983, nr. 3, p. 1 en 21)

3.3.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 447e Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking "de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafvordering" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in genoemde bepaling.

3.4.

Op grond van art. 55c, tweede en derde lid, Sv komt – onder de in die bepaling gestelde voorwaarden – aan de ambtenaren als bedoeld in art. 55c, eerste lid, Sv onder meer de bevoegdheid toe vingerafdrukken te nemen van een verdachte met het oog op het vaststellen van zijn identiteit. Anders dan bijvoorbeeld art. 29c Sv – het nadien vernummerde en in de onder 3.2.3 weergegeven wetsgeschiedenis genoemde art. 29a Sv dat ziet op de rechterlijk ambtenaar – houdt art. 55c, tweede en derde lid, Sv niet in dat door, kort gezegd, opsporingsambtenaren een bevel tot medewerking aan de verdachte wordt gegeven. Wel kan de verdachte worden gedwongen de feitelijke toepassing van deze bevoegdheid te dulden. Dit sluit aan bij de wettelijke regeling van de voorheen bestaande bevoegdheid tot het nemen van vingerafdrukken van art. 61a, eerste lid onder b, (oud) Sv en de daarop betrekking hebbende, onder 3.2.4 weergegeven wetsgeschiedenis. Art. 55c, tweede en derde lid, Sv houdt derhalve geen wettelijke verplichting tot medewerking in.

3.5.

Gelet op het vorenstaande vindt de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 55c, tweede en derde lid, Sv voor de verdachte of veroordeelde een verplichting bevat tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafvordering, geen steun in het recht. Het niet-medewerken aan het afnemen van vingerafdrukken op basis van art. 55c, tweede en derde lid, Sv is derhalve niet een gedraging die strafbaar is gesteld bij art. 447e Sr.

3.6.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers enA.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2018.