Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:493

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/05927
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:125
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging (met enig lichamelijk letsel ten gevolge). 1. Grondslagverlating door onjuiste kwalificatie? 2. Bijzondere voorwaarde ex art. 14c.2.1 Sr, schadevergoeding betalen aan A. Oplegging betaling schadevergoeding mogelijk als b.p. n-o is verklaard in vordering op de grond dat causaal verband niet eenvoudig is vast te stellen?

Ad 1. HR leest kwalificatie verbeterd in rov. 1.

Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat A schade heeft geleden en dat deze schade is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat verdachte net als zijn medeverdachte de helft van die schade dient te vergoeden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie. CAG: anders m.b.t. betaling schadevergoeding.

Samenhang met 16/05834.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0163
RvdW 2018/510
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 april 2018

Strafkamer

nr. S 16/05927

EC/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 juni 2016, nummer 22/004204-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Den Haag - de verdachte ter zake van (de Hoge Raad leest:) "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte een schadevergoeding zal betalen aan respectievelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij [betrokkene 1] niet‑ontvankelijk verklaard in de vordering.

2 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

3 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel richt zich tegen de door het Hof gestelde bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 14c, tweede lid aanhef en onder 1°, Sr.

4.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 30 augustus 2013 te Gouda met een ander, op of aan de openbare weg, de Oosthoef, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], welk geweld bestond uit het vastpakken en het op de grond gooien en het stompen/slaan in het gezicht en het schoppen tegen het hoofd van die [betrokkene 2] en (vervolgens) het vastpakken en het achterover trekken van die [betrokkene 1] en het los/kapot trekken van een ketting bij die [betrokkene 1]."

4.3.

De bestreden uitspraak houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

"Strafmotivering

(...)

Het hof zal, om de verdachte er van te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te begaan, een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen. Daaraan zal tevens de voorwaarde worden verbonden dat de verdachte (net als zijn medeverdachte) aan de slachtoffers de helft van de door hen kennelijk geleden schade zal vergoeden, een en ander zoals in het dictum vermeld.

Het hof ziet aanleiding om aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf de bijzondere voorwaarden te verbinden dat de verdachte de door de slachtoffers aannemelijk gemaakte materiële schade zal vergoeden, een en ander zoals in het dictum nader aangegeven.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 165,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Naar het oordeel van het hof is weliswaar voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte (de Hoge Raad begrijpt: de benadeelde partij) schade heeft geleden maar is niet op eenvoudige wijze vast te stellen of die schade een rechtstreeks gevolg is geweest van het strafbare feit. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

(...)

Beslissing

Het hof:

(...)

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte (...) de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte uiterlijk binnen zes maanden nadat het arrest onherroepelijk is geworden als schadevergoeding een bedrag van € 82,50 zal overmaken op een door de advocaat-generaal nader bekend te maken bankrekening van de benadeelde partij [betrokkene 1] (...).

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte uiterlijk binnen zes maanden nadat het arrest onherroepelijk is geworden als schadevergoeding een bedrag van € 43,- zal overmaken op een door de advocaat-generaal nader bekend te maken bankrekening van de benadeelde partij [betrokkene 2] (...)."

4.4.

Art. 14c, tweede lid aanhef en onder 1°, Sr luidt:

"Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:

1° gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade."

4.5.

Voor zover het middel klaagt dat 's Hofs oordeel dat het slachtoffer [betrokkene 2] kennelijk materiële schade heeft geleden, in het licht van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij onjuist is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, mist het feitelijke grondslag. [betrokkene 2] is blijkens de aantekening mondeling vonnis van de politierechter van 7 april 2015 immers als benadeelde partij niet‑ontvankelijk verklaard in zijn vordering en heeft zich kennelijk in hoger beroep niet opnieuw gevoegd als benadeelde partij in het strafgeding. Het Hof heeft zich in de bestreden uitspraak niet uitgelaten over de vordering van [betrokkene 2] als benadeelde partij. Het middel kan in zoverre daarom niet tot cassatie leiden.

4.6.

Voor zover het middel klaagt over de bijzondere voorwaarde dat de verdachte als schadevergoeding een bedrag van € 82,50 moet betalen ten behoeve van [betrokkene 1], geldt het volgende. Het Hof heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] schade heeft geleden en dat deze schade is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte (net als zijn medeverdachte) de helft van die schade dient te vergoeden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie.

4.7.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018.