Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:441

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
16/06026
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:18
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:6662, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Causaliteit. Dood door schuld in de uitoefening van enig ambt of beroep, art. 307 Sr en art. 309 Sr. Koolmonoxidevergiftiging in Flevoland waardoor vader en zoon zijn overleden veroorzaakt door gebrekkige installatie cv-ketel? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5061 m.b.t. de selectie en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. Het Hof heeft de vraag of causaal verband bestaat tussen de tlgd. gedragingen en de letale koolmonoxidevergiftigingen die de slachtoffers hebben opgelopen, ontkennend beantwoord aan de hand van de maatstaf of die koolmonoxidevergiftigingen redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan verdachte en zijn medeverdachte kunnen worden toegerekend. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is - mede in aanmerking genomen hetgeen is vooropgesteld en hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent een wijziging van de bevestiging van de afvoer, die zich moet hebben voltrokken tussen het tijdstip waarop de ketel door de verdachte en zijn medeverdachte is geïnstalleerd en het tijdstip waarop de koolmonoxide vrijkwam - niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 16/06025.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/477
NBSTRAF 2018/190
SR-Updates.nl 2018-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 maart 2018

Strafkamer

nr. S 16/06026

MM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 augustus 2016, nummer 21/001011-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte, P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel komt op tegen de door het Hof gegeven vrijspraak.

2.2.

De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 4 samengevat waar het in deze zaak om gaat:

"Het gaat in deze zaak om een treurig geval van koolmonoxidevergiftiging. Op 21 januari 2013 vindt de politie na een melding het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] in een recreatiewoning op een vakantiepark in Zeewolde. De opgeroepen huisarts constateert een natuurlijke doodsoorzaak. Een zoon van de overleden man, [slachtoffer 2], verblijft vervolgens in de recreatiewoning om de uitvaart van zijn vader te regelen. Een dag later (22 januari 2013) krijgt de politie de opdracht om nog eens naar de recreatiewoning te gaan. Daar treft zij het lichaam van de zoon aan. Ook hij blijkt te zijn overleden. Onderzoek wijst uit dat vader en zoon zijn overleden aan koolmonoxidevergiftiging. De oorzaak blijkt te kunnen worden teruggevoerd op een zogenoemde "hoog rendement gaswandketel". Deze cv-ketel is evenals de rookgasafvoer geïnstalleerd door toevalligerwijs ook een vader en een zoon, namelijk de verdachte (de vader) die een eenmanszaak onder de naam [A] loodgieters voert en de medeverdachte (de zoon) die bij deze zaak werkzaam is. Zij worden verdacht van het medeplegen van dood door schuld in de uitoefening van enig ambt of beroep, meermalen gepleegd (art. 307 in verbinding met art. 309 Sr (...)). Het vermoeden bestaat dat het koolmonoxide in een inpandige schuur horende bij de recreatiewoning is vrijgekomen als gevolg van het niet professioneel installeren van de ketel en het foutief monteren en aansluiten van de rookgasafvoer. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor het "aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep, meermalen gepleegd" tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. De medeverdachte wordt door de rechtbank vrijgesproken gelet op de ondergeschiktheid van zijn rol bij de installatie van de ketel en de montage van de afvoerpijp. In hoger beroep worden beide verdachten vrijgesproken. Volgens het hof kan het overlijden van de slachtoffers redelijkerwijs niet worden toegerekend aan een of meer van de bedoelde gedragingen (en tekortkomingen) van de verdachte en de medeverdachte, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat naar zijn oordeel ook algemene ervaringsregels daarvoor geen betrouwbare en navolgbare onderbouwing bieden."

2.3.1.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 22 januari 2013 te Zeewolde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig een hoog rendement gaswandketel (Remeha Tzerra M 28C met serienummer 1217704727890) en/of de rookgasafvoer (van deze ketel) heeft geïnstalleerd in de (inpandige schuur horende bij de) (recreatie)woning van [slachtoffer 1] (op het Bungalowpark Flevo-Natuur te Zeewolde), immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader voornoemde ketel en/of de rookgasafvoer (van deze ketel) geïnstalleerd en/of gemonteerd en/of in bedrijf gesteld, terwijl:

- hij en/of zijn mededader de installatie- en servicehandleiding van de ketel en/of de montagehandleiding van het rookgasafvoersysteem niet, althans niet goed, had/hadden gelezen en/of

- hij en/of zijn mededader gebruik maakte/maakten van een niet (tijdig) geijkte CO-meter en/of een niet (tijdig) geijkte C02 meter, althans een of meer rookgasanalysemeter(s), (terwijl de garantie voor betrouwbaarheid van metingen van voornoemde meter(s) ruim verlopen was en/of terwijl de indicatie voor temperatuur en/of de indicatie voor CO op voornoemde meter(s) bleef/bleven knipperen, waarbij voornoemde meter(s) op leeftijd was/waren en/of voornoemde meter(s) defect en/of slecht onderhouden was/waren en/of

- hij en/of zijn mededader de rookgasafvoer onjuist heeft/hebben aangebracht en/of de rookgasafvoer onjuist heeft/hebben aangesloten op de ketel (waardoor die aansluiting onder hoge spanning is komen te staan en/of ter hoogte van die aansluiting een kier is ontstaan) en/of

- hij en/of zijn mededader de rookgasafvoer niet juist en/of niet conform de (veiligheids)voorschriften en/of de montagehandleiding heeft/hebben gebeugeld (immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader te weinig en/of minder dan voorgeschreven beugels gebruikt en/of heeft/hebben hij en/of zijn mededader een beugel van het verkeerde materiaal en/of van een ander materiaal (te weten metaal) dan het voorgeschreven materiaal (te weten kunststof) gebruikt) en/of

- hij en/of zijn mededader de ketel niet (correct) heeft/hebben ingesteld op propaangas en/of de instellingen heeft/hebben laten staan op de standaard fabrieksinstelling voor aardgas, terwijl hij en/of zijn mededader wist/wisten dat de gasleiding in de betreffende situatie werd gevoed met propaan, als gevolg waarvan koolmonoxide in grote hoeveelheden is vrijgekomen in die woning,

waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld en/of de schuld van zijn mededader te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een koolmonoxidevergiftiging heeft/hebben opgelopen waaraan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is/zijn overleden, terwijl dit werd gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep, te weten als loodgieter en/of (ketel)installateur."

2.3.2.

De verdachte is hiervan vrijgesproken. Deze vrijspraak is bij arrest van 19 augustus 2016 als volgt gemotiveerd:

"Op 21 respectievelijk 22 januari 2013 zijn [slachtoffer 1] en zijn zoon [slachtoffer 2] om het leven gekomen. Het overlijden van beide slachtoffers is veroorzaakt door een extreem hoge concentratie koolmonoxide in de woonkamer van de woning van [slachtoffer 1].

Het verwijt aan verdachte luidt dat het overlijden, telkens, het gevolg is geweest van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen van verdachte bij de aanleg van de centrale verwarmingsinstallatie in de woning van [slachtoffer 1] op 7 oktober 2012, te weten, kort samengevat:

- het niet lezen van de installatie- en servicehandleiding;

- het gebruik maken van een daartoe niet geschikte rookgasanalysemeter;

- het onjuist aanbrengen van de rookgasafvoer;

- het onjuist beugelen van de rookgasafvoer;

- het niet instellen van de ketel op propaangas.

Deze verwijten maken dat beoordeeld dient te worden of het overlijden van beide slachtoffers redelijkerwijs kan worden toegerekend aan een of meer van die gedragingen van verdachte. Van een dergelijke toerekening kan sprake zijn indien door die gedragingen het overlijden van beide slachtoffers is veroorzaakt (a) dan wel indien deze gedragingen het risico daarop in relevante mate hebben verhoogd (b).

a. Overlijden is veroorzaakt door gedragingen verdachte?

In het in deze zaak gewezen tussenarrest van 13 mei 2015 is het volgende (onder 4.) opgenomen:

Door verbalisanten is (dossierpagina 71 en volgende) beschreven de situatie die op 22 januari 2013 is aangetroffen. Van die situatie zijn ook foto's beschikbaar (onder andere: dossierpagina 147, foto 10 en 11). Uit dit onderzoeksmateriaal blijkt dat de rookgasafvoer op 22 januari 2013 hing op één beugel, welke beugel slechts middels één schroef aan een plafondbalk was bevestigd. Tussen rookgasafvoer en manchet van de ketel (waarin de rookgasafvoer diende te zijn ingebracht) was een kier aanwezig. Het hof noemt deze situatie: de eindsituatie.

Aan deze beschrijving van de eindsituatie kan nog worden toegevoegd dat in de rookgasafvoer condenswater aanwezig bleek te zijn en dat deze afvoer schuin omlaag hing, zoals zichtbaar op foto 10.

Vastgesteld wordt voorts dat de ketel draaide op propaangas maar was afgesteld op aardgas. Het gevolg daarvan was een extreem hoge productie van koolmonoxide.

Het via de beschreven kier vrijkomen van extreem veel koolmonoxide in de opstelruimte van de ketel welke vervolgens via kieren tussen opstelruimte en woonkamer in die woonkamer terechtkwam, heeft het overlijden van beide slachtoffers in de woonkamer veroorzaakt.

De bij deze stand van zaken relevante vraag is daardoor geworden of de beschreven eindsituatie is veroorzaakt door de gedragingen van verdachte dan wel het risico daarop door de gedragingen van verdachte in zodanig relevante mate is verhoogd dat het redelijk is het overlijden van beide slachtoffers toe te rekenen aan verdachte. Cruciaal gegeven binnen die eindsituatie is dat die ene beugel waarmee de rookgasafvoer was vastgezet was voorzien van twee schroefgaten maar (niettemin) slechts aan één zijde met een schroef was bevestigd aan een plafondbalk. Afgezien van overige aspecten van de zaak is daarom allereerst van belang de vraag of verdachte de installatie aldus heeft opgeleverd.

Over dat aspect van de zaak is in genoemd tussenarrest het volgende (onder 5. en 6.) overwogen:

De vraag is hoe de beginsituatie was, dat wil zeggen de situatie onmiddellijk na oplevering van de installatie door verdachte en zijn medeverdachte op 7 oktober 2012.

Het dossier bevat daarover geen informatie uit andere bron dan die van verdachte en zijn medeverdachte. Zij stellen:

- dat de rookgasafvoer is vastgezet met de beugel die zichtbaar is op foto 10, dossierpagina 147;

- dat die beugel is vastgezet op de plaats waar deze beugel zichtbaar is op genoemde foto 10;

- dat de beugel met twee schroeven is bevestigd en (daardoor) de rookgasafvoer omsloot;

- dat de rookgasafvoer was ingevoerd in de manchet van de ketel en wel zodanig dat deze werd omklemd door de in die manchet aanwezige (rubberen) afsluitring.

Bij gebreke van informatie die deze opgave van verdachte en zijn medeverdachte weerlegt gaat het hof ervan uit dat de beginsituatie was zoals door hen opgegeven. Daarnaast neemt het hof nu verdachte en zijn medeverdachte dat erkennen, tot feitelijk uitgangspunt dat geen gebruik is gemaakt van de door de fabrikant voorgeschreven beugels (maar slechts van die ene beugel die zichtbaar is op foto 10, dossierpagina 147) en dat niet op twee plaatsen is gebeugeld.

Er is geen reden om over de beginsituatie nu anders te oordelen dan ten tijde van het tussenarrest. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat het dossier zoals het thans is samengesteld nog steeds geen informatie bevat die de conclusie rechtvaardigt dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft nagelaten de beugel in kwestie met twee schroeven vast te zetten. Het enkele feit dat de desbetreffende schroef ontbrak - en meer is er niet - vormt een te wankele basis voor een zo vergaande conclusie.

De beschreven beginsituatie neemt het hof dus thans tot uitgangspunt voor verdere beoordeling. Om die verdere beoordeling mogelijk te maken is nadere rapportage nodig geoordeeld. In het tussenarrest is op dat punt (onder 7. en 8.) overwogen:

Door KIWA N.V. is, in de persoon van de deskundige ing. S.L.M. Lueb, onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van het uitstromen van rookgassen in de opstelruimte van de ketel en vervolgens in de woning. Dat heeft geleid tot een rapport van 5 april 2013 (dossierpagina 163 en volgende). Daarin wordt, onder andere, geconcludeerd (dossierpagina 174) dat de afwijkingen met betrekking tot de beugeling naar alle waarschijnlijkheid de oorzaak zijn van het losraken van de rookgasafvoer.

Het kan zijn dat de deskundige daarbij is uitgegaan van een beginsituatie zoals hiervoor omschreven. Helemaal duidelijk is dat echter voor het hof niet. Ook is niet duidelijk of het feit dat de beugel in de eindsituatie nog slechts met één schroef bevestigd bleek te zijn voorzien kan worden van een waarschijnlijkheidsoordeel over de vraag of het losraken van de bevestiging aan één zijde is veroorzaakt door de genoemde afwijkingen met betrekking tot de beugeling. Om die reden is het noodzakelijk dat aanvullende rapportage wordt uitgebracht door de deskundige.

De vraagstelling aan de deskundige luidt als volgt:

a. Het hof verzoekt u tot uitgangspunt te nemen de beginsituatie zoals hiervoor omschreven (vijfde alinea van dit hoofdstuk), inclusief hetgeen door verdachte en zijn medeverdachte is erkend, zoals eveneens hiervoor aangegeven (zesde alinea van dit hoofdstuk);

b. Kunt u op basis van dat feitelijk uitgangspunt een waarschijnlijkheidsoordeel geven over de vraag of deze beginsituatie de oorzaak is geweest van de, eveneens hiervoor omschreven, eindsituatie, daaronder begrepen het aan één zijde losraken van de beugel.

Ter uitvoering van deze opdracht is door de deskundige op 17 juli 2017 nader gerapporteerd. In dat rapport is door de deskundige de in het tussenarrest beschreven beginsituatie tot uitgangspunt genomen, waarna hij heeft geconcludeerd:

Als dit de beginsituatie is geweest van de aangelegde rookgasafvoerleiding dan is deze wijze van installeren hoogst waarschijnlijk de oorzaak van het losraken van de beugel aan een zijde én het losraken bij de aansluiting op het cv-toestel.

De conclusie van de deskundige is stellig, maar is deze ook zodanig onderbouwd dat deze kan worden overgenomen door het hof? Die vraag wordt beantwoord aan de hand van de in het rapport gegeven toelichting én de ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2016 door de deskundige gegeven nadere toelichting.

In het rapport is de conclusie onderbouwd met de mededeling dat de rookgasafvoerleiding "vanuit de beschreven beginsituatie naar de beschreven eindsituatie" hoogst waarschijnlijk is losgeraakt door een combinatie van de volgende factoren: het niet toepassen van de originele bevestigingsbeugel, de toepassing van slechts één bevestigingsbeugel (waar er in ieder geval twee waren voorgeschreven), het op spanning monteren van de rookgasafvoerleiding en de hogere rookgastemperaturen dan normaal.

Die toelichting poneert wel - en herhaalt in wezen de in het eerdere rapport van de deskundige opgenomen conclusie - dat de afwijkingen met betrekking tot de beugeling van de rookgasafvoerleiding, in combinatie met het op spanning gemonteerd zijn daarvan en de hoge rookgastemperaturen, de oorzaak waren van het losraken van de beugel aan één zijde, maar maakt niet inzichtelijk waarom en hoe dat losraken dan in zijn werk is gegaan. Om die reden is de deskundige op dat aspect ter terechtzitting van het hof nader bevraagd. De toen gegeven nadere uiteenzettingen van de deskundige hebben op dit punt echter niet de gevraagde duidelijkheid gebracht. De deskundige heeft weliswaar gesteld dat deze factoren hebben gemaakt dat de rookgasafvoerleiding aan meer uitzet- en krimpbewegingen onderhevig is geweest dan bij montage conform fabrieksvoorschrift en bij instelling van de ketel op propaangas het geval zou zijn geweest, maar dat de aldus op de rookgasafvoerleiding en de aan twee zijden vastgeschroefde beugel uitgeoefende krachten zodanig groot zijn geweest dat die beugel daardoor aan één zijde los is komen te zitten kon vanuit zijn deskundigheid niet voldoende worden onderbouwd. In het algemeen en ook in deze zaak geldt dat conclusies van deskundigen betrouwbaar en navolgbaar moeten zijn. In deze zaak heeft de deskundige in zijn rapportage niet uitgelegd hoe de door hem genoemde uitzet- en krimpbewegingen in combinatie met de verhoogde rookgastemperaturen tot het gevolg hebben kunnen leiden dat een van de schroeven van de aanwezige beugel is losgekomen. Hierbij is in aanmerking genomen de (forse) lengte en dikte van die ene aangetroffen schroef zoals afgebeeld op foto 20 (pagina 152) - aangenomen dat verdachte twee dezelfde schroeven heeft aangebracht - en de constatering in het proces-verbaal 'sporenonderzoek' (pagina 140) dat geen versplintering van het hout ter plaatse van het schroefgaatje te zien was zoals te verwachten zou zijn wanneer een schroef met geweld zou zijn losgetrokken. Relevant in dat verband is ook dat de deskundige zelf heeft verklaard dat hij onvoldoende deskundigheid bezit op het gebied van de berekening van (dergelijke) krachten en de werking daarvan op schroeven in hout.

Bij deze stand van zaken is het niet verantwoord de stellige conclusie van de deskundige over te nemen. Gevolg daarvan is dat het dossier en het onderzoek ter terechtzittingen (eerste aanleg en hoger beroep) onvoldoende gegevens bevat voor de conclusie dat de beschreven eindsituatie, welke heeft geleid tot de dood van de beide slachtoffers, is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte. Toerekening van dat overlijden aan verdachte op de grond dat het overlijden is veroorzaakt door de gedragingen van verdachte is dus niet redelijk.

b. Is het risico op overlijden in relevante mate verhoogd door de gedragingen van verdachte?

Aan de orde is dan de vraag of het risico op overlijden van de beide slachtoffers in relevante mate is verhoogd door de gedragingen van verdachte.

Uit de rapportage van de deskundige, diens ter terechtzittingen (eerste aanleg en hoger beroep) gegeven toelichting, het politieonderzoek en de verklaringen van verdachte is duidelijk geworden dat bij de installatie door verdachte op onderdelen niet is gehandeld overeenkomstig de installatie- en servicehandleiding van de fabrikant:

- de gebruikte beugel was niet de van fabriekswege voorgeschreven kunststofbeugel;

- er is volstaan met het aanbrengen van één beugel waar fabrieksvoorschrift tenminste het aanbrengen van twee beugels vereiste;

- de rookgasafvoerleiding is onder enige spanning gemonteerd;

- verzuimd is de ketelafstelling te wijzigen van aardgas naar propaangas met als gevolg aanmerkelijk hogere rookgastemperaturen en extreem hoge productie van koolmonoxide.

Daarbij komt dat verdachte de installatie- en servicehandleiding niet heeft gelezen en een ongeschikte gasanalysemeter heeft gebruikt.

Vastgesteld kan voorts worden dat de van fabriekswege verstrekte installatie- en servicehandleiding in feite belangrijke veiligheidsvoorschriften bevat. Correcte montage is immers van groot belang in verband met de veiligheid van personen bij het gebruik van een apparaat dat hoe dan ook (dus: ook bij correcte afstelling) een dodelijk rookgas produceert. In dit verband is ook van belang dat verdachte als vakman, ook al was hij geen "erkend installateur", bij uitstek de verantwoordelijkheid had voor correcte installatie. Deze beide aspecten maken dat voor toerekening eerder aanleiding bestaat dan in situaties waarin niet de veiligheid van personen in het geding is en/of installatie niet door een vakman geschiedt.

Met de constateringen uit de voorgaande twee alinea's is echter nog niet bewezen dat de gedragingen van verdachte het risico op het ontstaan van de beschreven eindsituatie in zodanig relevante mate hebben verhoogd dat het op die grond redelijk is het overlijden van beide slachtoffers toe te rekenen aan verdachte. Om die reden worden de diverse gedragingen nader beschouwd.

De deskundige en de forensisch onderzoeker van de politie hebben verklaard dat bij het verbrandingsproces in een centrale verwarmingsketel koolmonoxide vrijkomt en dat koolmonoxide, bij vrijkomen daarvan in een onvoldoende geventileerde ruimte, dodelijk kan zijn.

Een ketel als die welke door verdachte geïnstalleerd is produceert in een normale situatie 100 tot 200 ppm CO2. De geïnstalleerde ketel produceerde, doordat verdachte verzuimd had de afstelling ervan aan te passen van aardgas naar propaangas, 20.000 ppm3. Met name dit laatste gegeven maakt onmiddellijk inzichtelijk dat het risico op overlijden ernstig verhoogd werd indien en zodra het rookgas kon vrijkomen in de opstelruimte en daardoor (via verbindingskieren) in de woonkamer van de woning in kwestie. De kans op dat vrijkomen werd echter op zichzelf door de verkeerde ketelafstelling en de daardoor verhoogde productie van koolmonoxide niet vergroot. Ook het gegeven dat bij die verbranding hogere rookgastemperaturen ontstonden dan bij correcte afstelling van de ketel is, als zelfstandige factor bezien, onvoldoende om te oordelen dat het risico op vrijkomen van rookgas (en dus koolmonoxide) in de opstelruimte werd vergroot. De deskundige heeft op dit punt ter terechtzitting van het hof immers verklaard dat bij correcte montage van de rookgasafvoerleiding de hetere rookgassen, inclusief de daarin aanwezige extreem hoge hoeveelheden koolmonoxide, via de rookgasafvoerleiding naar buiten zouden zijn afgevoerd.

Dat maakt dat als meest relevante gedragingen over blijven het beugelen met één beugel in plaats van twee, het gebruiken van een niet door de fabriek voorgeschreven kunststofbeugel en het op enige spanning monteren van de rookgasafvoerleiding. Voor de conclusie dat deze gedragingen het risico op het ontstaan van de eindsituatie (en daarmee de dood van de slachtoffers) in relevante mate hebben verhoogd is in de rapporten en verklaringen van de deskundige geen betrouwbare en navolgbare onderbouwing te vinden. Ook algemene ervaringsregels bieden die onderbouwing niet. Dát het feitelijk is mis gegaan is voorts geen bewijs. Als cruciale factor voor dat mis gaan is hiervoor immers al aangewezen het losraken aan een zijde van de beugel, maar uiteindelijk bevat het dossier onvoldoende gegevens voor de conclusie dat dit losraken veroorzaakt werd door de nu besproken gedragingen.

Ook de conclusie dat de gedragingen van verdachte het risico op de beschreven eindsituatie in zodanig relevante mate hebben verhoogd dat het op die grond redelijk is het overlijden van beide slachtoffers toe te rekenen aan verdachte kan gelet op voorgaande overwegingen op deze grond niet worden getrokken.

Slotsom

De slotsom is dat verdachte de centrale verwarmingsketel van [slachtoffer 1] niet heeft ingesteld op propaangas, de rookgasafvoerleiding niet volgens de fabrieksvoorschriften heeft aangelegd, de installatie- en servicehandleiding niet heeft gelezen en een ongeschikte gasanalysemeter heeft gebruikt, maar dat niet bewijsbaar is dat die gedragingen het overlijden van beide slachtoffers hebben veroorzaakt en evenmin dat die gedragingen het risico op dat overlijden in zodanige mate hebben verhoogd dat toerekening van dat overlijden aan (de gedragingen van) verdachte redelijk maakt. Dat betekent dat vrijspraak moet volgen."

2.4.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken terecht tot dat oordeel is gekomen. De selectie en waardering van het beschikbare materiaal is, binnen de door de wet getrokken grenzen, voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De op grond van deze selectie en waardering gegeven beslissing dat vrijspraak moet volgen, welke beslissing - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Een nadere motivering van de vrijspraak maakt de gegeven beslissing niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480).

2.5.

Het Hof heeft de vraag of causaal verband bestaat tussen de tenlastegelegde gedragingen en de letale koolmonoxidevergiftigingen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben opgelopen, ontkennend beantwoord aan de hand van de maatstaf of die koolmonoxidevergiftigingen redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan de verdachte en zijn medeverdachte kunnen worden toegerekend. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is – mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld en hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent een wijziging van de bevestiging van de afvoer, die zich moet hebben voltrokken tussen het tijdstip waarop de ketel door de verdachte en zijn medeverdachte is geïnstalleerd en het tijdstip waarop de koolmonoxide vrijkwam – niet onbegrijpelijk.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-presiden W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2018.