Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:330

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
16/03369
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1585
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanhoudingsverzoek raadsvrouwe op de grond dat zij verhinderd is wegens andere zaak voorafgaand aan tz. per e-mail gedaan en afgewezen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AT5663 inhoudende dat de uiteindelijke beslissing op een aanhoudingsverzoek ttz. dient te worden genomen en in het p-v van die tz. dient te worden vastgelegd. P-v van de tz. in h.b. houdt niet in een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing van het Hof omtrent het verzoek van de raadsvrouwe tot uitstel van de behandeling, noch dat het OM omtrent dat verzoek is gehoord, maar houdt alleen in als mededeling van de voorzitter van het Hof dat een door de raadsvrouwe gedaan verzoek om aanhouding voorafgaand aan de tz. is afgewezen. Verzuim van Hof om ttz. te beslissen heeft nietigheid van het onderzoek ttz. en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/653
NBSTRAF 2018/176
RvdW 2018/388
SR-Updates.nl 2018-0112 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NbSr 2018/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 maart 2018

Strafkamer

nr. S 16/03369

AJ/SK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 februari 2016, nummer 23/001671-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer over de afwijzing door het Hof van het voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouwe van de verdachte per e-mailbericht gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak in verband met haar verhindering.

2.2.1.

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een aan de voorzitter van het Hof gericht e-mailbericht van mr. J. Verstegen, raadsvrouwe van de verdachte, van 2 februari 2016, onder meer inhoudende:

"Op 10 februari a.s. (de Hoge Raad begrijpt: 4 februari 2016) te 10.00 uur staat de behandeling van opgemelde zaak gepland. Ik zou u willen verzoeken om de zaak aan te houden. Helaas ben ik in de ochtend verhinderd om cliënt ter terechtzitting bij te staan in verband met een raadkamer gevangenhouding van een gedetineerde cliënt bij de rechtbank in Den Haag. Mij laten vervangen door een kantoorgenoot is agendatechnisch helaas niet mogelijk gebleken, nog afgezien van het gegeven dat ik in beide zaken de voorkeursadvocaat ben en cliënten mijn persoonlijke rechtsbijstand wensen. In raadkamer bij de rechtbank zal gemotiveerd om opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis dienen te worden verzocht in verband met een beroep op noodweer(exces). U begrijpt wellicht dat de aard van die zaak (drie maal poging doodslag) ook meebrengt dat een waarneming op deze korte termijn niet te realiseren is. De verdachte in opgemelde zaak is niet voorlopig gehecht, doch aan hem is in eerste aanleg ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd, terwijl die straf nog niet is uitgezeten. Ook de belangen van [verdachte] zijn dus groot te noemen.

Op grond van het bovenstaande verzoek ik u de behandeling van de zaak aan te houden. Ik begrijp dat dit vervelend is, maar ik zie helaas geen andere mogelijkheid."

2.2.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2016 houdt in dat de verdachte en zijn raadsvrouwe aldaar niet zijn verschenen. Het proces-verbaal houdt voorts het volgende in:

"De voorzitter deelt als volgt mee.

De raadsvrouw heeft op 2 februari 2016 per e-mail verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. Getracht is de zaak naar vanmiddag te verplaatsen, hetgeen niet mogelijk was voor de raadsvrouw. Het verzoek tot aanhouding is daarom afgewezen en aan de verdediging is te kennen gegeven dat de strafzaak op het aanvankelijke, met de raadsvrouw overeengekomen tijdstip zal worden behandeld. Het hof heeft hierop geen reactie van de raadsvrouw meer ontvangen. Het e-mailbericht van de verdediging is aan het dossier toegevoegd."

2.2.3.

Blijkens dat proces-verbaal is vervolgens verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden en is het gesloten. Het Hof heeft de verdachte bij arrest van 4 februari 2016 op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2.3.

Uit het samenstel van de bepalingen in de art. 278, derde en vierde lid, 329, 330 en 331, eerste lid, Sv, die ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat op een verzoek van de verdachte om uitstel van de behandeling als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv ter terechtzitting moet worden beslist - nadat het openbaar ministerie omtrent dat verzoek is gehoord - en dat het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen met nietigheid is bedreigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de op de voet van art. 279, eerste lid, Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Ook dan zal het proces-verbaal van de terechtzitting op straffe van nietigheid een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op het verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds de verdachte, mede gelet op hetgeen voor hem op het spel staat, en anderzijds die van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen.

Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopig oordeel van het gerecht omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd (vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NJ 2007/454).

2.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt niet in een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing van het Hof omtrent het verzoek van de raadsvrouwe tot uitstel van de behandeling, noch dat het Openbaar Ministerie omtrent dat verzoek is gehoord. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt alleen in als mededeling van de voorzitter van het Hof dat een door de raadsvrouwe van de verdachte gedaan verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak voorafgaand aan de terechtzitting is afgewezen. Het verzuim van het Hof om ter terechtzitting te beslissen heeft, naar voortvloeit uit hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak tot gevolg.

2.5.

Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2018.