Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:597

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
17/03121
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:87, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:1066, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondernemingsrecht. Enquête. Kostenverhaal op feitelijk bestuurder op grond van art. 2:354 BW? Hoofdelijke verbondenheid als bedoeld in art. 6:6 lid 2 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/834
ARO 2018/52
RN 2018/53
RvdW 2018/659
Ondernemingsrecht 2018/82 met annotatie van P. Broere
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 april 2018

Eerste Kamer

17/03121

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] , België,

2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaten: aanvankelijk mr. D. Rijpma en mr. C.J-A. Seinen, thans mr. D. Rijpma,

t e g e n

1. LEADERLAND TTM B.V.,

2. LEADERLAND TTM I B.V.,

3. LEADERLAND TTM II B.V.,

4. LEADERLAND TTM III B.V.,
alle gevestigd te Hilversum,

VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen,

e n

5. [belanghebbende 5] ,
wonende te [woonplaats] ,


6. [belanghebbende 6] ,
wonende te [woonplaats] , Russische Federatie ,

BELANGHEBBENDEN

niet verschenen.

Eisers zullen hierna gezamenlijk ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en afzonderlijk als [eiser 1] en [eiser 2] , verweerders gezamenlijk als Leaderland c.s. en afzonderlijk als Leaderland, Leaderland I, Leaderland II, Leaderland III en belanghebbenden als [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6] .

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaken 200.172.375/01 OK en 200.172.375/02 OK van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 18 maart 2014, 11 juli 2014, 24 juli 2014, 5 december 2014, 15 december 2014, 3 februari 2015, 28 april 2015, 29 mei 2015, 5 juni 2015, 22 juli 2015, 5 oktober 2015, 26 oktober 2015, 17 februari 2016, 22 april 2016 en 31 maart 2017;

De beschikking van 31 maart 2017 is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 31 maart 2017 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Leaderland c.s hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 2 februari 2018 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de punten 1.1-1.44 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. In cassatie gaat het, zeer kort weergegeven, om het volgende.

Leaderland hield zich bezig met inkoop en verkoop van ruwe grondstoffen (vetten en oliën) en de (intercompany-)doorlevering daarvan aan Russische vennootschappen. [eiser 1] en [belanghebbende 6] waren aandeelhouders en [belanghebbende 5] was aandeelhouder en bestuurder van vennootschappen binnen Leaderland c.s. Op 19 april 2013 is [belanghebbende 5] ontslagen als bestuurder van de vennootschappen en is [eiser 2] als bestuurder benoemd. Tussen [belanghebbende 5] enerzijds en Leaderland c.s. anderzijds is geprocedeerd over de onrechtmatigheid jegens [belanghebbende 5] van zijn ontslag en van de overdracht van vennootschappen en handelsactiviteiten door Leaderland, respectievelijk over het onrechtmatig optreden van [belanghebbende 5] als bestuurder.

3.2.1

In de onderhavige procedure heeft de ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij Leaderland c.s. over de periode vanaf 1 oktober 2012 en onderzoekers benoemd.

3.2.2

Nadat de onderzoekers verslag hadden uitgebracht, heeft de ondernemingskamer in haar eindbeschikking, voor zover in cassatie van belang, het door Leaderland c.s. gedane verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek toegewezen voor 75% van die kosten, zijnde € 75.187,50.
Zij heeft [eiser] c.s. hoofdelijk veroordeeld dit bedrag aan Leaderland c.s. te voldoen.

De ondernemingskamer heeft daartoe als volgt overwogen.

“3.10 Leaderland c.s. hebben verzocht [eiser 2] en [eiser 1] hoofdelijk te veroordelen in de onderzoekskosten en in de kosten van de procedure op de voet van art. 2:354 BW. Zoals in de beschikking van 22 april 2016 is overwogen blijkt uit het verslag van wanbeleid en zijn [eiser 2] en [eiser 1] daarvoor (respectievelijk als bestuurder en als feitelijk bestuurder) verantwoordelijk te achten. Dat hun een persoonlijk verwijt valt te maken van het wanbeleid, ligt reeds in de overwegingen ter zake besloten: zij zijn degenen die het ertoe hebben geleid dat de Leaderlandvennootschappen zijn ontmanteld en dat in dat kader (vrijwel) alle activa zonder voldoende en betrouwbare waardering zijn verkocht aan aan [eiser 1] en [belanghebbende 6] gelieerde partijen. De vordering is – zoals toe te lichten: deels – toewijsbaar.

3.11

De Ondernemingskamer acht niet de volledige onderzoekskosten toewijsbaar, nu het wanbeleidoordeel – zoals hierna nog zal blijken – alleen is gebaseerd op het ‘leeghalen’ van de vennootschap en de onderzoekers ook overige onderwerpen hebben onderzocht (de hierna nog te bespreken kwesties van [A] Inc. en de Soyuz-claim). Nu al het onderzochte echter onderling samenhing en het zwaartepunt lag bij het ‘leeghalen’, acht de Ondernemingskamer toewijzing van 75% van de onderzoekskosten passend, derhalve een bedrag van € 75.187,50 exclusief btw. Het betreft aansprakelijkheid voor dezelfde schade, zodat [eiser 2] en [eiser 1] hoofdelijk zullen worden veroordeeld.
De (gevorderde) rente zal worden toegewezen als verzocht.”

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 3.10. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat de kosten van het onderzoek niet zonder een uitdrukkelijke wetsbepaling (ook) op een feitelijk bestuurder als [eiser 1] kunnen worden verhaald. Art. 2:354 BW laat slechts kostenverhaal toe op een formeel bestuurder, aldus de klacht.

3.3.2

Ingevolge art. 2:345 lid 1 BW kan de ondernemingskamer een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt dat de rechtspersoon de kosten van dat onderzoek betaalt. Op grond van art. 2:354 BW kan de ondernemingskamer, na kennisneming van het verslag van het onderzoek, op verzoek van de rechtspersoon beslissen dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op (voor zover hier van belang) een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon.

Zoals is overwogen in HR 16 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2594, NJ 1997/37 (VHS), rov. 3.3.1, strekt art. 2:354 BW ertoe om verhaal van onderzoekskosten mogelijk te maken ten laste van de individuele persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden.

In overeenstemming met deze strekking is in HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607, NJ 2017/202 (Meavita), rov. 3.6.2, beslist dat de ondernemingskamer bij haar beslissing op de voet van art. 2:354 BW alle omstandigheden van het geval dient te betrekken en dat uit haar overwegingen ten aanzien van de desbetreffende functionaris individueel en concreet moet blijken dat hij verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of de onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon, hetgeen inhoudt dat hem persoonlijk van de onjuistheid van dat beleid of van de onbevredigende gang van zaken een verwijt kan worden gemaakt.

3.3.3

De wetsgeschiedenis van (de voorloper van) art. 2:354 BW (aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4) bevat geen aanwijzingen dat de wetgever heeft beoogd verhaal van onderzoekskosten ten laste van personen die geen formele verantwoordelijkheid droegen, uit te sluiten. Voorts strookt het met de hiervoor in 3.3.2 bedoelde strekking van art. 2:354 BW om deze bepaling van toepassing te achten op alle personen die in de sfeer van de rechtspersoon zijn opgetreden en verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het slecht functioneren van de rechtspersoon, ook zonder dat zij een formele verantwoordelijkheid droegen.

Opmerking verdient dat ook voor verhaal van onderzoekskosten op de voet van art. 2:354 BW ten laste van een persoon die geen formele verantwoordelijkheid droeg, slechts plaats is indien is voldaan aan de hiervoor in 3.3.2 bedoelde maatstaf dat ten aanzien van deze persoon individueel en concreet blijkt dat hij verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of de onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon, hetgeen inhoudt dat hem persoonlijk van de onjuistheid van dat beleid of van die onbevredigende gang van zaken een verwijt kan worden gemaakt.

3.3.4

Op grond van het hiervoor in 3.3.2-3.3.3 overwogene faalt onderdeel 1.

3.4.1

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.11. Het klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het verschuldigd zijn van onderzoekskosten niet valt te begrijpen als aansprakelijkheid voor schade en er om die reden geen wettelijke grond is voor hoofdelijke verbondenheid. Het oordeel van de ondernemingskamer geeft bovendien blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het uitspreken van een veroordeling tot schadevergoeding haar wettelijke taak te buiten gaat, aldus het onderdeel.

3.4.2

Beide klachten van het onderdeel falen.

Een kostenveroordeling op de voet van art. 2:354 BW strekt, voor zover hier van belang, tot vergoeding van de schade van de rechtspersoon die bestaat in het betalen van de kosten van het onderzoek op de voet van art. 2:350 lid 3 BW. Indien de ondernemingskamer oordeelt dat kosten voor het geheel op ieder van twee of meer personen kunnen worden verhaald, zijn die personen krachtens art. 6:6 lid 2 BW hoofdelijk verbonden.

Zoals is geoordeeld in HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, NJ 1997/671 (Text Lite), rov. 4.3.1, kan het dictum van een beslissing van de ondernemingskamer waarin een verzoek tot verhaal van onderzoekskosten op de voet van art. 2:354 BW is toegewezen, een veroordeling tot betaling van die onderzoekskosten inhouden. Anders dan het onderdeel aanvoert, valt het uitspreken van een dergelijke veroordeling binnen de wettelijke taak van de ondernemingskamer.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Leaderland c.s. begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 13 april 2018.