Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:541

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
16/02932
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:24
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:1143, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Veroordeling gemeenteraadslid A t.z.v. belediging gemeenteraadslid B door aansluitend aan debat in gemeenteraad op Twitteraccount en Facebookpagina B “racist” te noemen, art. 266 Sr en 10 EVRM. Uitlatingen politicus onnodig grievend? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3583 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting, de vraag of een uitlating strafbaar is wegens belediging ex art. 266 Sr en de situatie waarin het gaat om een uitlating door een politicus i.h.k.v. het publieke debat. Hof heeft tlgd. uitlatingen, meer i.h.b. v.zv. daarin gemeenteraadslid B “racist” wordt genoemd, naar hun bewoordingen z.m. als beledigend van aard aangemerkt. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat die uitlatingen in het openbaar en in het maatschappelijke debat zijn gedaan en dat uitlatingen onnodig grievend zijn, nu verdachte in zijn uitingen veel verder is gegaan dan geboden was door aard en strekking van zijn kritiek en dat die uitlatingen als beledigend in de zin van art. 266.1 Sr kunnen worden aangemerkt. 's Hofs oordeel dat de door verdachte gebezigde uitlatingen onnodig grievend zijn, is zonder nadere motivering die ontbreekt niet begrijpelijk in het licht van hetgeen is vooropgesteld en in aanmerking genomen enerzijds het politieke debat dat de aanleiding vormde voor de uitlatingen van verdachte en anderzijds het belang van een politicus in het publieke debat zaken aan de orde te stellen, ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0151
NJB 2018/840
RvdW 2018/496
NJ 2018/282 met annotatie van prof. mr. E.J. Dommering
NBSTRAF 2018/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 april 2018

Strafkamer

nr. S 16/02932

AJ/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 mei 2016, nummer 22/004426-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.L. Donders, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof het beroep van de verdachte op het onder meer in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 10 juni en 11 juni 2014 te Zoetermeer opzettelijk een persoon genaamd [A], in het openbaar schriftelijk en mondeling (middels een zogenoemde tweet op zijn, verdachtes, openbare twitteraccount en middels een bericht op zijn, verdachtes, Facebookpagina) heeft beledigd, door berichten te plaatsen op zijn, verdachtes, openbare twitteraccount en Facebookpagina met de woorden: "In het kader van problemen benoem ik dus het probleem, discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [A]", en "de racist @[A]" en "de racist [A]"."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Op grond van het dossier is het volgende komen vast te staan.

Op 10 juni 2014 heeft een raadsvergadering van de gemeente Zoetermeer plaatsgevonden, waarbij moest worden besloten over het al dan niet stichten van een bijzondere Islamitische basisschool in Zoetermeer. Het College stelde voor om niet akkoord te gaan met het voornemen deze school te stichten. Dit voorstel werd gesteund door [A]. [A] heeft tijdens het debat het woord gevoerd en heeft hierbij verklaard dat zijn fractie vindt dat dit soort scholen niet bijdragen aan de integratie van burgers in de Nederlandse samenleving, het alleen maar anti-integratie is en dat zijn fractie daarop tegen is en derhalve voor het voorstel van het College zal stemmen.

Op de vraag van de verdachte, of [A] doelde op scholen op religieuze grondslag in het algemeen of op scholen op Islamitische grondslag in het bijzonder, heeft [A] geantwoord dat hij doelde op het laatste. Verdachte heeft toen gezegd dat [A] discriminatoir bezig was. Verdachte heeft vervolgens, tijdens de raadsvergadering (om 00.05 uur) de woorden "de racist @[A]" en "de racist [A]" op Twitter geplaatst. Kort hierna heeft de verdachte de woorden "Dus in het kader van problemen benoemen benoemde ik het probleem: discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [A]" op zijn Facebook account geplaatst. Verdachte heeft aldus, naar eigen zeggen, zijn politieke frustratie op dat moment geuit. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij van mening was dat [A] door zijn uitlatingen tijdens het debat discrimineerde, waarbij een persoon die discrimineert door verdachte wordt omschreven als een racist. [A] voelt zich beledigd door juist deze term "racist".

Het hof is van oordeel dat de verdachte de beledigende uitlating in het openbaar heeft gedaan. Een ieder die aangesloten is op deze sociale netwerken heeft kennis kunnen nemen van de beledigende uitlating van de verdachte jegens [A]. De verdachte heeft verklaard dat zijn Twitter-account 418 volgers had en dat de belediging dus niet op grote schaal verspreid is. Dat betekent echter niet dat de groep personen die de tweet heeft kunnen zien beperkt is tot deze 418 volgers. Verdachte heeft namelijk, zoals hij zelf ook erkent, een openbaar Twitter-account. Hoewel het Facebook-account van verdachte niet openbaar is, hebben toch in ieder geval meer dan 700 personen die tot verdachtes Facebook vrienden behoren kennis kunnen nemen van de beledigende uitlating. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte de opzet heeft gehad om [A] te beledigen, deze belediging wijd te verspreiden en een grote groep mensen met deze belediging te bereiken.

Het hof is voorts van oordeel dat de uitlatingen van de verdachte niet in het politiek debat zijn gedaan, maar zijn geschreven buiten het kader van de raadsvergadering en ook anderszins buiten een politieke context. Wel zijn de uitlatingen in het maatschappelijk debat gedaan. De waardigheid van de persoon [A] wordt aangetast, met name door het gebruik van het woord "racist". Dat woord heeft immers, mede door de massale volkerenmoord op Joden, Roma en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog een bijzonder negatieve lading. Deze aantasting wordt versterkt door het feit dat een ieder die gebruik maakt van sociale media kennis heeft kunnen nemen van de beledigende uitlating van de verdachte. De tweet van verdachte is niet sarcastisch of ironisch bedoeld. Het gaat om een uiterst serieuze uitlating, gericht tegen de persoon [A].

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond als bepaald in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en dat verdachte beschermd wordt door artikel 10 van het EVRM, waarin de vrijheid van meningsuiting wordt beschermd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 10 lid 2 EVRM bevat de voorwaarden waaraan een beperking van de vrijheid van meningsuiting moet voldoen. Beoordeeld dient te worden of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting bij wet is voorzien, of de inbreuk een legitiem doel dient en of de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dit laatste criterium omvat de vragen of sprake is van een pressing social need of de inbreuk in verhouding staat tot het nagestreefde doel en of de door de nationale autoriteiten gegeven motivering relevant en voldoende is. Het EHRM gunt de nationale autoriteiten een bepaalde beoordelingsruimte (margin of appreciation) bij de bepaling of er een pressing social need bestaat. Bij de beoordeling van de noodzaak om deze uitingsvrijheid te beperken, weegt het EHRM alle omstandigheden van het geval mee.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak aan alle drie de voorwaarden voor een beperking van de vrijheid van meningsuiting is voldaan. In de eerste plaats is de beperking bij wet voorzien in artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien is de beperking in het belang van de bescherming van de goede naam en rechten van anderen, namelijk in deze zaak het belang dat [A] niet in een ongunstig daglicht gesteld wordt en niet geschaad wordt in zijn eer en goede naam. Ten slotte is de beperking van de uitingsvrijheid noodzakelijk in een democratische samenleving.

Het bepaalde in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, namelijk dat niet als een eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit biedt in casu geen bescherming aan verdachte, nu verdachte in zijn uitingen veel verder is gegaan dan geboden was door de aard en strekking van zijn kritiek. Het gebruik van het woord "racist" gaat veel verder dan nodig was voor de kritiek van de verdachte en is ook geenszins van toepassing op het standpunt dat aangever heeft ingenomen tijdens de raadsvergadering. De uitlating "racist" is dan ook onnodig grievend jegens de aangever.

De uitlating van de verdachte is, gelet op het voorgaande, zonder meer beledigend van aard. Verdachte heeft zijn uitlatingen gedaan via een medium waarmee een zeer groot publiek kan worden bereikt. Vandaag de dag is het moeilijk om personen te vinden die niet aangesloten zijn bij sociale media zoals Facebook en/of Twitter. Nu de verdachte als politiek vertegenwoordiger van [B] in Zoetermeer een groot aantal volgers heeft en bovendien geen besloten account heeft, is de beledigende uitlating op grote schaal verspreid. Hoe groter de impact van een uitlating, hoe prangender het is om hier strafrechtelijk tegen op te treden omdat de schade die wordt aangericht omvangrijker is."

2.3.1.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 266 Sr. De in de tenlastelegging voorkomende term "beledigd" is klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 266 Sr.

2.3.2.

Art. 266 Sr luidt:

"1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit."

2.4.

Het, onder meer in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting, dat voor een deel ook in art. 266, tweede lid, Sr tot uitdrukking is gebracht, staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten - te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.

Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging in de zin van voormelde wettelijke bepaling, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.

Bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, dient, indien het gaat om een uitlating door een politicus in het kader van het publiek debat - het politieke debat daaronder begrepen - onder ogen te worden gezien enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Daarbij gaat het niet uitsluitend om uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie maar ook om uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid. (Vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108.)

2.5.

Het oordeel van het Hof kan als volgt worden samengevat.

Het Hof heeft de tenlastegelegde uitlatingen, meer in het bijzonder voor zover daarin [A] 'racist' wordt genoemd, zonder meer als beledigend van aard aangemerkt. Het heeft vervolgens geoordeeld dat die uitlatingen in het openbaar en in het maatschappelijk debat zijn gedaan. Het Hof heeft voorts als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de door de verdachte gebezigde uitlatingen onnodig grievend zijn, nu de verdachte in zijn uitingen veel verder is gegaan dan geboden was door de aard en strekking van zijn kritiek en dat daarom die uitlatingen als beledigend in de zin van art. 266, eerste lid, Sr kunnen worden aangemerkt.

2.6.

De hiervoor onder 2.4 bedoelde context van de bewezenverklaarde uitlatingen is dat deze door de verdachte – gemeenteraadslid – zijn gedaan aansluitend aan een in de gemeenteraad gevoerd debat waarin hij [A] discriminatoir optreden verweet. ꞌs Hofs oordeel dat de door de verdachte gebezigde uitlatingen onnodig grievend zijn, is, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk in het licht van hetgeen onder 2.4 is vooropgesteld en in aanmerking genomen enerzijds het politieke debat dat de aanleiding vormde voor de uitlatingen van de verdachte en anderzijds het hiervoor bedoelde belang van een politicus in het publieke debat zaken aan de orde te stellen, ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen.

2.7.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van de Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2018.