Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:551

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
16/01293
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1611
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Cassatieberoep ingetrokken na tot vernietiging strekkende CAG. Belang bij cassatie? Gelet op art. 4.4.2 van het Procesreglement HR zal de HR de zaak op het bestaande beroep afdoen. De in dit arrest vermelde aanvulling van gebezigde b.m. die redengevend zijn voor de bewezenverklaring a.b.i. art. 365a.2 Sv ontbreekt bij de aan de HR gezonden stukken. Blijkens de CAG is geen aanvulling opgemaakt. Nu het Hof in strijd met art. 359.3 en 8 Sv geen b.m. heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende f&o, slaagt het middel v.zv. het inhoudt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de gebezigde b.m. kan worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0154
RvdW 2018/545
NJ 2018/414 met annotatie van T. Kooijmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 april 2018

Strafkamer

nr. S 16/01293

ES/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 maart 2016, nummer 20/000122-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.P. Zwaanswijk, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Het beroep is ingetrokken nadat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van de Hoge Raad van 28 november 2017 zijn conclusie had genomen en derhalve na de aanvang van de behandeling van het beroep als bedoeld in art. 453 Sv. Gelet op art. 4.4.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden zal de Hoge Raad de zaak op het bestaande beroep afdoen.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde feit niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen en de bewezenverklaring daarom niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

2.2.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht."

2.3.1.

De in dit arrest vermelde aanvulling van gebezigde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring als bedoeld in artikel 365a, tweede lid, Sv ontbreekt bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken. Blijkens de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 is zo een aanvulling door het Hof niet opgemaakt.

2.3.2.

Nu het Hof in strijd met art. 359, derde en achtste lid, Sv geen bewijsmiddelen heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, slaagt het middel voor zover het inhoudt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2018.