Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:394

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
16/05436
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:62
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Diefstal met braak, art. 311.1.5 Sr. Geldigheid dagvaarding. Bestanddeel ‘goederen’ in de tll. niet nader omschreven. Het Hof heeft geoordeeld dat de tll., ook wat betreft het in het verweer bedoelde onderdeel 'goederen', voldoende duidelijk en feitelijk omschreven is. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel van het Hof, dat daarbij de inhoud van het dossier heeft kunnen betrekken, is ook niet onbegrijpelijk en, mede gelet op het verweer - dat niet inhoudt dat onduidelijk is van welke inbraak verdachte een verwijt wordt gemaakt, doch slechts dat de bij die inbraak ontvreemde goederen niet nader zijn omschreven -, toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/704
RvdW 2018/418
NJ 2018/171
SR-Updates.nl 2018-0126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 maart 2018

Strafkamer

nr. S 16/05436

VPe/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 april 2016, nummer 22/003076-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

2.2.1.

Aan de verdachte is onder 4 tenlastegelegd dat:

"primair:

hij op of omstreeks 03 december 2011 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, om (ongeveer) 22.00/23.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [a-straat], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere goeder(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair:

hij op of omstreeks 03 december 2011 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, in elk geval in Nederland, een of meerdere goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof."

2.2.2.

Daarvan is bewezenverklaard dat:

"hij op 03 december 2011 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, in een woning gelegen aan de [a-straat], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen meerdere goederen, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak."

2.3.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat het onder 4 ten laste gelegde feit onvoldoende feitelijk is omschreven, nu de goederen die zouden zijn weggenomen niet nader gespecificeerd zijn, zodat niet duidelijk is waartegen de verdachte zich heeft te verdedigen.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat de dagvaarding voor wat dit gedeelte betreft nietig is, overweegt het hof als volgt.

Het hof is van oordeel dat de omschrijving van het onder 4 ten laste gelegde voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De omschrijving van het feit is bezien tegen de achtergrond van het dossier voldoende duidelijk en feitelijk. De dagvaarding is daarom - en ook overigens - geldig."

2.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat de tenlastelegging onder 4, ook wat betreft het in het verweer bedoelde onderdeel 'goederen', voldoende duidelijk en feitelijk omschreven is. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel van het Hof, dat daarbij de inhoud van het dossier heeft kunnen betrekken, is ook niet onbegrijpelijk en, mede gelet op het verweer - dat niet inhoudt dat onduidelijk is van welke inbraak de verdachte een verwijt wordt gemaakt, doch slechts dat de bij die inbraak ontvreemde goederen niet nader zijn omschreven -, toereikend gemotiveerd.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2018.