Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:482

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
17/03504
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:51, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:2290, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Beroepsaansprakelijkheid chirurg. Verzoek tot voorlopig deskundigenbericht. Afwijzing verzoek op de grond dat de vraagpunten niet ter zake dienend zijn in het kader van de eis in de hoofdzaak. Begrijpelijke uitleg van de gedingstukken?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0274
GZR-Updates.nl 2018-0161
NJB 2018/759
NJ 2018/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 maart 2018

Eerste Kamer

17/03504

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

1. de stichting STICHTING MAASSTAD ZIEKENHUIS,
gevestigd te Rotterdam,

2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en verweerders gezamenlijk als Maasstad c.s. en ieder afzonderlijk als Maasstad en [verweerder 2] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/10/490190/HA ZA 15-1219 van de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2016;

b. de beschikking in de zaak 200.203.396/01 van het gerechtshof Den Haag van 20 juni 2017.

De beschikking van het hof is aan deze de beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Maasstad c.s. hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging en terugwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [verzoekster] ondervond sinds juli 2009 klachten aan de linkerhand. In verband met die klachten is zij destijds uitgevallen voor haar werkzaamheden in de tuinbouw.

  • -

    ii) Door haar huisarts is [verzoekster] verwezen naar plastisch chirurg [verweerder 2] , die als vrijgevestigd medisch specialist is verbonden aan Maasstad. [verweerder 2] heeft vastgesteld dat de klachten van [verzoekster] pasten bij een afwijking die de ziekte van Quervain wordt genoemd. Hij achtte een operatieve ingreep geïndiceerd.

  • -

    iii) Op 28 oktober 2009 heeft [verweerder 2] de operatie uitgevoerd. Er werd een zogeheten tenolyse verricht van de extensor pollicis brevis en de abductor pollicis longis. In het geopereerde gebied werd een corticosteroïd (kenacort) achtergelaten.

  • -

    iv) [verzoekster] hield klachten. Op 8 januari 2010 heeft de huisarts [verzoekster] opnieuw naar [verweerder 2] verwezen. Op 26 januari 2010 heeft [verweerder 2] kenacort in het geopereerde gebied ingespoten. Ook nadien hield [verzoekster] klachten, waarvoor zij in Maasstad door verscheidene specialisten is behandeld.

  • -

    v) Bij brief van 5 augustus 2010 heeft [verzoekster] Maasstad aansprakelijk gesteld voor schade die zij stelt te hebben geleden door een onjuiste medische behandeling door [verweerder 2] . Maasstad heeft aansprakelijkheid afgewezen.

  • -

    vi) [verzoekster] heeft bij het Regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg in Den Haag een klacht tegen [verweerder 2] ingediend. Het Regionaal tuchtcollege heeft op 18 november 2014 de maatregel van waarschuwing aan [verweerder 2] opgelegd. Daartoe is onder meer overwogen:

“Klaagster verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij:

1. te snel is overgegaan tot een operatie;

2. klaagster voorafgaand aan de operatie onvoldoende heeft voorgelicht over de ingreep en de daaraan verbonden risico’s;

3. (…);

4. (…);

5. (…).

(…)

5.1

Het eerste onderdeel van de klacht stelt ter discussie of verweerder lege artis heeft gehandeld door tot een operatieve ingreep te besluiten in plaats van voor een minder ingrijpende behandeling te kiezen. Naar het oordeel van het College is dat het geval. Gelet op de ernst van klaagsters klachten en de duur ervan heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten tot een tenolyse. Daarbij neemt het College in aanmerking dat klaagster haar werkzaamheden als gevolg van de klachten had moeten staken en verbetering, ondanks de door de huisarts geadviseerde conservatieve behandeling, was uitgebleven. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

5.2.

Het College stelt voorop dat verweerder de plicht had om klaagster deugdelijk te informeren omtrent de behandeling en de daaraan verbonden risico’s. Verweerder heeft gesteld dat hij klaagster daarover geïnformeerd heeft en dat hij dat altijd pleegt te doen. Verweerder stelt dat in dit geval te hebben gedaan aan de hand van illustraties en afbeeldingen, omdat klaagster de Nederlandse taal niet machtig was. De beweringen van verweerder worden echter niet gestaafd door enige aantekening in de status. Nu zij door klaagster worden ontkend, is daarmee voor het College niet komen vast te staan dat verweerder aan zijn informatieplicht jegens klaagster heeft voldaan. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond. Ten overvloede merkt het College op dat niet gebleken is dat verweerder tijdens de ingreep een fout heeft gemaakt. Uit het verslag van de op 8 november 2010 verrichte ingreep blijkt dat de nervus radialis superficialis toen nog intact was.

(…)”

3.2.1

[verzoekster] is een procedure tegen Maasstad c.s. begonnen waarin zij heeft gevorderd voor recht te verklaren dat Maasstad c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoekster] lijdt door het na de behandelingen opgetreden zenuwletsel aan de hand, pols en arm en de door dit zenuwletsel opgetreden psychische gezondheidsklachten, en Maasstad c.s. te veroordelen tot vergoeding van de schade. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

3.2.2

[verzoekster] heeft hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld. Na het aanbrengen van de zaak heeft [verzoekster] een verzoek ingediend tot benoeming van een deskundige (een plastisch chirurg), om het professionele handelen van [verweerder 2] te beoordelen. Met dit voorlopig deskundigenbericht beoogt [verzoekster] de kans van slagen van het hoger beroep te kunnen inschatten.

3.2.3

Het hof heeft het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht afgewezen. Het heeft daartoe overwogen:

“8. Met Maasstad c.s. is het hof van oordeel dat het onderhavige verzoek niet ter zake dienend is. [verzoekster] heeft immers in de hoofdzaak slechts een verklaring voor recht gevorderd dat Maasstad c.s. aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt door het na de behandelingen door [verweerder 2] in Maasstad, opgetreden zenuwletsel aan de hand, pols en arm en voor de door dit letsel opgetreden psychische gezondheidsklachten, alsmede een veroordeling om de schade die zij hierdoor lijdt te vergoeden. Tussen partijen is in het kader van dit verzoek echter niet in geschil dat niet gebleken is dat [verweerder 2] tijdens de operatieve ingreep een fout heeft gemaakt die zou hebben geleid tot het zenuwletsel (en de daardoor veroorzaakte schade). Dat niet is gebleken van een dergelijke fout is overigens ook overwogen in de voornoemde beslissing van het Regionaal tuchtcollege. Aldus moet ervan uit worden gegaan dat, zo er door de operatieve ingreep letsel is opgetreden als door [verzoekster] gesteld, de daardoor veroorzaakte schade in elk geval niet te wijten is aan een fout van [verweerder 2] .

Het thans voorgelegde verzoek tot benoeming van een deskundige ziet ook niet op dit onderwerp, maar gaat over - kort gezegd - de vraag (i) of [verweerder 2] te snel is overgegaan tot het verrichten van de operatieve ingreep, (ii) welke informatie hij vooraf aan [verzoekster] had moeten verstrekken over de aard van deze behandeling en de daaraan verbonden risico’s, en (iii) of hij alternatieve behandelingen met [verzoekster] had moeten bespreken (en zo ja welke). Het hof acht deze vraagstelling in het kader van de eis in de hoofdzaak, zoals deze (ook blijkens de dagvaarding in hoger beroep) is geformuleerd, niet ter zake dienend. Die vragen zien immers niet op het vaststellen van een (medische) fout van [verweerder 2] bij de uitvoering van de operatieve ingreep (waar de vordering in de hoofdzaak klaarblijkelijk nog op is gericht). Ten overvloede tekent het hof hierbij aan dat, indien [verzoekster] haar eis mocht wijzigen in de hoofdzaak, het hof zo nodig opnieuw de vraag onder ogen zal kunnen zien of er een bepaalde deskundige dient te worden ingeschakeld teneinde een of meer specifieke vragen te beantwoorden, hetgeen bijvoorbeeld tijdens een comparitie van partijen aan de orde kan komen.”

3.3.1

In onderdeel I klaagt [verzoekster] dat het hof is uitgegaan van een onjuiste, althans te beperkte lezing van haar stellingen in de hoofdzaak. Met die stellingen heeft zij niet de vraag voorgelegd of de operatie goed is uitgevoerd. Zij heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [verweerder 2] te snel is overgegaan tot de operatie, dat hij [verzoekster] niet heeft geïnformeerd over de aard van de operatie en de daaraan verbonden risico’s en dat hij geen alternatieve behandelingen met haar heeft besproken. Op die verwijten ziet ook het door [verzoekster] gewenste deskundigenbericht.

3.3.2

De klacht is gegrond. Het hof heeft in rov. 7 terecht vooropgesteld dat de rechter een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht in beginsel moet toewijzen, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden (zie onder meer HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610, NJ 2004/584). Het in rov. 8 daarop volgende oordeel van het hof dat het verzoek van [verzoekster] niet ter zake dienend is, is evenwel onbegrijpelijk. De rechtbank heeft in rov. 4.1 van haar vonnis over de grondslag van de vorderingen van [verzoekster] vastgesteld:

“4.1. [verzoekster] grondt haar vorderingen op de stellingen dat [verweerder 2] de norm van goed hulpverlenerschap (artikel 7:453 BW) heeft geschonden en dat [verweerder 2] de informatieverplichting (artikel 7:448 BW) heeft geschonden. [verzoekster] maakt [verweerder 2] de volgende verwijten:

A) [verweerder 2] is te snel overgegaan tot het verrichten van een operatieve ingreep, terwijl minder vergaande en minder risicovolle behandelmethoden voorhanden waren en hadden kunnen c.q. moeten worden toegepast.

B) [verweerder 2] heeft [verzoekster] niet geïnformeerd over de aard van de behandeling en de daaraan verbonden risico’s.

C) [verweerder 2] heeft geen alternatieve behandelingen met [verzoekster] besproken.”

Het hof heeft niet vastgesteld dat [verzoekster] (de grondslag van) haar vorderingen in hoger beroep heeft gewijzigd.

Zoals het hof in rov. 8 heeft vastgesteld, ziet het door [verzoekster] beoogde deskundigenonderzoek op de vragen (i) of [verweerder 2] te snel is overgegaan tot het verrichten van de operatieve ingreep, (ii) welke informatie hij vooraf aan [verzoekster] had moeten verstrekken over de aard van deze behandeling en de daaraan verbonden risico’s, en (iii) of hij alternatieve behandelingen met [verzoekster] had moeten bespreken (en zo ja welke). Deze vragen betreffen dus de door de rechtbank in rov. 4.1 genoemde verwijten A, B en C die [verzoekster] aan haar vorderingen jegens Maasstad c.s. ten grondslag heeft gelegd, en niet de vraag of [verweerder 2] een (medische) fout heeft gemaakt bij de uitvoering van de operatieve ingreep.

3.3.3

Onderdeel II, dat is gericht tegen de afwijzing van het verzoek en de veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten, en dat voortbouwt op het in onderdeel I met succes bestreden oordeel, slaagt daarom eveneens.

3.3.4

Aangezien de hoofdzaak aanhangig is bij het gerechtshof Den Haag, zal de Hoge Raad de zaak naar dat hof terugwijzen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 juni 2017;

wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Maasstad c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 382,49 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 30 maart 2018.