Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:43

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
17/02590
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1452, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Stempelvonnis, art. 395a.1 Sv. Klacht over ontbrekend p-v tz. Ktr waarin vonnis is aangetekend zoals voorgeschreven in art. 395.2 Sv. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437.2 Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. 4.8.2 Procesreglement HR). I.c. is niet gebleken dat de raadsman m.b.t. het stuk een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Volgt niet-ontvankelijkverklaring ex art. 80a RO. CAG (anders): Verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ttz. en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:951 (conversiebeslissing).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/273
RvdW 2018/183
NBSTRAF 2018/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 januari 2018

Strafkamer

nr. S 17/02590

NA/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, sector Kanton, van 28 april 2015, nummer 96/009207-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, sector Kanton, opdat de zaak op de inleidende dagvaarding opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken weliswaar bevindt een door de Kantonrechter in de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewaarmerkte aantekening als bedoeld in art. 395a, eerste lid, Sv (een zogenoemd stempelvonnis) inhoudende dat de verdachte ter zake van "Overtreding van het bepaalde bij artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Cranendonck 2010 (2e wijziging)" schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet het proces-verbaal van terechtzitting van de Kantonrechter waarin het vonnis is aangetekend zoals is voorgeschreven in art. 395, tweede lid, Sv.

2.2.

Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. 4.8.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden). In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman met betrekking tot het in het middel genoemde stuk een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

2.3.

Gelet hierop zal de Hoge Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2018.