Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:59

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
17/02344
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen in Caribische zaak (art. 1b Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Verkrijging van Nederlanderschap door erkenning in 1990 in het buitenland door gehuwde man (art. 4 (oud) RWN)? Erkenning in Sint Maarten van buitenlandse erkenning? Betekenis van art. 8 EVRM voor ongeclausuleerd erkenningsverbod van art. 330 lid 1, onder b, BWNA (oud). Tijdstip waarop erkenning van kind rechtsgevolgen sorteert. Stelsel van de RWN en rechtsvormende taak van de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0023
NJB 2018/269
RvdW 2018/150

Uitspraak

19 januari 2018

Eerste Kamer

17/02344

LZ/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te Sint Maarten,

VERZOEKER in hoger beroep,

niet verschenen in de prejudiciële procedure.

t e g e n

1. het OPENBAAR MINISTERIE,
zetelende te Philipsburg, Sint Maarten,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

2. de STAAT DER NEDERLANDEN (Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te Den Haag,

advocaat: mr. M.M. van Asperen,

3. de MINISTER VAN JUSTITIE,
zetelende te Philipsburg, Sint Maarten,

4. de MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN,
zetelende te Philipsburg, Sint Maarten,

5. het HOOFD VAN DE BASISADMINISTRATIE PERSOONSGEGEVENS,
zetelende te Philipsburg, Sint Maarten,

BELANGHEBBENDEN in hoger beroep,

niet verschenen in de prejudiciële procedure.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als verzoeker en het Openbaar Ministerie c.s. Verweerder sub 2 zal worden aangeduid als de Staat.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak GH 76493 – HAR 58/15 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 3 maart 2017 en 12 mei 2017.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemde beschikking heeft het hof op de voet van art. 1b van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

“1. Kan het ongeclausuleerde wettelijke erkenningsverbod voor een met een andere vrouw dan de moeder gehuwde man, dat in Sint Maarten gold vóór 15 januari 2001, wat betreft de verwekker worden beschouwd als een inmenging in zijn recht op respect voor zijn privé leven (‘private life’) als bedoeldin art. 8 lid 1 EVRM? Vgl. EHRM 21 december 2010 in de zaak Anayo v. Germany, appl. no. 20578/07 en EHRM 15 september 2011 in de zaak Schneider v. Germany, appl. no. 17080/07.

2. Zo ja, kan hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 10 november 1989, NJ 1990/450 worden toegepast op het geval dat een verwekker op
6 juni 1990 zijn kind heeft erkend, zonder dat tussen hem en het kind op dat moment familie- en gezinsleven (‘family life’) bestond?

3. Aangenomen dat op 6 juni 1990 de gehuwde verwekker naar het recht van Sint Maarten niet bevoegd was zijn kind te erkennen, betekent dit naar ongeschreven regels van internationaal privaatrecht van Sint Maarten dat de buitenlandse erkenning van 6 juni 1990 niet in Sint Maarten kon worden erkend?

4. Per 15 januari 2001 is de wet in Sint Maarten aldus gewijzigd dat de verwekker als gehuwde man wel bevoegd zou zijn het kind te erkennen. Aangenomen dat het antwoord op vraag 3 luidt dat op 6 juni 1990, naar ongeschreven regels van internationaal privaatrecht van Sint Maarten, erkenning in Sint Maarten van de buitenlandse erkenning van een kind niet mogelijk was, is deze erkenning vanaf 15 januari 2001 wel mogelijk (vgl. de noot in NJ 2016/355, onder 5 slot, van prof. mr. Th.M. de Boer onder HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293)?

5. Zo ja, heeft deze erkenning in Sint Maarten vanaf 15 januari 2001 van de buitenlandse erkenning van het kind tot gevolg dat het kind Nederlander is?

6. Zo ja, sedert wanneer: 26 december 1989 (datum van geboorte; vgl. HR 4 december 1993, NJ 1993/272, rov. 3.4), 6 juni 1990 (datum van erkenning; vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293, NJ 2016/355, rov. 3.4.8), 15 januari 2001 (datum van inwerkingtreding van de wetswijziging) of enig ander tijdstip?

7. Maakt het voor het antwoord op de vorige vraag uit of het kind op 15 januari 2001 (datum van inwerkingtreding van de wetswijziging) al dan niet de 18-jarige leeftijd had bereikt? Vgl. artikel 1 onder b jo de artikelen 3-5 RwNed.”

Namens de Staat zijn schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt ertoe dat de Hoge Raad de vragen zal beantwoorden als voorgesteld onder 2.37 van die conclusie.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 10 november 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(i) Verzoeker is op [geboortedatum] 1989 in de Dominicaanse Republiek geboren uit een Dominicaanse moeder.

(ii) De geboorteaangifte heeft (tardief) plaatsgevonden op 6 juni 1990 door [de man] (hierna: de man), waarbij in de geboorteakte is vermeld: “quien es el padre”. Een dergelijke vermelding kan naar het recht van de Dominicaanse Republiek als erkenning worden aangemerkt.

(iii) De man had ten tijde van de erkenning de Nederlandse nationaliteit, had destijds kennelijk zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten en was toen gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoeker; met die andere vrouw is hij nog steeds gehuwd.

3.2.1

Verzoeker verzoekt in deze zaak, voor zover voor de beantwoording van de prejudiciële vragen van belang, op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) om vaststelling van zijn Nederlanderschap. Verzoeker heeft daartoe aangevoerd dat hij het Nederlanderschap heeft verkregen doordat hij door de man is erkend en de man ten tijde van die erkenning de Nederlandse nationaliteit had.

3.2.2

Het Openbaar Ministerie c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de erkenning van verzoeker door de man, zoals gedaan in de Dominicaanse Republiek, in strijd is met de openbare orde van Sint Maarten, omdat een dergelijke erkenning, indien gedaan in Sint Maarten, nietig zou zijn geweest op grond van het ten tijde van de erkenning geldende erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud).

3.2.3

Het hof heeft de hiervoor onder 2 weergegeven prejudiciële vragen gesteld.

Inleiding

3.3.1

De vraag of verzoeker het Nederlanderschap bezit, meer in het bijzonder of hij het Nederlanderschap als gevolg van de erkenning door de man heeft verkregen, dient te worden beantwoord aan de hand van de RWN. Ten tijde van de erkenning van verzoeker door de man (op 6 juni 1990) bepaalde art. 4 lid 1 RWN dat “Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend”. Thans volgt uit art. 4 lid 2 en lid 4 RWN dat een erkenning door een Nederlander slechts onder aanvullende voorwaarden tot het Nederlanderschap leidt. Art. 4 (oud en huidig) RWN verbindt de verkrijging van het Nederlanderschap niet alleen aan een erkenning van een minderjarige die door een Nederlander in het Koninkrijk is gedaan, maar ook aan een door een Nederlander in het buitenland gedane erkenning, indien deze buitenslands tot stand gekomen rechtshandeling van erkenning in aanmerking komt voor erkenning in een land van het Koninkrijk, zoals in dit geval Sint Maarten.

3.3.2

De erkenning van verzoeker door de man is gedaan in de Dominicaanse Republiek. De vraag of deze erkenning ingevolge art. 4 RWN leidde of leidt tot verkrijging van het Nederlanderschap, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de buitenslands tot stand gekomen rechtshandeling van erkenning in Sint Maarten kon of kan worden erkend. Laatstgenoemde vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de regels van internationaal privaatrecht van Sint Maarten (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293, NJ 2016/355, rov. 3.4.3; HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942, NJ 2017/435, rov. 3.4.2).

3.4.1

Het hof heeft (in rov. 2.6 van zijn eerste tussenbeschikking) tot uitgangspunt genomen dat naar ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten een buitenlandse erkenning van een kind, gedaan door een man die ten tijde van de erkenning zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten had, kennelijk in strijd met de openbare orde wordt geacht, indien de man naar het recht van Sint Maarten niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen, zoals destijds ingevolge art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) het geval was. Volgens het hof komt een en ander neer op overeenkomstige toepassing, rekening houdend met het in Sint Maarten vigerende domiciliebeginsel (art. 7 Algemeene bepalingen der wetgeving), van art. 10:101 lid 2, aanhef en onder a, van het Nederlandse BW (hierna: BW) (voorheen art. 10 lid 2, aanhef en onder a, Wet conflictenrecht afstamming).

3.4.2

In het hiervoor in 3.4.1 weergegeven uitgangspunt van het hof ligt besloten dat het ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten overeenkomt met het bepaalde in de art. 10:100 en 10:101 BW en op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als voornoemde bepalingen van het BW.
Dit strookt met het in art. 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel, dat ertoe strekt het burgerlijk recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen.

3.4.3

Ingevolge art. 10:101 lid 1 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1 BW worden buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, en die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, in Nederland van rechtswege erkend. Art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW bepaalt dat de erkenning echter achterwege blijft indien zij kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

De eerste prejudiciële vraag: inmenging in recht op privéleven?

3.5.1

Het tot 15 januari 2001 geldende art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) bepaalde:

“1. Een erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

(…)

b. door een gehuwde man, wiens huwelijk meer dan 306 dagen voor de geboortedag van het kind is voltrokken;”

Art. 1:224 lid 1, aanhef en onder b, (oud) BW bevatte een daarmee vergelijkbare bepaling.

3.5.2

In HR 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1689, NJ 1990/450 is geoordeeld dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 1:224 lid 1, aanhef onder b, (oud) BW in strijd is met het door art. 8 EVRM beschermde recht op gezinsleven. Hetgeen de Hoge Raad in die beschikking heeft overwogen, laat zich als volgt weergeven.

In het recht op gezinsleven ligt besloten dat de verwekker met betrekking tot zijn kind met wie hij in een als gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM aan te merken relatie staat, belang erbij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Datzelfde belang heeft dat kind in de relatie met betrekking tot zijn vader. Volgens art. 8 lid 2 EVRM is een inmenging in dit recht slechts toelaatbaar indien zij bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De vraag of hiervan sprake is, kan slechts worden beantwoord door in het licht van de omstandigheden van het geval tegen elkaar af te wegen, enerzijds de ernst van de door die inmenging in het bedoelde recht gemaakte inbreuk en anderzijds de belangen welke die wettelijke regeling beoogt te beschermen. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt voorts dat een inmenging als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM slechts ‘nodig’ is indien zij beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte en, in het bijzonder, evenredig is aan het legitieme doel dat ermee wordt nagestreefd. Een wettelijke bepaling die het onder alle omstandigheden onmogelijk maakt dat een onwettig kind door zijn vader wordt erkend zolang deze gehuwd is, sluit een concrete belangenafweging als vorenbedoeld uit en miskent het door het EHRM tot uitdrukking gebrachte evenredigheidsvereiste.

3.5.3

Naar aanleiding van deze uitspraak van de Hoge Raad heeft de Nederlandse wetgever in 1997 afdeling 3 van titel 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd. Op grond van het bij die gelegenheid ingevoerde art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, (oud) BW was erkenning van een kind door een man die was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind, nietig, tenzij de rechtbank had vastgesteld dat aannemelijk was dat tussen de man en de moeder een band bestond of had bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn viel te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestond.
Deze bepaling is met ingang van 1 april 2014 komen te vervallen.

3.5.4

Op 15 januari 2001 is art. 1:204 BWNA (oud) in werking getreden voor de Nederlandse Antillen, en daarmee ook voor Sint Maarten. Het hiervoor in 3.5.1 aangehaalde art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) is bij die gelegenheid komen te vervallen. Art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, BWNA (oud) (thans art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, BW van Sint Maarten (hierna: BWSM)), luidt:

“1. De erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

(…)

(e) na het verstrijken van de wettelijke termijn van aangifte van de geboorte van het kind, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan;”

In de toelichting op deze bepaling wordt als reden voor deze wetswijziging vermeld, onder verwijzing naar onder meer de hiervoor in 3.5.2 genoemde beschikking van de Hoge Raad, dat het tot dan toe bestaande ongeclausuleerde erkenningsverbod voor de gehuwde man in strijd is met art. 8 EVRM. Op grond van het bepaalde in het nieuwe lid 1, onder e, kan een gehuwde man een kind erkennen, indien hij dit verwekt heeft, indien de erkenning plaatsvindt ter gelegenheid van de (tijdige) geboorteaangifte of indien hij een nauwe persoonlijke betrekking heeft met het kind. (Zie de parlementaire geschiedenis, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4)

3.5.5

Uit het vorenstaande volgt dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod, dat ingevolge art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) gold ten tijde van de erkenning van verzoeker door de man, een ontoelaatbare inmenging vormde in het recht op bescherming van het gezinsleven van art. 8 EVRM. Het hof heeft echter overwogen (in rov. 2.7 van zijn eerste tussenbeschikking) dat onvoldoende bewijsmateriaal is overgelegd waaruit kan worden geconcludeerd dat tussen verzoeker en de man ten tijde van de erkenning family life bestond in de zin van art. 8 EVRM en de hiervoor in 3.5.2 genoemde beschikking van de Hoge Raad.

3.5.6

Tegen de hiervoor in 3.5.1-3.5.5 geschetste achtergrond stelt de eerste prejudiciële vraag aan de orde of het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) een inmenging vormt (niet slechts in het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde gezinsleven, maar ook) in het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde privéleven van de man.

3.6.1

Art. 8 lid 1 EVRM beschermt niet alleen het recht op gezinsleven, maar eveneens het recht op privéleven. Tot dit laatste behoort onder meer het recht om relaties aan te gaan met andere personen (vgl. EHRM 16 december 1992, nr. 13710/88 (Niemitz/Duitsland), en EHRM 28 januari 2003, nr. 44647/98 (Peck/Verenigd Koninkrijk)).

3.6.2

Het hiervoor in 3.6.1 bedoelde recht om relaties aan te gaan met andere personen ziet ook op de relatie van de verwekker tot zijn kind. Hoewel laatstgenoemde relatie doorgaans valt onder de bescherming van het recht op gezinsleven, is niet uitgesloten dat zij – bij gebreke van een relatie die als gezinsleven kan worden aangemerkt – valt onder de bescherming van het recht op privéleven. Daarbij is van belang dat de vaststelling van een afstammingsrechtelijke relatie tussen een verwekker en een kind een belangrijke invloed heeft op iemands persoonlijke identiteit. (Vgl. EHRM 7 februari 2002, nr. 53176/99 (Mikulić/Kroatië), punt 53, en EHRM 22 maart 2012, nr. 45071/09 (Ahrens/Duitsland), punt 60) Op die grond moet worden aanvaard dat ook de erkenning van zijn kind door de verwekker, zonder dat sprake is van gezinsleven, de bescherming van het privéleven onder
art. 8 EVRM geniet.

3.6.3

Het recht op privéleven kan – evenals het recht op gezinsleven – aan beperkingen worden onderworpen, mits deze in overeenstemming zijn met de voorwaarden die zijn neergelegd in art. 8 lid 2 EVRM. Bij de afweging van de belangen van het individu enerzijds en die van de samenleving anderzijds dient het belang van het kind, afhankelijk van de aard en het gewicht van dit belang, te worden meegewogen; afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het belang van het kind zelfs zwaarder wegen dan dat van de ouders. Als de wettelijke regeling die een inmenging oplevert in het recht op bescherming van het privéleven, in de weg staat aan een concrete belangenafweging, is sprake van een ontoelaatbare inbreuk op het recht op privéleven zoals beschermd door art. 8 lid 1 EVRM. (Vgl. EHRM 21 december 2010, nr. 20578/07 (Anayo/Duitsland), punt 69, en EHRM 22 maart 2012, nr. 45071/09 (Ahrens/Duitsland), punt 63)

3.6.4

Wat er zij van de ruimte voor een inmenging in het recht op privéleven, uit de hiervoor in 3.6.1-3.6.3 vermelde rechtspraak van het EHRM moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat een dergelijke inmenging niet in de weg mag staan aan een concrete belangenafweging, waarbij – in het kader van de mogelijkheid van erkenning van een kind (dat geen juridische vader heeft) door zijn verwekker – acht wordt geslagen op de rechten en belangen van de verwekker, het kind en de moeder. Voor een dergelijke concrete afweging liet het ten tijde van de erkenning geldende ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) geen ruimte. Dat verbod vormt dan ook naar hedendaagse maatstaven een ontoelaatbare inbreuk op het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven van de verwekker.

3.7.1

De hiervoor in 3.6.4 bereikte slotsom dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) een ontoelaatbare inmenging oplevert in het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven van de verwekker, brengt niet zonder meer mee dat daarmee ook sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op het recht op privéleven van het kind, zoals verzoeker in het onderhavige geding is. Hoewel de eerste prejudiciële vraag slechts ziet op het recht op privéleven van de verwekker, ziet de Hoge Raad aanleiding om het volgende te overwegen met betrekking tot het recht op privéleven van het kind.

3.7.2

In de rechtspraak van het EHRM is benadrukt dat het voor de ontwikkeling van de identiteit van een kind van belang kan zijn dat het duidelijkheid verkrijgt over zijn afstammingsrechtelijke relatie tot de verwekker (vgl. EHRM 7 februari 2002, nr. 53176/99 (Mikulić/Kroatië), punt 53-55, EHRM 13 juli 2006, nr. 58757/00 (Jäggi/Zwitserland), punt 25-26, en EHRM 7 mei 2009, nr. 3451/05 (Kalacheva/Rusland), punt 28). Uit deze rechtspraak moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat – gelet op dit belang van het kind bij duidelijkheid omtrent zijn afstammingsrechtelijke relatie – de bescherming van het recht op privéleven van het kind, ook op het punt van de mogelijkheid tot erkenning van het kind (dat geen juridische vader heeft) door zijn verwekker, steeds een concrete belangenafweging vergt, waarbij acht wordt geslagen op de rechten en belangen van de verwekker, het kind en de moeder. Een ongeclausuleerd erkenningsverbod, zoals vervat in art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), staat in de weg aan een dergelijke concrete belangenafweging, en vormt daarmee een ontoelaatbare inbreuk op het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven van het kind.

3.8

Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt derhalve dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), naar hedendaagse maatstaven moet worden beschouwd als een ontoelaatbare inbreuk op het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven van de verwekker en op dat van het kind.

De tweede prejudiciële vraag: buiten toepassing laten van erkenningsverbod

3.9.1

Blijkens hetgeen het hof heeft overwogen (in rov. 2.13 van zijn tweede tussenbeschikking) berust de tweede prejudiciële vraag op het uitgangspunt dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) op het tijdstip van de erkenning inbreuk maakte op het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven van de verwekker. Uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt dat dit uitgangspunt juist is.

3.9.2

Bij die stand van zaken moet worden aangenomen dat hetgeen de Hoge Raad in zijn hiervoor in 3.5.2 genoemde beschikking heeft geoordeeld – kort gezegd: dat art. 8 EVRM (en het daardoor beschermde recht op gezinsleven) kan meebrengen dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 1:224 lid 1, aanhef onder b, (oud) BW in een concreet geval buiten toepassing moet blijven – van overeenkomstige toepassing is op het onderhavige geval. Dit betekent dat art. 8 EVRM (en het daardoor beschermde recht op privéleven) kan meebrengen dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) in een concreet geval buiten toepassing moet blijven.

3.9.3

De tweede prejudiciële vraag moet derhalve bevestigend worden beantwoord.

De derde en de vierde prejudiciële vraag: de erkenning in IPR-rechtelijk perspectief

3.10

De derde en de vierde prejudiciële vraag stellen aan de orde of, en zo ja met ingang van welk tijdstip, de erkenning van verzoeker door de man, die op 6 juni 1990 in de Dominicaanse Republiek is gedaan, in Sint Maarten kan worden erkend.

3.11.1

Zoals hiervoor in 3.4.1 is overwogen, heeft het hof (in rov. 2.6 van zijn eerste tussenbeschikking) tot uitgangspunt genomen dat naar ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten een buitenlandse erkenning van een kind, gedaan door een man die ten tijde van de erkenning zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten had, kennelijk in strijd met de openbare orde wordt geacht, indien de man naar het recht van Sint Maarten niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen, zoals destijds ingevolge art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) het geval was.

Dit uitgangspunt moet aldus worden begrepen dat aan de in het ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten gehanteerde weigeringsgrond van de openbare orde – die overeenkomt met art. 10:101 leden 1 en 2 in verbinding met art. 100 lid 1, onderdeel c, BW (zie hiervoor in 3.4.2-3.4.3) – invulling is gegeven door aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud). De weigeringsgrond van de openbare orde is kennelijk in die zin geconcretiseerd dat deze zich verzet tegen de erkenning van een buitenslands tot stand gekomen rechtshandeling van erkenning van een kind, op de enkele grond dat deze erkenning is gedaan door een man die ten tijde van de erkenning zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten had en destijds was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind.

3.11.2

Uit het antwoord op de tweede prejudiciële vraag volgt dat art. 8 EVRM (en het daardoor beschermde recht op privéleven) kan meebrengen dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) in een concreet geval buiten toepassing moet blijven. In samenhang met hetgeen hiervoor in 3.11.1 is overwogen, betekent dit tevens dat het mogelijk is dat art. 8 EVRM (en het daardoor beschermde recht op privéleven) meebrengt dat de erkenning in Sint Maarten van de op 6 juni 1990 in de Dominicaanse Republiek tot stand gekomen rechtshandeling van erkenning van verzoeker door de man, niet als kennelijk onverenigbaar met de openbare orde van Sint Maarten kan worden geweigerd op de enkele grond – welke grond is ontleend aan art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) – dat deze erkenning is gedaan door een man die ten tijde van de erkenning zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten had en destijds was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind.

3.11.3

De derde prejudiciële vraag moet derhalve ontkennend worden beantwoord.

3.12.1

Met het vorenstaande is nog niet de vraag beantwoord met ingang van welk tijdstip de erkenning van verzoeker door de man, die op 6 juni 1990 in de Dominicaanse Republiek is gedaan, in Sint Maarten kan worden erkend. Deze vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Zoals is overwogen in HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942, NJ 2017/435, rov. 3.9.4, komt het bij de bepaling van het tijdstip met ingang waarvan rechtsgevolg toekomt aan de erkenning van een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij een familierechtelijke betrekking is vastgesteld of gewijzigd, aan op de inhoud en de strekking van de wettelijke bepaling(en) en de daardoor in het leven geroepen rechtsgevolgen, met het oog waarop de erkenning van dat rechtsfeit of die rechtshandeling plaatsvindt.

3.12.2

Wel is in dit verband van betekenis dat – als gevolg van de hiervoor in 3.5.4 bedoelde wetswijziging – het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) met ingang van 15 januari 2001 is komen te vervallen. Dit brengt mee dat de in het ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten gehanteerde weigeringsgrond van de openbare orde vanaf dat tijdstip niet meer kon worden ingevuld – op de hiervoor in 3.11.1 bedoelde wijze – door aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud).

Het vorenstaande brengt mee dat – onverminderd hetgeen hierna bij de beantwoording van de vijfde, zesde en zevende prejudiciële vraag wordt overwogen – aan de erkenning van verzoeker door de man, die op 6 juni 1990 in de Dominicaanse Republiek is gedaan, in beginsel met ingang van 15 januari 2001 in Sint Maarten rechtsgevolgen toekomen, omdat de erkenning van die buitenslands tot stand gekomen rechtshandeling na 15 januari 2001 niet meer afstuitte op de (aan de hand van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) ingevulde) weigeringsgrond van de openbare orde, daarin bestaande dat de man ten tijde van de erkenning zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten had en destijds was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoeker. De vierde vraag gaat immers ervan uit dat in het onderhavige geval wel is voldaan aan de eisen van het sinds 15 januari 2001 geldende art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, BWSM.

3.12.3

Opmerking verdient echter dat – wederom onverminderd hetgeen hierna bij de beantwoording van de vijfde, zesde en zevende prejudiciële vraag wordt overwogen – niet in alle gevallen beslissende betekenis toekomt aan het tijdstip van de hiervoor in 3.5.4 bedoelde wetswijziging – te weten 15 januari 2001 – nu uit het antwoord op de eerste en de tweede prejudiciële vraag volgt dat art. 8 EVRM kan meebrengen dat het tot 15 januari 2001 geldende ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) in een concreet geval als onverenigbaar met het recht op privéleven van de verwekker en dat van het kind buiten toepassing moet blijven. Daarom is niet uitgesloten dat aan de erkenning van verzoeker door de man, die op 6 juni 1990 in de Dominicaanse Republiek is gedaan, in Sint Maarten rechtsgevolgen, zoals familierechtelijke rechtsgevolgen, toekomen met ingang van een tijdstip gelegen vóór 15 januari 2001.

3.12.4

De vierde prejudiciële vraag moet derhalve aldus worden beantwoord dat in beginsel met ingang van 15 januari 2001 in Sint Maarten rechtsgevolgen toekomen aan de op 6 juni 1990 in de Dominicaanse Republiek gedane erkenning van verzoeker door de man.

De vijfde, zesde en zevende prejudiciële vraag: nationaliteitsrechtelijke gevolgen

3.13.1

Bij de beantwoording van de vijfde, zesde en zevende prejudiciële vraag dient tot uitgangspunt dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM aan art. 8 EVRM op zichzelf geen aanspraak op verkrijging van een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend (zie onder meer EHRM 11 oktober 2011, nr. 53124/09 (Genovese/Malta), punt 30; zie tevens HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:570, NJ 2017/216, rov. 3.3.5). Daaruit volgt dat hetgeen hiervoor bij de beantwoording van de eerste vier prejudiciële vragen met betrekking tot die bepaling is overwogen, niet ertoe dwingt om aan te nemen dat de erkenning van verzoeker door de man heeft geleid tot verkrijging van het Nederlanderschap.

3.13.2

Ingevolge het hiervoor in 3.3.1 aangehaalde art. 4 (oud en huidig) RWN verkrijgt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend, van rechtswege het Nederlanderschap, ongeacht of sprake is van een erkenning die in het Koninkrijk is gedaan, dan wel van een in het buitenland gedane erkenning die voor erkenning in het Koninkrijk in aanmerking komt. De verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN vindt plaats op het tijdstip van de (in het Koninkrijk dan wel in het buitenland gedane) erkenning. Ingevolge art. 2 lid 1 (oud en huidig) RWN heeft deze verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht tot het tijdstip van de geboorte van de minderjarige. Een en ander betekent dat de gevolgen van een erkenning voor de verkrijging van het Nederlanderschap moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die erkenning plaatsvindt (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293, NJ 2016/355, rov. 3.4.2, en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942, NJ 2017/435, rov. 3.10.4).

Dit stelsel van de RWN dient het belang dat vanaf de erkenning van de minderjarige voor alle betrokken personen en de Staat zekerheid bestaat omtrent het mogelijke Nederlanderschap van die minderjarige op grond van zijn erkenning door een Nederlander (vgl. HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942, NJ 2017/435, rov. 3.10.4).

3.13.3

Zoals hiervoor in 3.11.1 en 3.12.2 is overwogen, werd tot 15 januari 2001 aan de in het ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten gehanteerde weigeringsgrond van de openbare orde invulling gegeven door aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud). Bij die stand van zaken en gelet op hetgeen hiervoor in 3.13.2 is overwogen met betrekking tot het stelsel van de RWN, moet voor de toepassing van art. 4 (oud en huidig) RWN ervan worden uitgegaan dat ten tijde van de erkenning van verzoeker door de man (op 6 juni 1990) de erkenning in Sint Maarten van een buitenslands tot stand gekomen rechtshandeling van erkenning afstuitte op de weigeringsgrond van de openbare orde, indien – zoals in het onderhavige geval – die buitenlandse erkenning was gedaan door een man die ten tijde van die erkenning zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten had en destijds was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind. Dit betekent dat de erkenning van verzoeker door de man niet tot gevolg heeft gehad dat verzoeker op het tijdstip waarop die erkenning werd gedaan (op 6 juni 1990), ingevolge art. 4 (oud) RWN het Nederlanderschap verkreeg.

3.13.4

Mede gelet op het belang van de rechtszekerheid dat wordt gediend door het stelsel van de RWN (zie hiervoor in 3.13.2), gaat het de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten om te beslissen in hoeverre de hiervoor in 3.5.4 bedoelde wetswijziging en de gevolgen die daaraan zijn verbonden voor de invulling van de weigeringsgrond van de openbare orde (zie hiervoor in 3.12.2-3.12.3), kunnen meebrengen dat de erkenning van verzoeker door de man (op 6 juni 1990) tot gevolg heeft gehad dat verzoeker ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN alsnog het Nederlanderschap heeft verkregen, hetzij op het tijdstip van die wetswijziging (15 januari 2001), hetzij op enig tijdstip gelegen tussen 6 juni 1990 en 15 januari 2001, hetzij op enig tijdstip gelegen na 15 januari 2001. Het is aan de wetgever om te beslissen of een dergelijke ingrijpende inbreuk op het stelsel van de RWN gerechtvaardigd is en, zo ja, op welke wijze deze vorm dient te krijgen.

3.13.5

Op grond van het vorenstaande moet worden aangenomen dat de erkenning van verzoeker door de man noch ten tijde van die erkenning, noch op enig tijdstip nadien tot gevolg heeft gehad dat verzoeker ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN het Nederlanderschap heeft verkregen.

3.13.6

De vijfde prejudiciële vraag moet derhalve ontkennend worden beantwoord. De zesde en de zevende prejudiciële vraag behoeven daarom geen beantwoording.

4 Beslissing

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 3.8, 3.9.3, 3.11.3, 3.12.4 en 3.13.6 weergegeven wijze.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsherenA.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 19 januari 2018.