Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:281

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
17/01505
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1254, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:10366, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap na echtscheiding. Wijze van vaststellen belastinglatentie lijfrentepolissen (HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6095). Peildatum waardering echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0064
NJB 2018/504
NJ 2018/129
RvdW 2018/339
FJR 2018/37.4
EB 2018/49
RFR 2018/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 februari 2018

Eerste Kamer

17/01505

EV/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 101831 FARK 09-655 van 11 november 2009 en de beschikkingen in de zaak 107968 FARK 09-2220 van de rechtbank Zutphen van 16 maart 2011, 30 november 2011, 23 maart 2012 en 19 februari 2013 en van de rechtbank Gelderland van 18 september 2013, 12 maart 2014 en 27 maart 2015;

b. de beschikking in de zaak 200.172.544 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2016.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn in 1976 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

(ii) Het huwelijk is op 6 januari 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Partijen gaan ervan uit dat tussen hen moet worden afgerekend alsof tussen hen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan (zie rov. 3.1 van de hiervoor onder 1.b vermelde beschikking van het hof).

3.2.1

De onderhavige procedure betreft de vermogens-rechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk. In cassatie gaat het met name om de waardering van lijfrentepolissen van de man en om de peildatum voor de waardering van de echtelijke woning (hierna: de woning).

3.2.2

De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, ten aanzien van de lijfrentepolissen een belastinglatentie gehanteerd van 42%. Voorts heeft zij de woning toegedeeld aan de vrouw en overwogen dat 25 juli 2013 geldt als peildatum voor de waardering van de woning.

3.2.3

Ook het hof is ten aanzien van de lijfrentepolissen uitgegaan van een belastinglatentie van 42%. Het heeft in dit verband, samengevat, het volgende overwogen.

De man is ter zake van de uitkeringen op de polissen op enig moment na de peildatum van 1 maart 2009 inkomstenbelasting verschuldigd. Het hof houdt bij het bepalen van de waarde van de polissen rekening met deze inkomstenbelasting. Nu deze belasting verschuldigd wordt op ten opzichte van de peildatum toekomstige tijdstippen, moet deze naar de contante waarde op de peildatum in aanmerking worden genomen. De omstandigheid dat partijen met inachtneming van 1 maart 2009 met elkaar afrekenen, brengt niet mee dat toekomstige belastingschulden met betrekking tot te verrekenen vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd alsof ter zake op die datum een betalingsverplichting is ontstaan. (rov. 5.6)

3.3.1

Onderdeel I van het middel klaagt in de kern dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de wijze van vaststelling van de belastinglatentie inzake de lijfrentepolissen.

3.3.2

De klacht is gegrond. Het hof heeft de afkoopwaarde van de lijfrentepolissen op de peildatum van 1 maart 2009 als uitgangspunt genomen voor de berekening van de te verdelen waarde. Daarmee wordt – zij het fictief – uitgegaan van uitkering van de waarde op die datum. Dat brengt mee dat voor de berekening van de daarop in mindering te brengen belastingvordering ervan moet worden uitgegaan dat de belasting op de peildatum wordt verschuldigd over de op dat tijdstip uitgekeerde afkoopwaarde (vgl. HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6095, rov. 3.3.4).

3.4.1

Onderdeel II komt op tegen het oordeel van het hof over de waardering van de woning. Het hof heeft – evenals de rechtbank – de woning toegedeeld aan de vrouw, en heeft over de waardering van de woning, samengevat, onder meer het volgende overwogen.

Partijen waren het in 2011 erover eens dat moest worden uitgegaan van 1 maart 2009 als peildatum voor de omvang en waardering van hetgeen zij te verrekenen en verdelen hebben. Ter beoordeling ligt voor of partijen tijdens de zitting van de rechtbank van 25 juli 2013 zijn overeengekomen uit te gaan van een andere waarderingsdatum voor de woning. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat partijen ermee ingestemd hebben dat de woning per de datum van die zitting zou worden getaxeerd door een deskundige. De man heeft dit ook niet betwist, zij het dat namens hem ter zitting bij het hof is verklaard dat deze regeling hem is opgedrongen door de rechter. Voor zover de man zich beroept op een wilsgebrek, ziet het hof geen gronden die dat beroep rechtvaardigen. Het bedoelde proces-verbaal biedt hiervoor geen aanknopingspunten. De man heeft nadien ook niet geageerd tegen (de wijze van totstandkoming van) die nadere overeenkomst. Evenmin blijkt dat de man niet heeft willen meewerken aan de door de rechtbank, naar aanleiding van de overeenkomst, gelaste waardering. Hij heeft zijn aandeel in het (voorschot op het) honorarium van de deskundige voldaan. De man heeft voorts geen bezwaar gemaakt tegen de in het rapport van de deskundige vastgestelde waarde en de gehanteerde peildatum. Eerst uit de fax van zijn raadsman van 11 juli 2014 blijkt dat de man zich niet kan vinden in die waarde.

Gelet op het voorgaande mocht de vrouw erop vertrouwen dat mocht worden uitgegaan van de waarde per 25 juli 2013 en dat partijen die datum als peildatum voor de waardering van de woning zijn overeengekomen. (rov. 5.3)

3.4.2

Onderdeel II, dat in een groot aantal klachten uiteenvalt, komt naar de kern genomen op tegen het oordeel van het hof dat partijen de datum van 25 juli 2013 zijn overeengekomen als peildatum voor de waardering van de woning.

3.4.3

De gang van zaken in eerste aanleg is blijkens de vaststelling van het hof (rov. 5.2), samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt geweest.

Op 25 juli 2013 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank.

Het daarvan opgemaakte proces-verbaal houdt onder meer in:

“Met instemming van partijen zal de rechtbank een beschikking geven waarin een makelaar wordt benoemd die de woning (…) zal taxeren (…) per datum heden.”

Vervolgens heeft de rechtbank op 18 september 2013 een beschikking gegeven waarin onder meer is overwogen:

“Ter zitting zijn partijen overeengekomen (…) aan de rechtbank te vragen een taxateur te benoemen die de waarde van het pand (…) bepaalt per datum van de behandeling ter zitting (…).”

In die beschikking is een deskundige benoemd; deze heeft op 5 februari 2014 zijn rapport uitgebracht.

De advocaat van de man heeft bij faxbericht van 11 juli 2014 aan de rechtbank onder meer medegedeeld:

“Anders dan [de advocaat van de vrouw] beweert, bestaat tussen partijen geen overeenstemming over toescheiding van de echtelijke woning aan [de vrouw]. Partijen zijn het er bovendien niet over eens dat de woning aan haar zou kunnen worden toegescheiden voor een bedrag van € 695.000,-.”

In de beschikking van 27 maart 2015 overweegt de rechtbank:

“(…) De waarde van de woning is op de tussen partijen overeengekomen peildatum 25 juli 2013 getaxeerd op € 695.000,-.”

3.4.4

Het hof heeft (in rov. 5.3) overwogen dat uit het proces-verbaal van de zitting van 25 juli 2013 blijkt dat partijen hebben ingestemd met die datum als waarderingsdatum voor de woning, dat noch uit dat proces-verbaal noch anderszins blijkt van een wilsgebrek van de man bij het tot stand komen van de nadere overeenkomst omtrent de peildatum, dat de man heeft meegewerkt aan het uitvoeren van die overeenkomst en geen bezwaar heeft gemaakt tegen de door de deskundige gehanteerde peildatum, en dat pas met de fax van 11 juli 2014 is gebleken dat de man zich niet kon vinden in de door de deskundige vastgestelde waarde van de woning. Het op deze overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat partijen de datum van 25 juli 2013 zijn overeengekomen als waarderingsdatum voor de woning, is, mede in het licht van de hiervoor in 3.4.3 weergegeven vaststellingen van het hof, niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het hof een aantal in het cassatieverzoekschrift onder 2.1.1 vermelde stellingen van de man niet in zijn beoordeling heeft betrokken.

Onderdeel II faalt derhalve.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2016;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 23 februari 2018.