Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:487

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/03175
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen woninginbraak. 1. Rechtmatigheid van de verschillende aangewende bevoegdheden en de grondslag daarvan. Controle- en opsporingsbevoegdheden, APV, Awb en Sv. Vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv? 2. Medeplegen, toepassing bewijsregel t.a.v. aantreffen buit kort na diefstal.

Casus: door opsporingsambtenaren belast met algemene surveillance en controle in- en uitgaand verkeer i.v.m. woninginbraken in Zwijndrecht is ‘s avonds een stopteken gegeven aan een auto met vier inzittenden. Uit persoonscontroles blijkt dat inzittenden in verband kunnen worden gebracht met verdachte situaties en diefstallen, waaronder woninginbraken. Zonder toestemming bestuurder is de auto gecontroleerd op aanwezigheid van inbrekerswerktuigen. Na opzij leggen van een tas wordt in die tas een grote schroevendraaier waargenomen. Verdachte wordt aangehouden op verdenking van overtreding van APV (op een openbare plaats inbrekerswerktuigen bij zich hebben). Daarna is de auto o.g.v. art. 96b Sv (doorzoeken vervoermiddel) doorzocht en wordt buit aangetroffen. In ’s Hofs vaststellingen ligt besloten dat de aan deze doorzoeking voorafgegane controle heeft plaatsgevonden i.v.m. eerdere woninginbraken en derhalve onderzoek betrof i.v.m. strafbare feiten.

Ad 1. ’s Hofs oordeel dat de opsporingsambtenaren als toezichthouder ex art. 5:11 jo. art. 5:15 en/of 5:19 Awb jo. art. 2:44.1 APV bevoegd waren het voertuig en de lading te onderzoeken getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat ex art. 1:6.a Awb de hoofdstukken 2-8 en 10 van de Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De bevoegdheidsuitoefening door een toezichthouder kan niet worden gebaseerd op de bepalingen van de Awb indien die bevoegdheidsuitoefening uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing ex art. 132a Sv. Slagen van middel leidt niet tot cassatie, omdat verweer slechts inhoudt dat sprake is van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv en dat dit tot bewijsuitsluiting moet leiden maar niets is aangevoerd over belang geschonden voorschrift, ernst verzuim en nadeel. Hof had reeds op die grond niet anders kunnen doen dan verweer verwerpen.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:1315, ECLI:NL:HR:2016:1323 m.b.t. de rol van de procesopstelling van verdachte bij medeplegen en uit ECLI:NL:HR:2017:3022 m.b.t. geval waarin niet is vastgesteld dat diefstal door medeplegers is begaan maar verdachte kort na diefstal met ander(en) wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij diefstal duiden. ’s Hofs oordeel dat, mede in aanmerking genomen dat een aannemelijke, andersluidende verklaring van verdachte is uitgebleven alsook gelet op het zenuwachtige gedrag van verdachte en zijn mededaders na het geven van het stopteken en de omstandigheid dat verdachte en zijn mededaders klaarblijkelijk samen vanuit hun woonplaats Den Haag naar Zwijndrecht zijn gereden en Zwijndrecht later weer met de buit van de inbraak wilden verlaten, verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van de inbraak, is toereikend gemotiveerd.

Samenhang met 16/03374, 16/03176 (niet gepubliceerd, geen middelen ingediend) en 16/03208 (niet gepubliceerd, geen middelen ingediend).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0149
NJB 2018/837
RvdW 2018/491
NJ 2018/296 met annotatie van Redactie
NBSTRAF 2018/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 april 2018

Strafkamer

nr. S 16/03175

APO/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 juni 2016, nummer 22/002901-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.A. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissing op gevoerd verweer

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 28 februari 2014 te Zwijndrecht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [a-straat 1] heeft weggenomen diverse goederen (zoals laptops en een tablet en smartphones), toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2014 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1810-2014092198-2 (bijlage 1.AH.1). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren dan wel één of meer van hen:

Op 28 februari 2014 reden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], over de Stationsweg te Zwijndrecht. Omstreeks 21:53 uur zagen wij dat een Volkswagen, type Polo, kleur zwart, kenteken [AA-00-BB], vanaf de Karel Doormanlaan de Stationsweg opreed. Nadat de bestuurder aan het gegeven stopteken had voldaan, zagen wij dat er vier personen in het voertuig zaten. Deze personen bleken te zijn genaamd:

- [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

- [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

- [betrokkene 4], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats], en

- [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

alle vier wonende te 's-Gravenhage. Ik, [verbalisant 1], vroeg aan de bestuurder - [medeverdachte] - wat de reden van hun verblijf in Zwijndrecht was. Ik kreeg daar geen antwoord op. De inzittenden zijn op ons verzoek uitgestapt.

Ik, [verbalisant 1], vroeg aan [medeverdachte] of wij toestemming kregen om het voertuig op de aanwezigheid van inbrekerswerktuigen te onderzoeken. Daarop zagen wij dat de inzittenden zich nerveus gingen gedragen. Wij hoorden [medeverdachte] zeggen dat hij niet wilde dat er in zijn voertuig werd gekeken. Hij werd zichtbaar boos en begon luidkeels te roepen dat wij dit niet mochten.

Ik, [verbalisant 1], vertelde [medeverdachte] daarop dat wij het voertuig als toezichthouder op de naleving van de bepalingen bij of krachtens de APV van de gemeente Zwijndrecht op de aanwezigheid van inbrekerswerktuigen gingen onderzoeken. Wij zagen dat [medeverdachte] hierna erg zenuwachtig in de richting van zijn voertuig liep en dat de andere inzittenden erg zenuwachtig heen en weer gingen lopen.

Ik, [verbalisant 2], zag dat [betrokkene 4] zich plotseling omdraaide en wegrende.

Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], zijn ter plaatse gekomen om te assisteren. Ik, [verbalisant 4], heb het bijrijdersportier van de Volkswagen Polo geopend en zag dat er zichtbaar een zwarte schoudertas aan de bijrijdersstoel hing. Ik zag dat er een grote schroevendraaier met de punt uit de tas stak. Daarop is het voertuig doorzocht. Nadat ik de schoudertas had geopend, zag ik dat er in het grote vak van deze tas een oranjekleurige accutol/schroefboormachine zat. Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4], hebben vervolgens de kofferbak geopend en zagen dat daar een openstaande rugtas in lag, waaruit zichtbaar een laptop omhoog stak. Ook zagen wij dat er zichtbaar een tablet in de rugtas zat. Naast deze rugtas stond een gele boodschappentas van de Jumbo.

Ik, [verbalisant 1], heb vervolgens het voertuig in beslag genomen. Ik trof na doorzoeking van de kofferbak meerdere goederen aan, verdeeld over eerdergenoemde rugtas en Jumbo tas. Ook trof ik in eerdergenoemde zwarte schoudertas, waarin de grote schroevendraaier zat, nog een klein model schroevendraaier aan, alsmede een slotentrekker, een onderdeel van een slotentrekker, een steeksleutel, smeermiddel, 2 passe partout sleutels, een accutol/schroefboormachine, een baco en zwarte kunststof handschoenen.

2. Een proces-verbaal van bevindingen doorzoeking voertuig d.d. 2 maart 2014 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1810-2014092198-17 (bijlage 2.AH.2). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 28 februari 2014 hebben wij een onderzoek ingesteld in het in beslag genomen voertuig van het merk Volkswagen, type Polo, kleur zwart, kenteken [AA-00-BB]. Wij zagen in de kofferbak een gele winkeltas met het opschrift 'Jumbo' en een roze/blauw geblokte rugzak van het merk O'Neill liggen. Wij zagen dat in de gele winkeltas onder meer een spelcomputer van het merk Nintendo, type WII, zat. Voorts zagen wij dat de blauw/roze geblokte tas van het merk O'Neill onder meer de volgende inhoud bevatte:

- een laptop van het merk Asus, type EEE;

- een laptop van het merk Dell, type Latitude;

- een tablet van het merk Asus, type TF101;

- een smartphone van het merk HTC;

- een smartphone van het merk Blackberry, type Bold 9700;

- een smartphone van het merk Nokia, type Lumia 920.

3. Een proces-verbaal aangifte d.d. 1 maart 2014 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1810-2014092239-1 (bijlage 2.AAN.1). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 1 maart 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik doe aangifte van diefstal door middel van braak vanuit mijn woning aan de [a-straat 1] te Zwijndrecht. Ik woon daar samen met mijn partner [betrokkene 2].

Op 28 februari 2014, omstreeks 18:30 uur, verlieten wij onze woning. De poortdeur van de achtertuin, de achterdeur en de voordeur zaten op slot. Toen wij die dag omstreeks 23:00 uur terugkwamen, zagen wij dat het slot van de poortdeur was geforceerd.

Wij hebben nog niet het hele huis kunnen bekijken, maar weten dat onder andere een WII spelcomputer, twee laptops en een tablet zijn weggenomen.

Toen de politie er was, zagen wij dat het cilinderslot van de achterdeur ook kapot was.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven om dit feit te plegen.

4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2014 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1810-2014092760-14 (bijlage 2.AH.1). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 1 maart 2014 werden onder meer de volgende goederen getoond aan [betrokkene 2], welke goederen zij voor 100% herkende als goederen die op 28 februari 2014 uit haar woning aan de [a-straat 1] te Zwijndrecht zijn weggenomen:

- een computer (notebook), merk Asus, type EEE;

- een computer (spel), merk Nintendo, type WII;

- een smartphone, merk HTC;

- een gele Jumbotas;

- een smartphone, merk Blackberry, type Bold 9700;

- een smartphone, merk Nokia, type Lumia 920;

- een O'Neill rugtas;

- een computer (notebook), merk Dell, type Latitude;

- een computer (tablet), merk Asus, type TF101.

5. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 1 maart 2014 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1810-2014092198-9 (bijlage 2.AH.30). Deze kennisgeving houdt onder meer in:

Goednummer : PL1810-2014092198-4575257

Object : schroevendraaier

Bijzonderheden : aangetroffen in een zwart tasje op de bijrijdersstoel

Goednummer : PL1810-2014092198-4575260

Merk/type : Skandia

Inhoud : Baco

Bijzonderheden : aangetroffen in een zwart tasje op de bijrijdersstoel

6. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 maart 2014 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1820-2014092198-25 (bijlage 2.AH.35). Deze kennisgeving houdt onder meer in:

Goednummer : PL1820-2014092198-4578374

Aantal/eenheid : 4 stuks

Merk/type : Torx

Inhoud : 4x torxschroeven

Bijzonderheden : aangetroffen in zwart tasje

7. Een proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 2 april 2014 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1850-2014092239-6 (bijlage 2.AH.25). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren dan wel één van hen:

Naar aanleiding van een gekwalificeerde diefstal in/uit een woning, gepleegd op 28 februari 2014 tussen 18:30 en 23:00 uur, hebben wij een onderzoek verricht in en bij de woning aan de [a-straat 1] te Zwijndrecht.

Ik, verbalisant [verbalisant 5], zag bij een eerste onderzoek op 1 maart 2014 dat er braakschade was aan de poort die toegang tot de tuin verschaft. Ik zag voorts dat de buitencilinder van het slot van de achterdeur van de woning ontbrak. Het slotschild was nog aanwezig. De binnen- en buitencilinder waren door de aangever veiliggesteld. In de buitencilinder zat een schroef, vermoedelijk voor het gebruik van een slotentrekker.

Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], zagen bij een nader onderzoek op 6 maart 2014 dat op de buitencilinder van de tuinpoort sporen stonden, vermoedelijk afkomstig van een tang. Wij hebben deze sporen veiliggesteld middels de daarvoor aangewezen methode onder spoornummer PL1850-2014092239-79851 en SIN-nummer AAEU2951NL.

8. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 5 maart 2014 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1820-2014-092239-4 (bijlage 2.AH.36). Deze kennisgeving houdt onder meer in:

Plaats : [a-straat 1] Zwijndrecht

Goednummer : PL1820-2014092239-4578806

Object : hang/sluitwerk

Inhoud : slotplaat

Bijzonderheden : in tuin aangever aangetroffen

9. Een proces-verbaal van een vergelijkend werktuigsporenonderzoek d.d. 13 maart 2014 van de Nationale Politie, Eenheid Rotterdam, met nummer PL1850-2014092198 (bijlage 2.AH.9). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 3 maart 2014 ontving ik de navolgende werktuigen:

[A] een schroevendraaier, merk Skandia, aangetroffen in het voertuig met de verdachten op 28 februari 2014, BVH nummer PL1810-2014092198-4575257;

[B] een verstelbare schroefsleutel, merk Skandia, aangetroffen in het voertuig met de verdachten op 28 februari 2014, BVH nummer PL1810-2014092198-4575260.

Op 6 maart 2014 ontving ik voorts de navolgende sporen:

[1] een slotschild met daarin werktuigsporen, veiliggesteld bij een onderzoek naar aanleiding van een woninginbraak te Zwijndrecht, [a-straat 1],

BVH nummer PL1820-2014092239-4578806;

[2] een afvorming van werktuigsporen, afgevormd van een slotcilinder bij het sporenonderzoek naar aanleiding van voornoemde woninginbraak, gewaarmerkt met SIN-nummer AAEU2951NL.

Op grond van het door mij verrichte onderzoek - ten behoeve waarvan proefsporen van de schroevendraaier [A] en de verstelbare schroefsleutel [B] zijn vervaardigd die vervolgens zijn afgevormd, welke afgevormde proefsporen als karakteristiek voor deze werktuigen kunnen worden beschouwd - kom ik tot de navolgende conclusies:

[1] de (afgevormde) werktuigsporen [1] zijn veroorzaakt met schroevendraaier [A];

[2] de (afgevormde) werktuigsporen [2] zijn veroorzaakt met verstelbare schroefsleutel [B].

10. Een proces-verbaal onderzoek trekschroeven d.d. 12 maart 2014 van de Nationale Politie, Eenheid Rotterdam, met nummer PL1850-2014092198-28 (bijlage 2.AH.10). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 3 maart 2014 ontving ik twee delen van een doormidden gebroken slotcilinder. In één van die delen zat een zogenaamde ZIE-FIX trekschroef met groene codering, type 'super', gedraaid. Deze cilinderdelen werden aangetroffen bij een onderzoek naar aanleiding van een woninginbraak die op 28 februari 2014 op de [a-straat 1] te Zwijndrecht had plaatsgevonden.

Tevens ontving ik vier ZIE-FIX trekschroeven: drie met groene kleurcode, type 'super', en één met witte kleurcode, type 'extra'. Deze schroeven werden in beslag genomen vanuit het voertuig van de verdachten.

Zowel de in het cilinderslot gedraaide trekschroef als de trekschroeven die afkomstig zijn uit het voertuig van verdachten zijn van het merk/type ZIE-FIX. Het betreft een speciaal voor het gebruik van slotentrekkers vervaardigd type schroef met kleurcodering waarmee de schroefdikte wordt aangegeven. De schroeven - het hof leest: de in het cilinderslot gedraaide trekschroef en de drie in beslag genomen trekschroeven met groene kleurcode - zijn soortgelijk voor wat betreft vorm, maat en kleur. Bij het indraaien van de trekschroef in het cilinderslot is de verf van de groene kleurcodering opgehoopt naast de schroef in het slotgat."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De inbraak in de woning aan de [a-straat 1] te Zwijndrecht heeft blijkens de aangifte plaatsgevonden op 28 februari 2014 tussen omstreeks 18:30 uur en 23:00 uur.

In die periode, te weten omstreeks 21:53 uur, zijn de verdachte en zijn drie medeverdachten niet ver van de [a-straat 1] te Zwijndrecht rijdend in een auto aangetroffen.

Op de vraag aan de medeverdachte [medeverdachte], of hij de politie toestemming wilde verlenen om de auto op de aanwezigheid van inbrekerswerktuigen te onderzoeken en - nadat hij die toestemming had geweigerd - de mededeling dat dit onderzoek desalniettemin zou plaatsvinden, reageerden de verdachte en zijn medeverdachten (erg) zenuwachtig. De medeverdachte [betrokkene 4] is vervolgens zelfs weggerend.

In die auto bleken zich goederen te bevinden die uit voornoemde woning waren gestolen, alsmede een schroevendraaier en een baco/verstelbare schroefsleutel, waarvan de afgevormde proefsporen zodanige overeenkomsten vertoonden met de sporen van de bij de inbraak gebruikte werktuigen dat is geconcludeerd dat laatstbedoelde sporen met deze schroevendraaier en baco zijn gemaakt.

Daarnaast werden in de auto onder meer een slotentrekker en een aantal trekschroeven aangetroffen, welke trekschroeven van hetzelfde merk waren als de trekschroef die zich na de inbraak in de slotcilinder/buitencilinder van de achterdeur van genoemde woning bleek te bevinden en daaraan voor wat betreft vorm, maat en kleurcode soortgelijk waren.

Zichtbaar voor een ieder hing aan de bijrijdersstoel van de auto een zwarte schoudertas, uit welke tas een grote schroevendraaier met de punt naar buiten stak. In deze zwarte schoudertas bevonden zich eveneens, naast de bij de inbraak gebruikte schroevendraaier, vorenbedoelde baco, slotentrekker en trekschroeven.

Het omstreeks 21:53 uur in Zwijndrecht gezamenlijk voorhanden hebben van de goederen, die tijdens een inbraak in de woning aan de [a-straat 1] te Zwijndrecht zijn weggenomen en welke inbraak diezelfde dag na 18:30 uur moet hebben plaatsgevonden, het toen en daar tevens gezamenlijk voorhanden hebben van bij die inbraak gebruikte inbrekerswerktuigen en een zelfde soort trekschroeven als de trekschroef die na de inbraak in een slotcilinder van voornoemde woning is aangetroffen en het zenuwachtige gedrag duiden op betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachten bij de woninginbraak.

Zij hebben er alle vier voor gekozen om zich op hun zwijgrecht te beroepen. Naar het oordeel van het hof kan het bij het uitblijven van een aannemelijke, andere verklaring niet anders zijn dan dat de verdachte en zijn medeverdachten – die klaarblijkelijk samen vanuit hun woonplaats Den Haag naar Zwijndrecht zijn gereden en Zwijndrecht later weer met de buit van de inbraak wilden verlaten – deze inbraak in nauwe en bewuste samenwerking en derhalve tezamen en in vereniging hebben gepleegd."

2.4.

Het Hof heeft het ter terechtzitting gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting als volgt samengevat en verworpen:

"Rechtmatigheid van de doorzoeking

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig was omdat de bevoegdheid voor die doorzoeking ontbrak. Hij verwijst naar de uitspraak van het Hof Amsterdam van 21 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5307), inhoudende dat naar het oordeel van het hof sprake was van détournement de pouvoir omdat de politie de haar op grond van de Wegenverkeerswet 1994 toekomende controlebevoegdheden voor opsporingsdoeleinden had gebruikt. De raadsman stelt zich op het standpunt dat daarvan ook in deze zaak sprake is. Dit leidt er volgens de raadsman toe dat hetgeen bij de doorzoeking van de auto is aangetroffen, als vruchten van de onrechtmatige doorzoeking van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Uit het proces-verbaal van de politie Eenheid Rotterdam, nummer PL1810-2014092198-2, blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 28 februari 2014 omstreeks

21.53

uur een Volkswagen, type Polo, kleur zwart, kenteken [AA-00-BB] de Stationsweg te Zwijndrecht op zien rijden. De auto blijkt op naam te staan van de medeverdachte [medeverdachte], die in de gemeente Den Haag staat ingeschreven. Na raadpleging van het landelijk systeem Bluespot blijkt dat [medeverdachte] meerdere aandachtsvestigingen op zijn naam heeft staan. Hierna wordt, om de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven bepalingen te controleren, een stopteken gegeven en wordt het rijbewijs van de bestuurder – [medeverdachte] voornoemd – gecontroleerd. Tevens wordt [medeverdachte] aan een blaastest onderworpen en wordt de technische staat van de auto gecontroleerd.

Een persoonscontrole bij de Gemeenschappelijke Meld Centrale (GMC) leert dat [medeverdachte] als betrokkene bij diverse verdachte situaties, waaronder woninginbraken, staat vermeld. Op de vraag, waarom hij en de andere inzittenden van de auto in Zwijndrecht zijn, wordt door [medeverdachte] geen antwoord gegeven. Hierop zijn de identiteitsbewijzen van de overige inzittenden – naar vervolgens blijkt: de verdachte en de medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 3] – gecontroleerd. Ook zij blijken in Den Haag woonachtig te zijn en volgens de GMC als verdachten ter zake van de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht geregistreerd te staan. Allen geven desgevraagd te kennen geen niet toegestane zaken bij zich te hebben. [medeverdachte] geeft geen toestemming om zijn auto op het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen te onderzoeken. Hij en zijn medeverdachten beginnen zich zenuwachtig te gedragen als [medeverdachte] daarop wordt medegedeeld dat zijn auto desalniettemin krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Zwijndrecht op de aanwezigheid van inbrekerswerktuigen zal worden onderzocht. [betrokkene 4] draait zich plotseling om en rent weg. Als verbalisant [verbalisant 4] vervolgens met het onderzoek in de auto aanvangt en een schoudertas, die aan de bijrijdersstoel hangt, opzij legt omdat deze het zicht onder de bijrijdersstoel belemmert, ziet hij de punt van een grote schroevendraaier uit deze tas steken. Hierop worden de verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 3] aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 2:44 van de APV van de gemeente Zwijndrecht, waarna de auto op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering wordt doorzocht. Daarbij worden in eerdergenoemde schoudertas en in de kofferbak van de auto inbrekerswerktuigen aangetroffen. In de kofferbak worden onder meer ook laptops aangetroffen, die – naar later blijkt – die avond bij een inbraak op de [a-straat 1] te Zwijndrecht zijn weggenomen.

Blijkens voormeld proces-verbaal waren de verbalisanten op 28 februari 2014 zowel met de algemene surveillance als met de controle van in- en uitgaand verkeer in verband met de vele woninginbraken in de Zwijndrechtse Waard belast. Daarbij stonden hen de bevoegdheden op basis van de Wegenverkeerswet 1994 en de APV van de gemeente Zwijndrecht ter beschikking, alsmede – na de ontdekking op heterdaad van de overtreding van het bij artikel 2:44 van die APV gestelde verbod – de in artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheid tot doorzoeking. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de gang van zaken, zoals hiervoor beschreven, geenszins de conclusie dat de verbalisanten de hen op grond van de Wegenverkeerswet 1994 toekomende controlebevoegdheden uitsluitend voor een ander doel – te weten: het verrichten van opsporingshandelingen – hebben gebruikt. Het verweer wordt dan ook verworpen."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

3.2.1.

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 132a Sv:

"Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen."

- art. 1:6, aanhef en onder a, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb):

"De hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet zijn niet van toepassing op:

a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen."

- art. 5:11 Awb:

"Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift."

- art. 5:15, eerste lid, Awb:

"Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner."

- art. 5:19, eerste en tweede lid, Awb:

"1. Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.

2. Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken."

- art. 2:44, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Zwijndrecht (hierna: APV Zwijndrecht):

"Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben."

- art. 6.2, eerste lid, APV Zwijndrecht:

"Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening zijn belast: de gemeentelijke bijzondere opsporingsambtenaren en de politieambtenaren voor de regio Zuid-Holland Zuid."

3.2.2.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Algemene wet bestuursrecht, houdt ten aanzien van art. 1:6 Awb onder meer het volgende in:

"De Awb zal niet van toepassing zijn op de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Zou deze uitzondering niet in de wet worden opgenomen, dan zouden ook de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursorganen (de algemene en bijzondere opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie en de Minister van Justitie) onder het bereik van de wet vallen.

Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden."

(Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 43)

3.3.1.

Blijkens zijn hiervoor onder 2.4 weergegeven overwegingen heeft het Hof onder meer het volgende vastgesteld. Door opsporingsambtenaren die zowel met de algemene surveillance als met de controle van in- en uitgaand verkeer in verband met de vele woninginbraken in de Zwijndrechtse Waard waren belast, is een stopteken gegeven aan [medeverdachte], de bestuurder van de auto waarin ook de verdachte was gezeten. Uit de vervolgens door de opsporingsambtenaren uitgevoerde persoonscontroles bleek dat de inzittenden als "betrokkene bij diverse verdachte situaties, waaronder woninginbraken" dan wel als "verdachten ter zake van de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht" waren geregistreerd. Zonder toestemming van die [medeverdachte] is daarna een aanvang gemaakt met de controle van het voertuig op aanwezigheid van inbrekerswerktuigen, erin bestaande dat een van de opsporingsambtenaren een aan de bijrijdersstoel gehangen schoudertas opzij heeft gelegd en een uit deze tas gestoken punt van een grote schroevendraaier heeft waargenomen. Hierop is de verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van art. 2:44 APV Zwijndrecht en is de auto op de voet van art. 96b Sv doorzocht, waarbij onder meer goederen zijn aangetroffen die diezelfde avond bij een inbraak in Zwijndrecht waren weggenomen.

In deze vaststellingen ligt besloten dat de aan de doorzoeking op de voet van art. 96b Sv voorafgegane controle van het voertuig heeft plaatsgevonden in verband met eerdere woninginbraken in de Zwijndrechtse Waard en derhalve onderzoek in verband met strafbare feiten betrof en kan worden aangemerkt als opsporing als bedoeld in art. 132a Sv.

3.3.2.

Blijkens de verwerping van het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de opsporingsambtenaren als toezichthouder op de voet van art. 5:11, in verbinding met art. 5:15 en/of 5:19 Awb (in samenhang met art. 2:44, eerste lid, APV Zwijndrecht) bevoegd waren het voertuig (en de lading) te onderzoeken. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens art. 1:6, aanhef en onder a, Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van die wet immers niet van toepassing op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Zulks blijkt ook uit de onder 3.2.2 vermelde wetsgeschiedenis van art. 1:6 Awb. Dat brengt met zich dat art. 5:15 en 5:19 Awb geen grondslag bieden voor het toepassen van de in die bepalingen neergelegde bevoegdheden van een toezichthouder tot - kort gezegd - het betreden van plaatsen en het onderzoeken van voertuigen en hun lading, indien die bevoegdheidsuitoefening in de concrete omstandigheden van het geval uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing in de zin van art. 132a Sv.

3.3.3.

Het slagen van het middel behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Het gevoerde verweer houdt slechts in dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden, maar over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel is niets aangevoerd. Het Hof had reeds op die grond niet anders kunnen doen dan het verweer verwerpen.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.1.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412 onder meer het volgende overwogen:

"4.2.1. Bij de beoordeling van het middel moet mede het volgende worden betrokken. Aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Voor het medeplegen van diefstal geldt hetzelfde.

4.2.2.

Bij die beoordeling kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

4.2.3.

In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door "verenigde personen" is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte zoals hiervoor onder 4.2.2 bedoeld, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen."

4.2.2.

Hetgeen hiervoor onder 4.2.1 is weergegeven, kan ook van belang zijn in een geval als het onderhavige waarin weliswaar met betrekking tot de toedracht van de diefstal niet is vastgesteld dat deze door medeplegers is begaan, maar dat zich wel kenmerkt door de omstandigheid dat kort na de diefstal de verdachte met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan. (Vgl. HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022.)

4.3.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer het volgende vastgesteld. Op 28 februari 2014 tussen omstreeks 18.30 uur en 23.00 uur is ingebroken bij de woning aan de [a-straat 1] te Zwijndrecht, waarbij goederen zijn weggenomen. Op diezelfde dag omstreeks 21.53 uur zijn de verdachte en zijn drie mededaders niet ver van de [a-straat 1] te Zwijndrecht rijdend in een auto aangetroffen, waarin zich eveneens de weggenomen goederen bevonden. Voorts zijn in een aan de bijrijdersstoel gehangen schoudertas aangetroffen bij de woninginbraak gebruikte inbrekerswerktuigen en trekschroeven van dezelfde soort als de trekschroef die na die inbraak in een slotcilinder van voornoemde woning is gevonden.

4.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat een aannemelijke, andersluidende verklaring van de verdachte is uitgebleven alsook gelet op het zenuwachtige gedrag van de verdachte en zijn mededaders na het geven van het stopteken en de omstandigheid dat de verdachte en zijn mededaders klaarblijkelijk samen vanuit hun woonplaats Den Haag naar Zwijndrecht zijn gereden en Zwijndrecht later weer met de buit van de inbraak wilden verlaten, de verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde inbraak. Dat oordeel is, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.1 en 4.2.2 is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd.

4.5.

Het middel faalt.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018.