Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:600

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
16/03707
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:649, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafvordering (Aruba). Schadevergoeding ter zake van strafvorderlijk optreden; art. 178-182 Wetboek van Strafvordering van Aruba (SvA). Verdachte om het leven gekomen door kogels van arrestatieteam; echtgenote en kinderen vorderen schadevergoeding van het Land, maar zijn niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat rechtsgang bij strafrechter openstaat. Was sprake van strafvorderlijke dwangmiddelen (art. 178 SvA)? Aanvang drie-maanden-termijn van art. 179 lid 1 SvA. Aanspraak op immateriële schadevergoeding door nabestaanden: als rechtsopvolger van de overledene (art. 179 lid 3 SvA)? Samenhang met 16/05207 en 16/05208.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0320
RvdW 2018/483
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 april 2018

Eerste Kamer

16/03707

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [verzoeker 1],
wonende in Colombia,

2. [verzoeker 2],
wonende in Colombia,

3. [verzoekster 3],

wonende in Colombia,

4. [verzoeker 4],

wonende in Colombia,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi,

t e g e n

de openbare rechtspersoon HET LAND ARUBA,
zetelende in Oranjestad, Aruba,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de nabestaanden en het Land.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak A.R. no. 205 van 2013 van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 2 oktober 2013 en 18 juni 2014;

b. de vonnissen in de zaak AR 205/13 - ghis 74361 - H 219/15 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 17 november 2015 en 19 april 2016.

De vonnissen van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof hebben de nabestaanden beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de nabestaanden heeft bij brief van 14 juli 2017 op die conclusie gereageerd.

Nadat daartoe een nieuwe termijn was gesteld, heeft het Land laten weten af te zien van het indienen van een verweerschrift.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) De nabestaanden zijn de echtgenote respectievelijk de kinderen van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer).

  • -

    ii) Op 22 februari 2012 is het slachtoffer in Aruba gedood door kogels die afkomstig waren uit het dienstpistool (of de dienstpistolen) van één of meer leden van het arrestatieteam van het Korps Politie Aruba.

  • -

    iii) Bij brief van 30 augustus 2012 heeft de hoofdofficier van justitie van Aruba aan de consul van Colombia de toedracht van de gebeurtenis van 22 februari 2012 omschreven als volgt:

“Door de Unit Georganiseerde Criminaliteit van het Korps Politie Aruba is uitvoering gegeven aan een rechtshulpverzoek vanuit de Verenigde Staten. Het rechtshulpverzoek hield in, dat er een ontmoeting zou zijn tussen een agent van de DEA en een persoon W.G.H.-A., waarbij een drugstransactie zou plaatsvinden. Op 22 februari 2012 vond de ontmoeting plaats op het terrein van Renaissance Market Place bij restaurant Casa Tua. Toen het vermoeden bestond, dat de leveranciers van de verdovende middelen met een Daihatsu waren gearriveerd, werd overgegaan tot aanhouding van W.G.H.-A. Deze bevond zich op dat moment bij restaurant Casa Tua. Gelijktijdig gingen andere leden van het Arrestatieteam over tot aanhouding van de personen in de Daihatsu. Bij de benadering van de Daihatsu werden helaas de twee inzittenden gedood.

(…)”

In deze brief heeft de hoofdofficier van justitie gemotiveerd te kennen gegeven dat het Openbaar Ministerie van Aruba niet voornemens is een nader strafrechtelijk onderzoek in te stellen tegen de betrokken leden van het arrestatieteam.

3.2.1

In de onderhavige procedure hebben de nabestaanden zich gewend tot het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het gerecht). Zij hebben gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het Land vanwege voormeld optreden door agenten van het Korps Politie Aruba op 22 februari 2012 onrechtmatig heeft gehandeld jegens het slachtoffer en deswege aansprakelijk is. Verder hebben zij verzocht het Land te veroordelen om aan hen alle materiële en immateriële schade als gevolg van het overlijden van het slachtoffer door dit schietincident te vergoeden, nader op te maken bij staat. Het gerecht heeft voor recht verklaard dat het Land op 22 februari 2012 onrechtmatig heeft gehandeld en het Land veroordeeld tot vergoeding van de door de nabestaanden (voor zich en als erfgenaam van het slachtoffer) door voormeld onrechtmatig handelen geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van het gerecht vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de nabestaanden in hun vordering niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe overwoog het hof, samengevat, als volgt. De vordering van de nabestaanden betreft vergoeding van schade in de zin van art. 6:108 BW. Ook die schade geldt als schade als bedoeld in art. 178 Wetboek van Strafvordering van Aruba (hierna: SvA) (rov. 2.1). De schoten die het slachtoffer hebben gedood, zijn afgevuurd in het kader van een poging hem (voorlopig) aan te houden ter uitvoering van een rechtshulpverzoek van de Verenigde Staten, kennelijk een uitleveringsverzoek. Hoewel de voorlopige aanhouding en de aanhouding ter fine van uitlevering niet zijn geregeld in het Wetboek van Strafvordering van Aruba, maar in art. 9 lid 1, onderscheidenlijk art. 12 lid 1, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, zijn het wel strafvorderlijke dwangmiddelen in de zin van art. 178 SvA (rov. 2.3). Het hof heeft art. 179 lid 1 SvA in verbinding met art. 1:144 Wetboek van Strafrecht van Aruba (hierna: SrA) aldus uitgelegd, dat in elk geval gedurende drie maanden vanaf het tijdstip van overlijden van het slachtoffer de rechtsgang van art. 178 SvA (voor de nabestaanden) heeft opengestaan, ook al was sprake van een uitleveringsverzoek en ook al zou verdedigd kunnen worden dat de ‘zaak’ tegen het slachtoffer nooit is aangevangen. Het hof heeft geen oordeel uitgesproken over de vraag of deze rechtsgang ook daarna nog heeft opengestaan of nog openstaat (rov. 2.4). Het Hof heeft voorts overwogen dat de omstandigheid dat bij de civiele rechter geen schadevergoeding kan worden gevorderd, meebrengt dat het is uitgesloten verklaringen voor recht bij de civiele rechter te vorderen met de strekking dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld (al dan niet met schending van art. 2 en 13 EVRM), dat dit aan het Land kan worden toegerekend en dat het Land aansprakelijk en schadeplichtig is (rov. 2.5).

3.3.1

Titel XXII van Boek 3 SvA bevat een regeling voor de vergoeding van schade ten gevolge van toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen. De daarin opgenomen artikelen 178, 179 en 182 SvA houden, voor zover hier van belang, het volgende in.

Art. 178:

“Lid 1. Degene die schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatige toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, heeft recht op schadevergoeding. Bij rechtmatige toepassing van een dwangmiddel kan eveneens schadevergoeding worden toegekend, wanneer er gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn, dat de geleden schade geheel of gedeeltelijk door het Land wordt gedragen.

Lid 2. De rechtmatigheid of onrechtmatigheid wordt beoordeeld naar het tijdstip, waarop het dwangmiddel werd toegepast.

Lid 3. Onder schade is mede begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan de hoogte van het bedrag van de schadevergoeding aan een maximum worden gebonden.

(…)”

Art. 179:

“Lid 1. Het verzoek om schadevergoeding kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak of de beslissing dat geen of geen verdere vervolging zal worden ingesteld.

(…)

Lid 3. Een verzoek om schadevergoeding kan ook door de erfgenamen van de gelaedeerde worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. In dat geval blijft vergoeding van schade, die niet in vermogensschade bestaat, achterwege. (…).”

Art. 182:

“Degene die schade heeft geleden ten gevolge van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, kan alleen krachtens de bepalingen van deze titel, met uitsluiting van enige vordering uit burgerlijk recht, om toekenning van schadevergoeding verzoeken.”

3.3.2

Niet slechts schade van gewezen verdachten, maar ook schade die derden hebben geleden als gevolg van toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel valt onder het toepassingsbereik van art. 178 SvA. Deze bepaling is als volgt toegelicht:

“Niet alleen de verdachte, maar eenieder die schade heeft geleden, heeft in principe aanspraak op schadeloosstelling. De uitbreiding van de kring van gelaedeerden doet recht aan de gerechtvaardigde belangen van de niet-verdachten (bijv. een derde bij wie huiszoeking is gedaan, een getuige die ten onrechte blijkt te zijn gegijzeld, een bedreigde getuige ten aanzien van wie te grote risico’s zijn genomen, het slachtoffer van een delict dat aanvankelijk als verdachte was aangemerkt, de niet-verdachte bij wie voorwerpen in beslag zijn genomen - voor zover deze langs de geëigende beklagprocedure geen verhaal kan zoeken -, de niet-verdachte wiens privacy mede is geschonden door het afluisteren van een verdachte). Het strafproces kan als een autonoom systeem worden gezien, waarbinnen de schending van rechtsbetrekkingen tussen alle burgers die van enig strafrechtelijk ingrijpen schade hebben ondervonden dient te worden vereffend. Dit uitgangspunt verzet zich ertegen, dat gelaedeerden alleen via een civielrechtelijke procedure genoegdoening zouden kunnen zoeken.” (Memorie van Toelichting (1987-1988), in: T.M. Schalken en S.W. Mul (red.), Het nieuwe wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba (1997), p. 71 - 72.)

3.3.3

Art. 179 lid 1 SvA stelt aan de indiening van verzoek om schadevergoeding een termijn van drie maanden. Deze bepaling is als volgt toegelicht:

“Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. Wanneer vangt deze termijn aan? Voor de vaststelling daarvan is van betekenis op welk moment de beslissing omtrent de strafrechtelijke afloop van een zaak onherroepelijk is geworden. Na een rechterlijke uitspraak zal dat het tijdstip zijn waarop de beroepstermijn is verstreken. Mocht het verzoek om schadevergoeding binnen die termijn zijn gedaan, terwijl alsnog van een rechtsmiddel gebruik is gemaakt dat later weer werd ingetrokken, dan kan ervan worden uitgegaan dat het verzoek op de dag van de eerste indiening is gedaan. Dezelfde situatie kan zich voordoen in het geval dat de officier van justitie na een sepotmededeling alsnog besluit te vervolgen, doch later toch weer beslist niet verder te vervolgen. Bij een voorwaardelijke niet (verdere) vervolging verdient het aanbeveling, dat de officier van justitie de gelædeerde kennisgeeft van het tijdstip waarop de proeftijd is verstreken. Wanneer de verdachte in ongewisheid verkeert of een tegen hem begonnen vervolging is geëindigd, kan hij eerst op de voet van het bepaalde in art. 55 de rechter verzoeken te verklaren dat de zaak is geëindigd. Om redenen van proceseconomie kan de rechter, die een verzoek tot schadevergoeding heeft ontvangen, dit verzoek ook opvatten als een impliciet verzoek om een verklaring dat de zaak is geëindigd.” (Memorie van Toelichting (1987-1988), in: T.M. Schalken en S.W. Mul (red.), Het nieuwe wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba (1997), p. 73.)

3.3.4

De in art. 182 SvA opgenomen exclusieve bevoegdheid van de strafrechter is bij nota van wijziging (als art. 179a) in het oorspronkelijke wetsontwerp ingevoegd. Deze bepaling is als volgt toegelicht:

“Het nieuwe artikel 179a bepaalt uitdrukkelijk, dat degene die schade heeft geleden ten gevolge van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, alleen krachtens de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, met uitsluiting van enige vordering uit burgerlijk recht, om schadevergoeding kan verzoeken. Indien het strafvorderlijke optreden onrechtmatig is - er is bijvoorbeeld sprake van misbruik van een (strafvorderlijke) bevoegdheid - zal de rechter bij het bepalen van de (omvang van de) schadevergoeding aansluiting dienen te zoeken bij de civielrechtelijke onrechtmatige daad-rechtspraak.

Indien daarentegen het optreden op het moment zelf rechtmatig was, maar achteraf ongefundeerd blijkt te zijn geweest (de verdachte heeft niets met de zaak te maken), kan op het Land de verplichting rusten de daardoor veroorzaakte schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening te nemen. In het ontwerp is niet gekozen voor de in Nederland aangehangen constructie (vgl. HR 26 januari 1990, NJ 1990, 794 en HR 23 november 1990, NJ 1991, 92), dat het overheidsoptreden onrechtmatig is, indien dat optreden schade tot gevolg heeft gehad, en dat de overheid altijd gehouden is rekening te houden met het risico, dat haar optreden achteraf onjuist blijkt. Naar het oordeel van de regering laat de vraag naar de al dan niet rechtmatigheid van het overheidsoptreden zich alleen zuiver stellen tegen de achtergrond van de taakopdracht die voor de overheid de grondslag van haar optreden vormt. Op het terrein van de strafvordering is de overheid bepaalde bevoegdheden in handen gegeven ten dienste van de rechtsgemeenschap, waarvan alle burgers deel uitmaken. De uitoefening van die bevoegdheden is aan bepaalde, wettelijk nauw omschreven grenzen gebonden. Uitsluitend de in dat verband te hanteren maatstaven bepalen het al dan niet rechtmatige karakter van het optreden, en wel naar het moment waarop de bevoegdheid werd uitgeoefend.

Als achteraf blijkt, dat het optreden op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden, dan kan dit oordeel door de rechter alleen op diezelfde (naar geobjectiveerde feiten of omstandigheden af te meten) criteria worden gestoeld. In dat perspectief gezien bepaalt de al of niet aanwezigheid van schade niet mede het al dan niet onrechtmatig karakter van het optreden, maar geeft omgekeerd de (naar strafvorderlijke criteria te beoordelen) vastgestelde al dan niet rechtmatigheid het antwoord op de vraag, wanneer de overheid tot schadevergoeding is gehouden. Aldus geformuleerd wordt ook beter tot uitdrukking gebracht, dat er ook bij rechtmatig optreden grond voor schadevergoeding kan zijn. Bij die vraag speelt juist ook een rol, in hoeverre leden van de rechtsgemeenschap, ten behoeve waarvan de overheid haar bevoegdheid heeft aangewend, rekening moeten houden met het risico, dat zij (achteraf ten onrechte) bij overheidsoptreden betrokken kunnen raken, dat op zichzelf rechtmatig was. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen daarin gronden van redelijkheid en billijkheid worden gevonden om de (rechtmatig toegebrachte) schade niet uitsluitend ten laste te brengen van de individuele burger die nadeel ondervond van de wijze waarop de overheid haar taak ten behoeve van de hele rechtsgemeenschap rechtmatig uitoefende. Indien bovendien de verdachte door eigen gedrag aan vergroting van dat risico heeft meegewerkt, speelt die factor een rol bij het toekennen van schadevergoeding.

De vraag, of de overheid rekening moet houden met het risico, dat de rechtmatigheid aan haar optreden achteraf komt te ontvallen, laat zich dus niet, gelet op de dominante publiekrechtelijke invalshoek, in alle gevallen op dezelfde manier beantwoorden. Dit betekent, dat strafvordering over eigen en legitieme criteria beschikt om de kwestie van de schadevergoeding zelfstandig te regelen.” (Nota van wijziging (onderdeel CT), in: T.M. Schalken en
S.W. Mul (red.), Het nieuwe wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba (1997), p. 179 en 245 - 246.)

4 Beoordeling van het middel

4.1.1 Onderdeel I.1 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans niet begrijpelijk heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake was van toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel en dat daarom de regeling van Titel XXII van Boek 3 SvA van toepassing is.

4.1.2 Het onderdeel faalt. Op grond van de feiten die zijn gerelateerd in de hiervoor onder 3.1 (iii) weergegeven brief waarvan de inhoud door de nabestaanden bij inleidend verzoekschrift aan hun vordering ten grondslag is gelegd, heeft het hof geoordeeld dat het optreden van de politiefunctionarissen geschiedde ter uitvoering van een rechtshulpverzoek en dat daarbij sprake was van toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, te weten de aanhouding van de inzittenden van een auto in verband met een voorgenomen drugstransactie. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

4.2.1 De onderdelen I.2 tot en met I.4 hebben betrekking op de (aanvang van de) in art. 179, lid 1 SvA bedoelde termijn van drie maanden.

4.2.2 Noch uit de tekst van de wet – die voor de aanvang van deze termijn aanknoopt bij het moment van de beëindiging van de zaak of de beslissing dat geen of geen verdere vervolging zal worden ingesteld – noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat ook andere gelaedeerden dan de bij de zaak waarin het strafvorderlijk dwangmiddel is toegepast betrokken personen, gebonden zijn aan de in art. 179 lid 1 SvA bedoelde termijn van drie maanden. Mede gelet op het uit art. 182 SvA voortvloeiende gevolg dat gelaedeerde derden, na het verstrijken van deze – relatief korte, in sommige gevallen zonder dat zij daarmee bekend kunnen zijn reeds lopende – termijn hun aanspraak op schadevergoeding ook niet meer langs andere weg geldend kunnen maken, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat gelaedeerde derden niet gebonden zijn aan de in art. 179 lid 1 SvA bedoelde termijn van drie maanden, en dat zij mitsdien hun aanspraken uit hoofde van Titel XXII van Boek 3 SvA geldend kunnen maken zolang deze niet naar burgerlijk recht zijn verjaard. Gelet op dit een en ander behoeven de onderdelen geen (nadere) bespreking.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de nabestaanden in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Land begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 13 april 2018.