Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:395

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
16/05885
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:33
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen A en B. N-o verklaard klaagschrift op de grond dat klaagschrift niet is ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Vervolgde zaak a.b.i. art. 552a.3 Sv? In cassatie wordt niet geklaagd over het oordeel Rb dat "niet gebleken is van andere f&o dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd welke bij beslissing van 13 augustus 2013 ongegrond verklaard is, zodat klager gelet hierop al n-o is in zijn beklag". Dat oordeel draagt de n-o verklaring zelfstandig. In cassatie wordt verder betoogd dat de Rb ten onrechte art. 552a lid 4 i.p.v. lid 3 Sv heeft toegepast, nu "tegen A naast een strafzaak ook een ontnemingsprocedure liep, loopt of heeft gelopen, in het kader waarvan een RC een beslissing heeft genomen zodat er minst genomen sprake is geweest van een vervolging”. HR overweegt n.a.v. de in de CAG de AG opgeworpen vraag of i.c. sprake is van een 'vervolgde zaak' a.b.i. art. 552a.3 Sv: in haar algemeenheid is onjuist de opvatting dat van een vervolgde zaak i.d.z.v. art. 552a.3 Sv sprake is op de enkele grond dat voor het ex art. 103 Sv onder een ander dan klager gelegde conservatoire beslag een op vordering van de OvJ door de RC verleende schriftelijke machtiging was vereist. Het kennelijke oordeel van de Rb dat i.c. geen sprake is geweest van een vervolging a.b.i. art. 552a.3 Sv (die dan in de zaak tegen A nog niet tot een einde zou zijn gekomen) geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/705
NBSTRAF 2018/185
RvdW 2018/419
NJ 2018/172
SR-Updates.nl 2018-0129
JOW 2018/11
NbSr 2018/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 maart 2018

Strafkamer

nr. S 16/05885 B

VPe/MM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 23 november 2016, nummer RK 16/2344, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beklag omdat het klaagschrift niet is ingediend binnen twee jaren na de inbeslagneming.

2.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Feiten

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de tegen de belanghebbenden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gerezen verdenking van witwassen is op 28 februari 2012 een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type CLS 320 CDI coupe, en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] (hierna: de auto) in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv. Op 13 augustus 2013 is het beklag ten aanzien van de Mercedes-Benz, type CLS 320 CDI Coupe, en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] ongegrond verklaard (Raadkamernummer 12/1015). Tegen deze beslissing heeft klager geen cassatie ingesteld.

Inhoud van de klacht

Het klaagschrift, zoals bij de openbare behandeling nader toegelicht, strekt tot opheffing van het beslag met last tot compensatie van het geschatte waardebedrag van de auto van circa € 32.000,=. Daartoe is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat klager niet veroordeeld is. Klager voorafgaand aan de aanschaf van de auto aantoonbaar inkomsten heeft gehad. Klager door koop de eigenaar van de auto is, dat hij geen afstand van de auto heeft gedaan en hij deze auto ook niet door enig strafbaar feit heeft gekregen of onttrokken aan een rechthebbende. Een getuige [betrokkene 3] de koop van de auto door klager kan bevestigen. De rechtbank in de beschikking van 13 augustus 2013 ten onrechte geoordeeld heeft dat klager redelijkerwijs niet als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt. In de zaak van [betrokkene 1] het openbaar ministerie voornemens is de zaak te seponeren. De auto volgens informatie van het openbaar ministerie reeds vervreemd is.

(...)

Ontvankelijkheid

Het klaagschrift is niet ingediend binnen de termijn van 2 jaren na de inbeslagneming (artikel 552a, vierde lid, Sv). Om deze reden zal de klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de rechtbank niet gebleken is van andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd welke bij beslissing van 13 augustus 2013 ongegrond verklaard is, zodat klager gelet hierop al niet-ontvankelijk is in zijn beklag."

2.3.

Het middel klaagt niet over het oordeel van de Rechtbank dat "niet gebleken is van andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd welke bij beslissing van 13 augustus 2013 ongegrond verklaard is, zodat klager gelet hierop al niet-ontvankelijk is in zijn beklag". Dat oordeel van de Rechtbank draagt de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag zelfstandig. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

2.4.

In de toelichting op het middel is betoogd dat de Rechtbank ten onrechte art. 552a, vierde lid, Sv heeft toegepast in plaats van art. 552a, derde lid, Sv, nu "tegen [betrokkene 1] naast een strafzaak ook een ontnemingsprocedure liep, loopt of heeft gelopen, in het kader waarvan een rechter-commissaris een beslissing heeft genomen zodat er minst genomen sprake is geweest van een vervolging". Dit betoog heeft de Advocaat-Generaal aanleiding gegeven de vraag op te werpen of in de onderhavige zaak sprake is van een 'vervolgde zaak' in de zin van art. 552a, derde lid, Sv.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

2.5.

Art. 552a, derde en vierde lid, Sv luidt:

"3. Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking is geschied. De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift of het verzoek een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift of het verzoek ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid."

2.6.

De klacht van het middel berust op de opvatting dat van een vervolgde zaak in de zin van art. 552a, derde lid, Sv sprake is op de enkele grond dat voor het op de voet van art. 103 Sv onder een ander dan de klager gelegde conservatoire beslag een op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris verleende schriftelijke machtiging was vereist. Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist. Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van een vervolging als bedoeld in art. 552a, derde lid, Sv (die dan in de zaak tegen [betrokkene 1] nog niet tot een einde zou zijn gekomen), geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2018.