Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:496

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/05552
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:123
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:4845, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Doodslag door slachtoffer met mes te steken in halletje van café. Noodweer, gedraging gericht op confrontatie, proportionaliteitseis of subsidiariteitseis? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. o.m. onttrekkingsvereiste. Het Hof heeft naar de kern genomen geoordeeld dat het beroep op noodweer faalt omdat verdachte, toen hij in het halletje van het café stond, de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat café in te gaan en op die manier op afstand van het slachtoffer te blijven, dat hij derhalve zich aan de aanval had kunnen en moeten onttrekken en dat - nu hij dat niet heeft gedaan - zijn intentie op dat moment gericht was op een confrontatie en niet op het ontlopen van een confrontatie. In het licht van hetgeen verdachte ttz. in h.b. heeft verklaard, welke verklaring m.b.t. de feitelijke toedracht door het Hof aannemelijk is geacht, is dit oordeel niet z.m. begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0148
RvdW 2018/499
NJ 2018/200
TPWS 2018/71
NBSTRAF 2018/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 april 2018

Strafkamer

nr. S 16/05552

DOo/MM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 november 2016, nummer 20/002616-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 1 maart 2014 te Middelburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] met een mes gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2.2.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer(exces) met daarbij het verzoek om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte werd aangevallen en dat hij zich daartegen heeft verdedigd. In eerste instantie is verdachte weggerend van het groepje jongens dat hem had aangevallen. Na enkele meters heeft verdachte omgekeken en zag hij dat hij werd achtervolgd. Verdachte wilde vervolgens eetcafé De Koning in vluchten. Verdachte had er zelfs over nagedacht of er in dat café een achteruitgang zou zitten zodat hij aan de situatie kon ontsnappen. Toen verdachte in het halletje van eetcafé De Koning was, draaide hij zich om en zag hij het slachtoffer recht voor zijn neus staan. Verdachte durfde onder die omstandigheden niet zijn rug richting het slachtoffer te keren, omdat dit hem extra kwetsbaar zou maken. Dat kan ook niet zonder meer van hem gevergd worden (vergelijk ECLI:GHDHA:2014:3435). In een reflex, om zich te verdedigen, heeft verdachte het mes gepakt en het voor zich gehouden, zwaaiend om een aanval tegen te gaan.

(...)

Het hof gaat uit van de verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, onder meer inhoudende:

Op 1 maart 2014 heb ik in Middelburg een jongen, van wie ik nu weet dat hij [slachtoffer] heet, met een mes gestoken. [slachtoffer] is aan die verwoning overleden.

Ik had het mes onderweg al gepakt. Ik heb al rennend het mes uit het plastic zakje gehaald. Ik heb het daarna niet terug in mijn zak gestoken. Ik hield het klaar voor als het helemaal verkeerd zou gaan, dat ik hem van mij af zou kunnen steken.

Toen ik in het halletje van café De Koning was, twijfelde ik en draaide ik mij om. Ik zag [slachtoffer] ineens vlak voor mij staan, ik toonde mijn mes en dreigde hem. Hij sloeg mij en ik stak. Beter kan ik het niet uitleggen. Toen ik mij omdraaide zag ik hem vlak voor mij, ik zei opzouten en ik stak. Dat gebeurde in fracties van secondes.

Ik had door moeten lopen, ik erken dat dat zo is. Ik maakte de verkeerde keuze.

Ter terechtzitting heeft verdachte tevens kenbaar gemaakt dat hij niet enkel zwaaiende bewegingen met het mes heeft gemaakt, maar ook een opwaartse stekende beweging in de richting van het slachtoffer.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Aan de hand van de eigen verklaring van verdachte stelt het hof vast dat verdachte, toen hij in het halletje stond, de mogelijkheid onbenut heeft gelaten het café in te gaan en op die manier op afstand van het slachtoffer te blijven. Gezien de omstandigheden had dit wel van verdachte kunnen en moeten worden verwacht. Hieruit leidt het hof af dat verdachtes intentie op dat moment was gericht op het aangaan van een confrontatie met het slachtoffer en niet op het ontlopen van die confrontatie. Verdachte had daarbij het mes, dat hij al rennend uit een plastic zakje had gehaald, in zijn hand, naar eigen zeggen "klaar voor als het helemaal verkeerd zou gaan, dat ik hem van mij af zou kunnen steken".

Onder deze omstandigheden kan niet worden gesproken van een noodweersituatie, waarbij verdachte zich tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding zou mogen verdedigen.

Het verweer dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld wordt dan ook verworpen."

2.2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 oktober 2016 houdt als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in:

"Op 1 maart 2014 heb ik in Middelburg een jongen, van wie ik nu weet dat hij [slachtoffer] heet, met een mes gestoken. [slachtoffer] is aan die verwonding overleden.

Ik was [slachtoffer] en de twee anderen jongens al nabij de Koningsbrug tegenkomen en er is gedoe ontstaan tussen [slachtoffer] en mij.

(...)

Ik ben [slachtoffer] tegengekomen bij de Koningsbrug. Ik werd door hem geslagen en ben meteen op de loop gegaan. Een stukje vóór café De Koning sloeg hij mij nogmaals. Dat was op de helft van de route van de brug naar het café. Ik vluchtte de hal van het café in. Het halletje is 1 vierkante meter, ik stond in het midden daarvan. Dan kan er bijna niemand meer bij. Ik had de fout gemaakt om het mes mee te nemen. Toen ik mij in het halletje omdraaide, zag ik hem. Hij stond vlak voor mij. De buitendeur was open.

(...)

Het mes zat in mijn jaszak, ingepakt in een plastic zakje. Ik had het mes onderweg al gepakt en op straat al uitgepakt. Ik dacht dit gaat helemaal mis. Ik dacht nu steken is ook niet zo slim. Ik pakte het mes toen ik de Koningsbrug overliep. Ik pakte het mes uit, heb het plastic zakje op de grond gegooid en ben keihard doorgelopen. Ik weet niet meer of dat dit was vóórdat ik de tweede keer, zeg maar halverwege de route van de brug naar het café, werd geslagen. Ik weet ook niet of dit voor, na of tijdens het voorval bij de Koningsbrug was. Ik weet wel dat ik wegrende, bang was, bezig was met het uitpakken en met rennen, rennen, rennen. Het mes liet ik in mijn hand; ik had mijn gebogen rechterarm achter de andere arm, waarschijnlijk met het lemmet omhoog. Ik draaide mij om, om te kijken of [slachtoffer] er aan kwam en toen stond hij vlak voor mijn neus. Ik zeg: "Opzouten", en toonde hem mijn mes. Hij stompte en ik begon hem te steken. Ik deed verschillende bewegingen in horizontale en verticale richtingen met dat mes in mijn rechterhand. Hij liep achteruit en ik ook. Zodra ik de kans kreeg om weg te gaan, maakte ik daarvan gebruik. Ik ben het café in gelopen. De bedoeling van die bewegingen met het mes was hem te laten stoppen. Ik zag dat ik zijn arm en schouder raakte. Hij was behoorlijk groter en ook breder dan ik.

Ik heb hem zo hoog geraakt, omdat de bewegingen van onder naar boven gingen. Het mes kwam in zijn jas en ik dacht een stuk erin, maar gelet op het onderzoek heb ik hem toen kennelijk in de borst geraakt. Toen hij achteruit liep, stopte ik onmiddellijk en ging het café in. Ik heb het mes uitsluitend gebruikt om [slachtoffer] te doen stoppen.

(...)

Het is gegaan zoals ik eerder zei. Dat ik werd belaagd, het halletje in ben gelopen en daar de bewegingen heb gemaakt.

(...)

Dan zeg ik achteraf dat hij op de drempel stond. Ik stond midden in die vierkante meter en hij stond vlak voor mij toen hij mij stompte. Een stap achter mij was een deur. Ik weet dat die deur open kon, maar hij stond te dicht bij mij. Het was een zeer grote man. Ik ben 1.78 en hij was aanzienlijk breder dan ik. Ik was ontzettend bang. Ik durfde me niet om te draaien toen hij vlak voor mij stond. Als iemand vlak voor je neus staat, als hij aan het stompen is, hoe moet ik daarvan wegvluchten? (...) Ik was zeer, zeer angstig moet u begrijpen.

Toen ik in het café kwam en voor de deur stond, dacht ik dat ik de problemen niet mee het café in moest nemen. Ik wilde eerst zien of hij nog steeds achter mij stond.

Zo ja, dan zou ik alsnog het café in gaan. Dat waren mijn afwegingen. Achteraf domme afwegingen. Ik had beter door kunnen rennen het café in. Ik ben een twijfelaar. Ik kan soms kleine dingen niet van grote dingen onderscheiden. Ik had door moeten lopen. Ik heb niet de bedoeling gehad om hem op te wachten en te steken. Toen ik wegrende keek ik om, hij ging weer rennen en haalde mij in. In het café ging ik weer kijken of hij was gestopt en toen stond hij voor mijn neus. Als hij daar niet was verschenen, dan was ik rustig het café in gegaan en had ik gewacht tot de gemoederen waren bedaard. Ik wilde niet binnen komen stormen.

(...)

Ik twijfelde om het café meteen binnen te gaan. Dat was een grote fout. Ik had door moeten lopen. In plaats daarvan keek ik om, of hij achter mij stond. Helaas stond hij daar. Ik zweer dat, zodra hij stopte en achteruit liep, ik ook stopte en het café in ging. Ik wilde niet meer dan dat het stopte.

(...)

De deur van het halletje was dicht. Ik moest die deur open doen. Ik zweer dat ik niet weet hoe die deur opendraaide. Normaal gaat zo'n deur naar binnen toe open. Als het zo was, dan had ik inderdaad snel achteruit lopend [slachtoffer] kunnen vermijden, maar dat kwam niet in mij op als mogelijke optie op dat moment. Je maakt in je angst geen rationele afwegingen, je moet snel een besluit nemen. Ik zou ook graag willen dat het anders was. Ik voelde mij klem gezet door hem. Of dat helemaal rationeel was kan ik niet met volle zekerheid zeggen, maar u kunt gelijk hebben over de naar buiten draaiende voordeur. Het is waar dat ik, toen ik het halletje binnen kwam, ook onmiddellijk de deur achter mij dicht had kunnen doen. Dat is een heel goed idee van u. Als ik u eerder had ontmoet, had ik dat gedaan. Ik weet niet of daar tijd voor was. Ik heb het niet overwogen. De buitendeur ging naar buiten toe open, die moest ik dus opentrekken. De tweede deur weet ik niet meer.

Blijkbaar liep [slachtoffer] heel dicht achter mij. Toen ik in het halletje van café De Koning was, twijfelde ik en draaide ik mij om. Ik zag [slachtoffer] ineens vlak voor mij staan, ik toonde mijn mes en dreigde hem. Hij sloeg mij en ik stak. Beter kan ik het niet uitleggen.

Als ik op het moment dat ik in de hal was er meteen aan gedacht zou hebben om de deur dicht te trekken, dan was daar misschien wel tijd genoeg voor geweest. Maar ik twijfelde en draaide om en toen was het al gebeurd.

(...)

Ik heb dat mes twee keer tevoorschijn gehaald. Ik zag hem toen hij vlak voor mij stond. Ik rende het café binnen en toen aarzelde ik. Dat duurde een paar seconden. Ik vind dat dom van mezelf. Toen ik mij omdraaide zag ik hem vlak voor mij, ik zei opzouten en ik stak. Dat gebeurde in fracties van secondes. U merkt op dat ik nu niet zeg dat hij mij stompte. Nee, dat klopt. Dat sloeg ik over. Het is moeilijk, oké. Op het moment dat hij voor mij stond, begon hij gelijk te stompen. Dat moet erbij. Sorry. Ik ben echt niet aan het liegen. Het is moeilijk om alles te zeggen. In dat halletje was ik bang dat [slachtoffer] mij in elkaar zou stompen. (...) [slachtoffer] had mij wel al eerder bedreigd. Daar ben ik voor naar de politie geweest, maar dat was zinloos, want ik zou het volgens hen zelf opzoeken. Ik had dat mes voor als het fout zou gaan.

(...)

Ik heb al rennend het mes uit het plastic zakje gehaald. Ik heb het daarna niet terug in mijn zak gestoken. Ik heb mijn jas eroverheen gedaan en het mes in de hand gehouden. Ik hield het klaar voor als het helemaal verkeerd zou gaan, dat ik hem van mij af zou kunnen steken.

(...)

Ze waren met een paar jongeren, 2, 3 of 4. Ik was bang dat zij mij zouden omringen. Ik was ook smaller. Ze zouden proberen mij vast te pakken en te overmeesteren. Op het moment dat het gebeurde, was ik niet zoveel aan het nadenken. Ik was meer op mijn hoede. Ik dacht, ik ga zo hard wegrennen en mijn heil zoeken in het café. Meer was er niet in mijn hoofd. U geeft allemaal goede ideeën om af te wegen, maar zo is het niet gegaan.

[slachtoffer] was diegene die sloeg, de anderen renden lachend mee. Zij vonden het blijkbaar erg leuk allemaal. Het was niet zo dat ik bang was voor die andere jongens. Ik was gewoon heel bang naar aanleiding van het slaan van [slachtoffer] . Hij heeft mij meerdere keren geprobeerd te slaan. Hij was voor mij de persoon die mij wilde slaan. De anderen zouden hem misschien hebben kunnen assisteren. Het is moeilijk te zeggen of ik bang was voor [slachtoffer] of voor alle drie. Ik was bang.

Het is niet zo dat ik mij in de hal omdraaide, omdat ik een mes in handen had en met dat mes niet het café in wilde gaan. Ik hield het mes verborgen. Daar maakte ik mij geen zorgen om. Toen ik mij omdraaide zag ik hem vlak voor mij, ik zei "opzouten" en ik stak. Dat ging in fracties van secondes.

Op een vraag van mijn raadsman zeg ik dat ik niet weet hoe de deur vanuit de hal naar het café, de binnendeur, open ging. Het kan zijn dat die naar binnen open draaide. Dan had ik simpel achteruit kunnen lopen en was het probleem opgelost geweest.

Ik heb niet gekeken waar precies [slachtoffer] in het halletje stond met zijn voeten. Het halletje is maar 1 vierkante meter. Ik stond in het midden en hij stond vlak voor mij. Dat zijn de feiten.

(...)

Ik rende weg en keek af en toe achterom. [slachtoffer] is af en toe even gestopt met rennen. Als ik het geweten had, dan had ik weg kunnen rennen. Dan was het heel anders geweest. Ik rende niet zomaar weg. Ik rende weg omdat hij achter mij aan zat en mij bedreigde. Dat kunnen we niet overslaan. Wat het dichttrekken van de deur betreft, schatte ik hem veel te sterk in. Maar voorop staat, ik had door moeten lopen. Ik erken dat dat zo is. Ik maakte een verkeerde keuze. (...) Ik had door kunnen lopen, punt uit."

2.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 omtrent de in art. 41 Sr omschreven strafuitsluitingsgrond noodweer onder meer het volgende overwogen:

"3.1.2. (...) Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.

Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.

(...)

3.3.

Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als 'verdediging', maar — naar de kern bezien — als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

(...)

3.5.1.

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is 'geboden door de noodzakelijke verdediging' worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.

Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.

3.5.2.

Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.

Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.

Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.

Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. (...)

3.5.3.

De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij — als verdedigingsmiddel — niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband — tot terughoudendheid nopende — maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist."

2.4.1.

Het Hof is blijkens zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overweging bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op noodweer uitgegaan van hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aan het beroep op noodweer als feitelijke toedracht ten grondslag is gelegd. De ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte houdt onder meer in dat hij op de Koningsbrug door [slachtoffer] is geslagen, dat hij daarna op de loop is gegaan waarna hij nogmaals door [slachtoffer] is geslagen, dat hij een mes uit zijn jaszak heeft gehaald "voor als het helemaal verkeerd zou gaan", dat hij bang was en dacht dat het helemaal mis zou gaan, dat hij vervolgens naar de hal van café De Koning is gevlucht, dat toen hij in die hal stond en zich omdraaide [slachtoffer] vlak voor hem stond, dat hij het eerder uit zijn jaszak gehaalde mes aan [slachtoffer] toonde en aangaf dat [slachtoffer] moest opzouten, dat [slachtoffer] hem toen stompte, dat hij [slachtoffer] met het mes meermalen stak en dat hij het mes uitsluitend heeft gebruikt om [slachtoffer] te doen stoppen. Voorts houdt deze verklaring in dat de hal van het café één vierkante meter groot is, dat de verdachte zich niet durfde om te draaien toen [slachtoffer] voor hem stond, dat de verdachte niet weet hoe de deur naar het café opendraait, dat [slachtoffer] een zeer grote en ook brede man is, en dat de verdachte zich klemgezet voelde toen [slachtoffer] voor hem stond.

2.4.2.

Het Hof heeft naar de kern genomen geoordeeld dat het beroep op noodweer faalt omdat de verdachte, toen hij in het halletje van het café stond, de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat café in te gaan en op die manier op afstand van het slachtoffer te blijven, dat hij derhalve zich aan de aanval had kunnen en moeten onttrekken en dat – nu hij dat niet heeft gedaan – zijn intentie op dat moment gericht was op een confrontatie en niet op het ontlopen van een confrontatie. In het licht van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, welke verklaring met betrekking tot de feitelijke toedracht door het Hof aannemelijk is geacht, en gelet op hetgeen onder 2.3 is vooropgesteld, is dit oordeel echter niet zonder meer begrijpelijk. Het Hof heeft het beroep op noodweer derhalve op ontoereikende gronden verworpen.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018.