Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:543

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
16/04582
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:321
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen voorbereidingshandelingen drugstransporten en deelname criminele organisatie. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e lid 2 en lid 3 Sr. W.v.v. in periode voorafgaand aan bewezenverklaarde periode hoofdzaak. In met ontnemingszaak samenhangende strafzaak is verdachte veroordeeld t.z.v. strafbare feiten gepleegd in periode van 1-5-2009 t/m 15-4-2011. Hof heeft enkel deze feiten beschouwd als grondslag voor vordering tot ontneming. Voor het vaststellen van w.v.v. heeft Hof gebruik gemaakt van het ontnemingsrapport waarin voordeelsberekening is gebaseerd op eenvoudige kasopstelling en periode van 1-1-2008 t/m 31-12-2010 is gekozen als onderzoeksperiode. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:414 m.b.t. berekeningswijze van eenvoudige kasopstelling. In aanmerking genomen dat Hof - dat kennelijk heeft beoogd enkel voordeel te ontnemen dat is verkregen d.m.v. of uit de baten van de in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten - tot uitgangspunt heeft genomen periode van 1-5-2009 t/m 15-4-2011 waarin die feiten zijn begaan, is de vaststelling van het bedrag waarop w.v.v. moet worden geschat, v.zv. Hof daarbij bankstortingen en uitgaven verricht vóór 1-5-2009 heeft betrokken, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0181
RvdW 2108/516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 april 2018

Strafkamer

nr. S 16/04582 P

JHO/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 juli 2016, nummer 22/001091-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof heeft vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in een periode die voorafgaat aan de in de bewezenverklaring in de hoofdzaak genoemde periode.

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten, en heeft het bedrag waarop het voormeld voordeel heeft geschat, vastgesteld op € 338.302,26. Het heeft ter ontneming daarvan aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 333.000,00.

2.2.2.

Hetgeen het Hof ten aanzien van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft overwogen en de bewijsmiddelen waarop het de schatting heeft doen steunen, is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 en 5.

2.2.3.

Samengevat houden die overweging en bewijsmiddelen het volgende in. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de verdachte veroordeeld ter zake van strafbare feiten gepleegd in de periode 1 mei 2009 tot en met 15 april 2011. Het Hof heeft enkel deze feiten beschouwd als de grondslag voor de vordering tot ontneming. Voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof gebruik gemaakt van het "rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e lid 2e Sr" in welk rapport de rapporteur de voordeelsberekening heeft gebaseerd op de eenvoudige kasopstelling en daarbij de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 heeft gekozen als onderzoeksperiode.

Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat heeft het Hof acht geslagen op onder meer de volgende uitgaven:

15-07-2008 aanschaf Mercedes SLK 230 Kompressor € 14.900,00;

03-10-2008 aanschaf KIA Sorento € 31.600,00;

02-12-2008 aanschaf Volvo XC60 € 19.500,00.

Voorts heeft het Hof in dat verband acht geslagen op bankstortingen in 2008 ten bedrage van in totaal € 61.000,00 alsmede bankstortingen gedaan in de periode 22 januari 2009 tot en met 28 april 2009.

2.3.

Het Hof is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een berekeningswijze die pleegt te worden aangeduid als eenvoudige kasopstelling. Deze berekeningswijze komt niet alleen in aanmerking bij toepassing van het derde lid van art. 36e Sr, maar kan ook worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr. (Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151.)

2.4.

In aanmerking genomen dat het Hof - dat kennelijk heeft beoogd enkel voordeel te ontnemen dat is verkregen door middel van of uit de baten van de in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten - tot uitgangspunt heeft genomen de periode van 1 mei 2009 tot en met 15 april 2011 waarin die feiten zijn begaan, is de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, voor zover het Hof daarbij de bankstortingen en uitgaven verricht vóór 1 mei 2009 heeft betrokken, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

2.5.

Het middel slaagt in zoverre.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2018.