Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:438

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
16/04686
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:236
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:2630, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen begunstiging door lijk te verslepen en in tapijt te wikkelen, art. 189.1.2 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AX5766 m.b.t. strekking van strafbaarstelling van art. 189.1.2 Sr. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte, nadat A door misdrijf om het leven was gebracht, het lichaam van A heeft versleept en dat lichaam in een tapijt heeft gewikkeld, althans daarbij heeft geholpen. Het daarop berustende oordeel dat verdachte en haar mededader sporen van het misdrijf hebben weggemaakt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. V.zv. het middel berust op de opvatting dat moet worden vastgesteld welke sporen zijn weggemaakt en op welke wijze daardoor het onderzoek werd bemoeilijkt, stelt het een eis die het recht niet kent. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:239.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0143
NJB 2018/766
RvdW 2018/460
NJ 2018/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 maart 2018

Strafkamer

nr. S 16/04686

LBS/JHO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 september 2016, nummer 22/000971-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte sporen van het misdrijf heeft weggemaakt.

2.2.1.

Overeenkomstig het tenlastegelegde is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"zij op of omstreeks 12 maart 2011 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, nadat er op 12 maart 2011 te Amsterdam, een misdrijf, te weten de overtreding van artikel 289 of 288/287 of 312 en/of 317 Wetboek van Strafrecht, was gepleegd, met het oogmerk om de nasporing of vervolging van dat misdrijf te bemoeilijken, sporen van dat misdrijf heeft weggemaakt, immers heeft verdachte en/of haar mededader

- het lichaam van [slachtoffer] versleept en

- het lichaam van [slachtoffer] in een tapijt gewikkeld en/of helpen wikkelen."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

"In de ochtend van 13 maart 2011 is in de woning van de verdachte het levenloze lichaam van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) aangetroffen, gewikkeld in een tapijt. Uit onder meer het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel blijkt dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gekomen.

(...)

Gelet op het sporenbeeld acht het hof (...) wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan de meest subsidiair ten laste gelegde begunstiging. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In bemonsteringen van verschillende delen van de kleding van [slachtoffer], te weten de binnenzijden van de steekzakken van de broek, (de onderzijde van) de broekspijpen en de sokken, is celmateriaal van de verdachte en van anderen aangetroffen. Het NFI concludeert dat de bevindingen van het DNA onderzoek aan genoemde bemonsteringen (zeer) (veel) waarschijnlijker zijn wanneer de verdachte de kledingstukken heeft aangeraakt (direct contact), dan wanneer het celmateriaal van de verdachte via indirect contact op de kledingstukken terecht is gekomen. De verdachte heeft verklaard dat zij geen lijk (van [slachtoffer]) heeft gezien en dat de DNA sporen zijn aangetroffen doordat zij wel eens broeken van [slachtoffer] heeft gestreken. Deze ogenschijnlijk adequate verklaring voor een verdachte die vergeetachtig en in de war zegt te zijn acht het hof niet aannemelijk geworden. Familieleden van [slachtoffer] hebben verklaard dat [slachtoffer] zijn kleding naar de wasserette bracht en voor strijkwerkzaamheden door verdachte biedt het dossier geen enkele steun. Bovendien zou dit slechts een verklaring zijn voor een deel van de aangetroffen DNA sporen van de verdachte, te weten de sporen op de broek van [slachtoffer]. De DNA sporen van de verdachte op de sokken van [slachtoffer] zijn daarmee niet verklaard.

Daarnaast is op de onderzijde van het tapijt waarin het lichaam van [slachtoffer] was gewikkeld, welke zijde op het moment van aantreffen van het lichaam naar boven lag gekeerd, een fragment van een met bloed gezette schoenzoolafdruk aangetroffen. Het DNA-profiel in de bemonstering van deze afdruk matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Onderzoek heeft uitgewezen dat genoemde schoenzoolafdruk is veroorzaakt door schoeisel, voorzien van een soortgelijk profiel als het profiel van de slippers die na de aanhouding van verdachte bij haar in beslag zijn genomen, waarbij de linker slipper als meest mogelijke veroorzaker kan worden aangemerkt. Geen van het overige tijdens het onderzoek aangetroffen schoeisel kwam overeen met de afdruk. Op de onderzijde van genoemde linker slipper van de verdachte is bloed aangetroffen. In de bemonstering daarvan is celmateriaal van [slachtoffer] aangetroffen.

Gelet op het vorenstaande, en dan in het bijzonder gelet op de plaats van de aangetroffen sporen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft versleept en het lichaam van [slachtoffer] in een tapijt heeft gewikkeld, althans daarbij heeft geholpen, waarbij zij haar slipper op de omgeslagen onderzijde van dat tapijt heeft gezet. (...)

Omdat de aangetroffen sporen zijn te herleiden tot zowel de verdachte als anderen, gaat het hof er van uit dat verdachte voornoemde handelingen heeft verricht met een ander. De verdachte heeft door aldus te handelen (dader)sporen weggemaakt, met het oogmerk om de nasporing of vervolging van het misdrijf, ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen, te bemoeilijken. Het moet voor de verdachte volstrekt duidelijk zijn geweest dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gebracht. Zij moet hebben beseft dat haar handelen als noodzakelijk en dus door haar gewild gevolg meebracht dat sporen van dat misdrijf zouden verdwijnen."

2.3.1.

Het tenlastegelegde is toegesneden op art. 189, eerste lid onder 2°, Sr. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip "sporen van dat misdrijf heeft weggemaakt" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

2.3.2.

Art. 189, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr luidt:

"Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

2°. hij die nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt."

2.3.3.

De strafbaarstelling van art. 189, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr strekt ertoe te voorkomen dat politie en justitie worden tegengewerkt bij het opsporen van een misdrijf, door het buiten hun bereik stellen van "iets wat als aanwijzing van schuld of een gepleegd misdrijf kan strekken" (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1891, p. 189). Van zo een tegenwerken is sprake in geval van het aanbrengen van zodanige wijzigingen in de aangetroffen situatie op de plaats van een misdrijf dat daardoor sporenonderzoek wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt (vgl. HR 22 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5766, NJ 2006/563).

2.4.

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte, nadat [slachtoffer] door misdrijf om het leven was gebracht, het lichaam van die [slachtoffer] heeft versleept en dat lichaam in een tapijt heeft gewikkeld, althans daarbij heeft geholpen. Het daarop berustende oordeel dat de verdachte en haar mededader sporen van het misdrijf hebben weggemaakt, getuigt - mede in aanmerking genomen hetgeen onder 2.3 is vooropgesteld - niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel berust op de opvatting dat moet worden vastgesteld welke sporen zijn weggemaakt en op welke wijze daardoor het onderzoek werd bemoeilijkt, stelt het een eis die het recht niet kent.

2.5.

Het middel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2018.