Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:509

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
16/06022
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:80, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:2455, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht, arbeidsrecht. Vervolg op HR 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0774 en HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1542. Herroeping eerdere uitspraak (art. 382 Rv). Bedrog al in voorafgaande procedure ontdekt; termijn voor instellen herroepingsvordering. Samenhang met 16/06019.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/110
RAR 2018/99
RvdW 2018/452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 april 2018

Eerste Kamer

16/06022

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

THE ROYAL BANK OF SCOTLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. F.M. Dekker.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en RBS.

1 Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 33237/04 van de kantonrechter te Amsterdam van 2 juni 2006, 9 maart 2007 en 7 september 2007;

b. het arrest in de zaak 200.001.993 van het gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2010;

c. het arrest in de zaak 10/05432 van de Hoge Raad van 13 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV0774);

d. het arrest in de zaak 200.106.378/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2013;

e. het arrest in de zaak 13/04553 van de Hoge Raad van 27 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1542);

f. de arresten in de zaak 200.181.020/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 maart 2016 en 6 september 2016, verbeterd bij beslissing artikel 31 Rv van 15 november 2016.

Het arrest van het hof Den Haag van 6 september 2016 is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof Den Haag van 6 september 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

RBS heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 9 februari 2018 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RBS begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 6 april 2018.