Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:463

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
17/04701
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:113
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHSHE:2017:4271
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht; procesrecht. Begrip belanghebbende in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv en art. 806 lid 1 Rv bij beëindiging van door ouders gezamenlijk uitgeoefend ouderlijk gezag (art. 1:266 BW). Mogelijkheid van principaal en incidenteel hoger beroep van elke ouder. Betekenis van art. 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/760
FJR 2018/43.13
RBP 2018/48
RFR 2018/79
NJ 2018/268 met annotatie van Redactie, S.F.M. Wortmann
PFR-Updates.nl 2018-0186
RvdW 2018/404
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 maart 2018

Eerste Kamer

17/04701

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT in principaal appel,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

tegen

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats]

VERWEERSTER in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

2. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Eindhoven,

VERWEERSTER in principaal en incidenteel appel,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

en

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,

BELANGHEBBENDE in appel,

niet verschenen in de prejudiciële procedure.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader de moeder, de raad en de GI.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de volgende stukken:

a. de beschikking in de zaak C/03/226100 FA RK 16-3422 van de rechtbank Limburg van 24 november 2016;

b. de beschikkingen in de zaak 200.210.034/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 augustus 2017 en 5 oktober 2017.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemde beschikking heeft het hof op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

“1. De vader is alleen tegen de beëindiging van zijn gezag in hoger beroep gekomen. Vraag is wat dat voor de positie van de moeder betekent. Dient in de procedure in hoger beroep tegen een beschikking waarbij op grond van artikel 1:266 BW het gezag van beide ouders is beëindigd, maar waarbij de grieven van de principaal appellerende ouder slechts zijn/haar eigen gezag betreffen, de andere ouder als belanghebbende te worden aangemerkt?

2. Onder welke omstandigheden kan de andere ouder, in casu de moeder, na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn worden ontvangen in incidenteel appel tegen de beëindiging van haar gezag?

3. Onder welke omstandigheden kan een ouder, in casu de moeder, worden ontvangen in appel tegen de beëindiging van het gezag van de andere ouder, in casu de vader?

Is hierbij van belang de vraag of de andere ouder zelf appelleert tegen de beëindiging van diens gezag?

4. Oefent artikel 8 EVRM nog enige invloed uit op deze kwestie, bijvoorbeeld indien blijkt dat alle betrokken partijen het wenselijk achten dat ook het belang van de andere ouder (gezien ook vanuit het belang van het kind) vol getoetst zal worden?”

Er is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen in te dienen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals weergegeven onder 3.11, 3.16, 3.18-3.20 en 3.22-3.24 van die conclusie.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

(i) Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2003 [de zoon] (hierna: [de zoon]) geboren.

(ii) [de zoon] staat sinds 11 september 2009 onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI). De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot en met 11 februari 2017.

(iii) [de zoon] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 10 oktober 2013 uit huis geplaatst. Hij verblijft sinds 9 maart 2014 op een woongroep van Daelzicht.

3.2.1

In deze zaak heeft de rechtbank op verzoek van de raad het ouderlijk gezag van de moeder en de vader over [de zoon] beëindigd en de GI tot voogdes over [de zoon] benoemd. De rechtbank heeft haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.2.2

De vader is in hoger beroep gegaan en heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en te bepalen dat het verzoek tot beëindiging van zijn ouderlijk gezag over [de zoon] alsnog terstond wordt afgewezen, dan wel dat er een nieuw onafhankelijk onderzoek wordt gelast.

3.2.3

De griffier van het hof heeft de moeder bericht dat door de vader hoger beroep is ingesteld van de bestreden beschikking, en heeft haar de gelegenheid geboden een verweerschrift in te dienen en eventueel incidenteel hoger beroep in te stellen. De moeder is tevens in de hoedanigheid van belanghebbende opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep van de vader.

3.2.4

De moeder heeft bij verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel appel, verzocht de beschikking van de rechtbank geheel te vernietigen, derhalve wat betreft de beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders.

3.2.5

De GI, die door het hof als belanghebbende is aangemerkt, heeft verzocht de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In het incidenteel appel van de moeder heeft de GI geen verweerschrift ingediend.

3.2.6

De advocaat van de vader heeft het hof bericht dat de vader kan instemmen met hetgeen de moeder in haar incidenteel appel naar voren heeft gebracht.

3.2.7

Bij de mondelinge behandeling heeft het hof de vader, de moeder, de raad en de GI gehoord. Het hof heeft ook de minderjarige [de zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [de zoon] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Bij de mondelinge behandeling heeft het hof tevens de vader, de moeder, de raad en de GI in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de moeder moet worden aangemerkt als belanghebbende in het hoger beroep van de vader en (derhalve) of zij schriftelijk verweer mag voeren en kan worden ontvangen in haar verzoek in het incidenteel appel (zie voor de diverse standpunten de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.12-1.15).

3.2.8

Het hof heeft de hiervoor onder 2 weergegeven prejudiciële vragen gesteld.

Inleiding

3.3.1

Deze zaak betreft de beëindiging van het ouderlijk gezag over [de zoon] van zowel de vader als de moeder, zoals voorzien in art. 1:266 BW. De raad heeft daartoe op de voet van art. 1:267 BW een verzoek bij de rechtbank ingediend.

3.3.2

De rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken, wordt beheerst door afdeling 1 van titel 6 van boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 798-813 Rv). Voor zover de art. 798-813 Rv afwijken van de algemene regels voor verzoekschriftprocedures in de art. 261-291 Rv dan wel van de regels voor hoger beroep tegen beschikkingen in de art. 358-362 Rv, gaan eerstgenoemde bepalingen voor.

Het begrip belanghebbende in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv

3.4.1

Art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat voor de toepassing van de hiervoor in 3.3.2 bedoelde afdeling onder belanghebbende wordt verstaan “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”. Aan een belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv kennen diverse bepalingen van deze afdeling specifieke processuele rechten en bevoegdheden toe.

3.4.2

Hetgeen in de wetsgeschiedenis van art. 798 lid 1 (oud) Rv (thans art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv) is opgemerkt over het begrip belanghebbende (zie daarvoor Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 6-7; aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9) kan, voor zover hier van belang, als volgt worden weergegeven.

Niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij of sympathie voor de zaak te hebben, zal ook in de procedure als belanghebbende worden erkend.
Het woord ‘rechtstreeks’ in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv dient ertoe om onderscheid te maken tussen degene die een zekere betrokkenheid bij de zaak heeft en degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Slechts laatstgenoemde persoon is belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.

Voor de toepassing van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv behoeft het recht of de verplichting waarop men een beroep doet, nog niet in concreto vast te staan.

Tot de in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv beschermde ‘rechten of verplichtingen’ behoren de rechten die worden beschermd door internationale verdragen, zoals het EVRM en het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, voor zover daarop door een burger in rechte rechtstreeks een beroep kan worden gedaan (omdat die rechten zijn neergelegd in een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in art. 93 Grondwet).

3.4.3

Het vorenstaande betekent dat de door art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling (hierna elk van beide: betrokkene) als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.

3.4.4

In overeenstemming met het vorenstaande is in HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482, rov. 3.3.3-3.3.7, geoordeeld dat de niet met het ouderlijk gezag beklede ouder in het kader van een ondertoezichtstelling niet kan worden beschouwd als belanghebbende in de zin van (thans) art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Redengevend daartoe is dat door de rechterlijke beslissing houdende ondertoezichtstelling de rechten en verplichtingen van die ouder niet rechtstreeks worden geraakt, nu die ouder vóór de ondertoezichtstelling niet het ouderlijk gezag uitoefende, en de ondertoezichtstelling niet in de weg staat aan effectuering van diens recht op gezinsleven met het kind, zoals door omgang van die ouder met het kind.

Hoger beroep in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken)

3.5

Uit de wetsgeschiedenis van art. 806 Rv kan worden afgeleid dat hetgeen in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv is bepaald ten aanzien van het begrip belanghebbende, ook in hoger beroep geldt, en dat daaraan niet afdoet dat laatstgenoemde bepaling in art. 806 lid 2 Rv niet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op het hoger beroep. Het begrip belanghebbende in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv en art. 806 lid 1 Rv heeft blijkens die wetsgeschiedenis dezelfde betekenis (Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 6, p. 10; aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.21).

Voorts volgt uit die wetsgeschiedenis dat de appelrechter ambtshalve dient te beoordelen of een betrokkene in hoger beroep belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, en dat de appelrechter daarbij niet is gebonden aan het oordeel dienaangaandevan de rechter in eerste aanleg (Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 12; aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.22).

De vierde prejudiciële vraag: de betekenis van art. 8 EVRM

3.6.1

De vierde prejudiciële vraag stelt aan de orde welke betekenis toekomt aan art. 8 EVRM bij de beantwoording van de vraag of een betrokkene moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.

3.6.2

Hiervoor in 3.4.2, laatste alinea, is reeds overwogen dat in de wetsgeschiedenis van (thans) art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv is opgemerkt dat tot de door die bepaling beschermde ‘rechten en verplichtingen’ behoren de rechten die een burger kan ontlenen aan de een ieder verbindende bepalingen van het EVRM.

3.6.3

Uit de rechtspraak van het EHRM moet worden afgeleid dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in art. 8 lid 1 EVRM, tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. (Zie de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.46 aangehaalde uitspraak EHRM 6 oktober 2015, nr. 58455/13 (N.P./Moldavië), § 69.) Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure, welke procedure op zichzelf tevens moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit art. 6 EVRM. De door art. 8 EVRM vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.

3.6.4

Het antwoord op de vierde prejudiciële vraag luidt derhalve dat de rechter de vraag of een betrokkene belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, dient te beantwoorden met inachtneming van de hiervoor in 3.6.3 genoemde, uit art. 8 EVRM voortvloeiende eisen.

De eerste prejudiciële vraag: de ‘andere’ ouder als belanghebbende in hoger beroep

3.7.1

De eerste prejudiciële vraag ziet op het geval dat de rechtbank op de voet van art. 1:266 BW het ouderlijk gezag van elk van beide ouders, dat zij gezamenlijk uitoefenden, heeft beëindigd, en slechts een van de ouders in hoger beroep is gegaan voor zover het de beëindiging van diens ouderlijk gezag betreft. De vraag rijst dan of de andere ouder in dat hoger beroep belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv in verbinding met art. 806 lid 1 Rv.

3.7.2

Het hof heeft in rov. 3.13 van zijn eerste tussenbeschikking overwogen dat – totdat de rechtbank haar (bij voorraad uitvoerbaar verklaarde) beschikking wees (zie hiervoor in 3.2.1) – de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de zoon] waren belast. Voorts ligt in rov. 3.19 van die eerste tussenbeschikking besloten dat zowel de vader als de moeder met [de zoon] gezinsleven heeft als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM.

3.7.3

Een rechterlijke beslissing op de voet van art. 1:266 BW tot beëindiging van het door de ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, vormt onmiskenbaar een inmenging in het gezinsleven van de vader, de moeder en het kind als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM. Een zaak die tot een dergelijke beslissing kan leiden, raakt dan ook ‘rechtstreeks’ (in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin) het recht op gezinsleven van elk van beide ouders in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, in verbinding met art. 8 lid 1 EVRM. Dat brengt mee dat elk van beide ouders in het kader van die zaak moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Aldus is ook verzekerd dat wordt voldaan aan de uit art. 8 EVRM voortvloeiende eis dat elk van beide ouders in voldoende mate wordt betrokken bij het besluitvormingsproces met betrekking tot de beëindiging van het door die ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag (zie hiervoor in 3.6.3).

3.7.4

De omstandigheid dat het in deze zaak door de vader ingestelde hoger beroep slechts betrekking heeft op de beëindiging van zijn ouderlijk gezag over [de zoon] (en niet op de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder), brengt niet mee dat de moeder in dit hoger beroep niet (meer) moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv in verbinding met art. 806 lid 1 Rv. Beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader raakt rechtstreeks het recht op gezinsleven van zowel de vader als de moeder, nu zij aanvankelijk gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de zoon] waren belast, gezinsleven met [de zoon] hebben, en beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader invloed kan hebben op de wijze waarop de vader en de moeder nadien invulling kunnen geven aan hun gezinsleven met [de zoon]. Bovendien waarborgt het aanmerken van de moeder als belanghebbende in het hoger beroep van de vader dat zij – in overeenstemming met art. 8 EVRM – in voldoende mate betrokken blijft bij het besluitvormingsproces met betrekking tot de beëindiging van het door de ouders aanvankelijk gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag over [de zoon], welk besluitvormingsproces pas is afgerond indien de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.

3.7.5

Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt derhalve dat in de procedure in hoger beroep tegen een beschikking waarbij op de voet van art. 1:266 BW het ouderlijk gezag van elk van beide ouders over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, is beëindigd, maar waarbij de grieven van de appellerende ouder slechts zijn dan wel haar eigen gezag betreffen, de andere ouder belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv in verbinding met art. 806 lid 1 Rv.

De tweede en de derde prejudiciële vraag: principaal en incidenteel hoger beroep van de ‘andere’ ouder

3.8.1

De tweede en de derde prejudiciële vraag hebben betrekking op de mogelijkheid van de andere ouder, in dit geval de moeder, om principaal hoger beroep (de derde vraag) dan wel incidenteel hoger beroep (de tweede vraag) in te stellen tegen een beschikking waarbij op de voet van art. 1:266 BW het ouderlijk gezag van elk van beide ouders over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, is beëindigd.

3.8.2

De derde prejudiciële vraag moet als volgt worden beantwoord.

Zoals hiervoor in 3.7.3 is overwogen, heeft een zaak die kan leiden tot een rechterlijke beslissing op de voet van art. 1:266 BW tot beëindiging van het door de ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, rechtstreeks betrekking op het recht op gezinsleven van elk van beide ouders, zodat elk van hen in het kader van die zaak als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hieruit volgt dat elk van beide ouders krachtens art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv in verbinding met art. 806 lid 1 Rv hoger beroep kan instellen van de beschikking waarbij de rechtbank dat gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag heeft beëindigd.

De uit art. 8 EVRM voortvloeiende eis dat elk van beide ouders in voldoende mate wordt betrokken bij het besluitvormingsproces met betrekking tot de beëindiging van het door de ouders (aanvankelijk) gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag (zie hiervoor in 3.6.3), brengt mee dat de appellerende ouder dit hoger beroep kan betrekken op (i) de beëindiging van het door de ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag, (ii) de beëindiging van het door deze ouder zelf uitgeoefende ouderlijk gezag, dan wel (iii) de beëindiging van het door de andere ouder uitgeoefende ouderlijk gezag. Tevens brengt die eis mee dat het vorenstaande geldt ongeacht of de andere ouder eveneens principaal dan wel incidenteel hoger beroep instelt tegen enig onderdeel van de beschikking van de rechtbank waarbij het ouderlijk gezag van elk van beide ouders op de voet van art. 1:266 BW is beëindigd.

3.8.3

De tweede prejudiciële vraag moet als volgt worden beantwoord.

Uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag (zie hiervoor in 3.7.5) volgt dat indien een ouder (principaal) hoger beroep instelt van de beschikking waarbij op de voet van art. 1:266 BW het ouderlijk gezag van elk van beide ouders over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, is beëindigd, de andere ouder in dat appel belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv in verbinding met art. 806 lid 1 Rv.

Als belanghebbende is de andere ouder op grond van art. 361 lid 3 Rv bevoegd om een verweerschrift in te dienen in het (principaal) appel van de appellerende ouder.

Voorts kan de andere ouder ingevolge art. 358 lid 5 Rv, ondanks het verstrijken van de appeltermijn en ondanks berusting in de beschikking van de rechtbank, alsnog incidenteel appel instellen, overeenkomstig hetgeen in het algemeen geldt in de verzoekschriftprocedure. De uit art. 8 EVRM voortvloeiende eis dat elk van beide ouders in voldoende mate wordt betrokken bij het besluitvormingsproces met betrekking tot de beëindiging van het door de ouders (aanvankelijk) gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag (zie hiervoor in 3.6.3), brengt mee dat die andere ouder dat incidenteel appel kan betrekken op (i) de beëindiging van het door de ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag, (ii) de beëindiging van het door deze ouder zelf uitgeoefende ouderlijk gezag, dan wel (iii) de beëindiging van het ouderlijk gezag dat wordt uitgeoefend door de principaal appellerende ouder. Tevens brengt die eis mee dat in dit verband niet van belang is tot welke onderdelen van de bestreden beschikking het principaal appel zich uitstrekt.

In het incidenteel appel van de andere ouder is de principaal appellerende ouder belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, en kan laatstgenoemde een verweerschrift indienen.

4 Beslissing

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 3.6.4, 3.7.5, 3.8.2 en 3.8.3 weergegeven wijze.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 30 maart 2018.