Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:284

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
16/06180
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1260
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:4401, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Onder(ver)huur. Schiet hoofdhuurder die onbevoegd is (geworden) tot onderverhuur tekort in de nakoming jegens zijn onderhuurder, of kan hij het genot van de zaak (nog) aan de onderhuurder verschaffen? Art. 7:201, 7:203 en 7:204 BW. Ontbinding op de voet van art. 6:80 BW in zodanig geval. Wie heeft aanspraak op de (gebruiks)vergoeding van art. 7:225 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/503
RCR 2018/42
JOR 2018/169 met annotatie van Prof. Mr. J.J. van Hees
RvdW 2018/449
RI 2018/35
NJ 2018/180
WR 2018/121 met annotatie van E.E. van der Kamp
TvPP 2018, afl. 3, p. 94
VGR 2018, afl. 3, p. 62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 februari 2018

Eerste Kamer

16/06180

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

mr. Jan Jaap SCHELLING, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Runner Truck Lease & Rental B.V.,

wonende te Rotterdam,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

t e g e n

1. [verweerster 1],

2. [verweerster 2],
beide gevestigd te [vestigingsplaats],

3. KAV AUTOVERHUUR B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator, verweerders onder 1 en 2 gezamenlijk als [verweerster] en verweerder sub 3 als KAV.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 2768808 CV EXPL 14-5935 van de kantonrechter te Rotterdam van 15 augustus 2014 en 5 juni 2015;

b. het arrest in de zaak 200.177.128/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 september 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] en KAV is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot:

  • -

    verwerping voor zover het cassatieberoep is gericht tegen het arrest in de procedure tegen [verweerster].

  • -

    vernietiging en verwijzing voor zover het cassatieberoep is gericht tegen het arrest in de procedure tegen KAV.

De advocaat van de curator heeft bij brief van 24 november 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Runner Truck Lease & Rental B.V. (hierna: RTL) is een onderneming die zich toelegde op de lease en verhuur van motorvoertuigen voor de zakelijke markt. Op 11 december 2012 is RTL in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig.

(ii) Op het moment van faillietverklaring liepen nog verscheidene huur- en leaseovereenkomsten tussen RTL en haar afnemers, waaronder [verweerster] en KAV.

(iii) RTL had op 1 februari 2008 overeenkomsten gesloten met [verweerster] met betrekking tot het leasen van vier voertuigen. Paccar Financial Nederland B.V. (hierna: Paccar) is eigenares van deze voertuigen. Op 30 november 2012 is de overeenkomst tussen Paccar en RTL beëindigd.

(iv) Bij brief van 3 december 2012 heeft Paccar de voertuigen bij [verweerster] opgeëist. [verweerster] heeft met Paccar een nieuwe leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot de voertuigen. Daarin is bepaald dat deze overeenkomst per 1 maart 2013 ingaat.

(v) Bij fax van 13 mei 2014 heeft [verweerster] de overeenkomsten met RTL per 30 november 2012 ontbonden.

(vi) RTL heeft op 9 juli 2012 aan KAV een voertuig verhuurd. Bij brief van 3 december 2012 heeft de eigenaar van het voertuig, MAN Lease (hierna: MAN), de leaseovereenkomsten met RTL, waaronder die met betrekking tot genoemd voertuig, ontbonden.

3.2.1

In dit geding vordert de curator veroordeling van [verweerster] en KAV tot betaling van onbetaald gebleven lease-, respectievelijk huurtermijnen, wat [verweerster] betreft tot en met april 2013, de periode die volgens de curator is verstreken tot de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde overeenkomst tussen [verweerster] en Paccar van kracht is geworden, wat KAV betreft tot 18 maart 2013, de dag waarop volgens de curator MAN de gehuurde auto in beheer heeft genomen. Subsidiair vordert de curator veroordeling van [verweerster] tot betaling van een gebruiksvergoeding voor de periode na 30 november 2012 gedurende welke [verweerster] het huurgenot van de voertuigen heeft gehad.

3.2.2

De kantonrechter heeft beide vorderingen afgewezen.

Zij honoreerde het verweer van [verweerster], inhoudende, kort gezegd, dat RTL en de curator toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de huur- en leaseovereenkomsten aangezien zij, vanaf het moment dat de (hoofdlease)-overeenkomst tussen Paccar en RTL eindigde, niet langer het huur-/leasegenot aan [verweerster] konden verschaffen. De kantonrechter verwees daartoe naar een passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van Titel 7.4 BW, luidende:

“Voor de geldigheid van een huurovereenkomst is niet vereist dat de verhuurder eigenaar van de zaak of uit anderen hoofde in staat is aan de huurder het overeengekomen gebruik te doen hebben. (…)

De bevoegdheid tot gebruik van het gehuurde komt de huurder slechts gedurende de huurtijd toe. Indien de huurder bevoegd was tot onderhuur, eindigt ook deze bevoegdheid met de hoofdhuur. Het einde van de hoofdhuur brengt niet tegelijk ook de onderhuur tot een einde, zij het dat de hoofdhuurder (…) nadien niet meer in staat is het gebruik van de zaak aan de onderhuurder te verschaffen. Hij zal derhalve vanaf het einde van de hoofdhuur jegens de onderhuurder [een] toerekenbare tekortkoming in de nakoming plegen totdat ook de onderhuur is geëindigd (…).” (Kamerstukken II, 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 34)

De afwijzing van de vordering tegen KAV grondde de kantonrechter hierop dat de stelling van KAV dat zij het voertuig op 5 december 2012 aan MAN heeft overgedragen, door de curator onvoldoende is betwist.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis in de beide zaken bekrachtigd.

Met betrekking tot de vordering tegen [verweerster] heeft het hof zich aangesloten bij het oordeel van de kantonrechter en geoordeeld dat [verweerster] gerechtigd was de overeenkomst per 30 november 2012 te ontbinden (rov. 7).

Het hof overwoog (rov. 6):

“(…) De in het betoog van de curator centraal staande opvatting dat RTL als onderverhuurder niet tekort schiet in de nakoming van haar verplichting aan [verweerster] als onderhuurder het verhuurde in gebruik te verstrekken als de hoofdhuur is geëindigd, strookt niet met de Memorie van Toelichting die duidelijk is op dit punt: Het einde van de hoofdhuur brengt niet tegelijk ook de onderhuur tot een einde, zij het dat de hoofdhuurder de onderhuurder nadien niet meer het gebruik van de zaak kan verschaffen. Hij zal derhalve vanaf het einde van de hoofdhuurovereenkomst jegens de onderhuurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst tekortschieten totdat ook de onderhuurovereenkomst is geëindigd, zulks met alle aan die toerekenbare tekortkoming in de nakoming verbonden gevolgen.”

Ook bij het afwijzende oordeel van de kantonrechter omtrent de door de curator (subsidiair) gevorderde gebruiksvergoeding sloot het hof zich aan. Het overwoog (rov. 8):

“De curator voert nog aan dat [verweerster] de voertuigen niet bij het einde van de overeenkomst op 30 november 2012 bij RTL c.q. de curator heeft ingeleverd en van die voertuigen nog wel het huurgenot heeft gehad, zodat [verweerster] gehouden is een gebruiksvergoeding te betalen. De kantonrechter heeft over een stelling van dezelfde strekking (…) nog geoordeeld dat de curator geen eigenaar van of beperkt gerechtigde op de voertuigen was; dat was alleen Paccar. Alleen Paccar kan dan ook aanspraak maken op een gebruiksvergoeding. Het hof sluit zich hierbij aan. (…)”

3.2.4

Bij de beoordeling van de vordering tegen KAV liet het hof in het midden op welke dag KAV het gehuurde voertuig aan MAN heeft overgedragen, en overwoog het (rov. 11):

“(…) Bij brief van 3 december 2012 heeft MAN de leaseovereenkomsten met RTL, waaronder die met betrekking tot het voertuig, ontbonden met het verzoek de voertuigen voor MAN ter beschikking te houden en met de opmerking dat per heden het gebruiksrecht van de voertuigen aan RTL is ontzegd. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder 6. is overwogen heeft ook hier te gelden dat het einde van de hoofdhuur impliceert dat RTL niet meer kan voldoen aan haar verplichting jegens KAV haar het gebruik van het voertuig te verstrekken. KAV was daarom vanaf 3 december 2012 niet meer gehouden huur aan RTL/de curator te betalen. De vordering van de curator loopt hierop stuk.”

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel bevat klachten tegen rov. 6 en 11, in beide zaken dus, die in de kern inhouden dat het enkele feit dat aan de hoofdhuur- of leaseovereenkomst een einde is gekomen, in gevallen als de onderhavige, niet noodzakelijk meebrengt dat de onderverhuurder of -lessor niet langer in staat is zijn wederpartij het gebruik te verschaffen en daardoor tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst.

3.3.2

Bij de beoordeling van deze klachten wordt vooropgesteld, zoals ook het hof klaarblijkelijk aan zijn oordelen ten grondslag heeft gelegd, dat op de in dit geding (mede) aan de orde zijnde leaseovereenkomsten de voor huurovereenkomsten geldende rechtsregels van overeenkomstige toepassing zijn.

3.3.3

De aan het onderdeel ten grondslag liggende rechtsopvatting is juist. De verbintenis van de verhuurder houdt blijkens art. 7:201 lid 1 BW en art. 7:203 BW in dat hij de zaak ter beschikking van de huurder stelt (en laat), en hem daardoor in staat stelt de zaak te gebruiken. Het gaat daarbij om de mogelijkheid voor de huurder de zaak feitelijk, dat wil zeggen daadwerkelijk, te gebruiken. Zoals is opgemerkt in de eerste volzin van de passage uit de memorie van toelichting die hiervoor in 3.2.2 is geciteerd, is voor de geldigheid van een huurovereenkomst niet vereist dat de verhuurder eigenaar van de zaak is of uit anderen hoofde in staat is aan de huurder het overeengekomen gebruik van de zaak te doen hebben. Indien de verhuurder niet (op grond van eigendomsrecht of anderszins) bevoegd is de zaak aan de huurder in gebruik te geven, volgt uit het samenstel van de bepalingen van art. 7:204 lid 2 en lid 3 BW (in verbinding met art. 7:211 BW) dat van een daaruit voortvloeiend gebrek, en dus van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door de verhuurder, eerst sprake is indien, kort gezegd, een derde tegenover de huurder een beter recht pretendeert te hebben en het bovendien als gevolg daarvan tot een feitelijke stoornis van het gebruik komt. De opmerking in de hiervoor bedoelde passage uit de memorie van toelichting dat de hoofdhuurder na het einde van de hoofdhuur “niet meer in staat is het gebruik van de zaak aan de onderhuurder te verschaffen”, is klaarblijkelijk gemaakt met het geval voor ogen van onderverhuur van een zaak waarin de hoofdverhuurder deze na het eindigen van de hoofdhuurovereenkomst onmiddellijk opeist en de onderverhuurder deze ook feitelijk niet meer ter beschikking van zijn onderhuurder kan stellen of laten.


De passage ziet derhalve niet op een geval als het onderhavige, waarin de hoofdverhuurder de zaak niet terstond van de onderhuurder opeist. Zolang de hoofdverhuurder daartoe niet overgaat, behoudt de onderhuurder het feitelijke gebruik van de zaak ingevolge de onderhuurovereenkomst; van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis door de onderverhuurder is in zo’n geval dan ook nog geen sprake.

3.3.4

Het vorenstaande betekent niet dat de (onder)huurder, indien hij tijdens de duur van de huurovereenkomst ermee bekend wordt dat zijn verhuurder niet of niet langer tot (onder)verhuur bevoegd is, de daaruit voortvloeiende onzekerheid of, en zo ja wanneer, voor hem een feitelijke stoornis in het genot van de zaak zal optreden, dient te aanvaarden. In voorkomend geval kan hij met het oog op de dreigende tekortkoming een beroep doen op art. 6:80 BW teneinde de overeenkomst te ontbinden, dan wel kan hij zijn betalingsverplichting opschorten (art. 6:263 BW).

3.3.5

De op het vorenstaande betrekking hebbende klachten van de onderdelen 1.1, 1.3 en 1.4 zijn daarom gegrond.
De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.

3.4.1

Onderdeel 2 klaagt blijkens de aanhef over de afwijzing van de (subsidiaire) vordering tegen [verweerster] tot toekenning van een gebruiksvergoeding. De onderdelen 2.1 en 2.2 hebben echter betrekking op betaling van de huurtermijnen en bouwen voort op de klachten van onderdeel 1 die hiervoor in 3.3.3 tot 3.3.5 gegrond zijn bevonden. De onderdelen 2.1 en 2.2 behoeven daarom geen afzonderlijke behandeling.

3.4.2

De onderdelen 2.3 en 2.4 zijn gericht tegen rov. 8 en klagen dat het hof – voor zover het terecht ervan is uitgegaan dat [verweerster] de onderhuurovereenkomst met RTL per 30 november 2012 heeft kunnen ontbinden – met zijn oordeel dat aan RTL, respectievelijk de curator, geen
gebruiksvergoeding toekomt op de grond dat alleen Paccar als eigenaar daarop aanspraak zou kunnen maken, art. 7:225 BW heeft miskend.

Nu uit hetgeen hiervoor in 3.3.3 en 3.3.4 is overwogen voortvloeit dat [verweerster] de overeenkomsten niet reeds per 30 november 2012 heeft kunnen ontbinden, behoeft deze klacht geen behandeling. Ten overvloede wordt overwogen dat de klacht in zoverre gegrond is, dat art. 7:225 BW onder omstandigheden aan de verhuurder na het einde van de overeenkomst jegens zijn huurder een aanspraak geeft op een gebruiksvergoeding, maar niet aan de eigenaar die niet de verhuurder is geweest van die huurder.

3.5

Onderdeel 3 keert zich tegen rov. 11. In het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen betoogt het terecht dat het hof de vordering tegen KAV niet had mogen afwijzen op de enkele grond dat de overeenkomst tussen MAN en RTL op 3 december 2012 door MAN is beëindigd. Het onderdeel treft bovendien doel waar het betoogt dat de huurovereenkomst na 3 december 2012 niet is ontbonden of anderszins beëindigd, zodat niet op die grond een einde is gekomen aan de verplichting van KAV tot huurbetaling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 september 2016;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] en KAV in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 485,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 23 februari 2018.