Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:248

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
15/03546
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1544
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:2046, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overval op bezorger van eetgelegenheid. Medeplichtigheid aan poging tot afpersing en/of diefstal met geweld in vereniging, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. Voor medeplichtigheid vereist opzet. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2008:BC0780, ECLI:NL:HR:2011:BO4471 en ECLI:NL:HR:2018:67, o.m. inhoudende dat opzet medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, daaronder begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan. Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachtes opzet erop was gericht dat A zou worden beroofd door een persoon die beschikking had over een vuurwapen en munitie en dat verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er bij die beroving geweld zou worden gebruikt. ’s Hofs oordeel dat verdachtes opzet op de tlgd. gronddelicten bewezen kan worden verklaard, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0097
RvdW 2018/317
TPWS 2018/29
TPWS 2018/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2018

Strafkamer

nr. S 15/03546

AP/MM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 16 juli 2015, nummer 22/002433-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde met de klacht dat het voor medeplichtigheid vereiste opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

" [betrokkene 1] op 15 maart 2012 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hem en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, toebehorend aan [slachtoffer] en/of ' [A] ', en/of om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer] en/of ' [A] ', en deze diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , één en ander met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld bestonden uit het

- zich opdringen aan die [slachtoffer] en (daarbij) lossen van een schot met een vuurwapen en

- steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de buik van die [slachtoffer] , ten gevolge van welk geweld die [slachtoffer] om het leven is gekomen, terwijl de uitvoering van die voorgenomen diefstal met geweld en/of afpersing niet is/zijn voltooid,

tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 15 maart 2012 te Rotterdam opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door

- via thuisbezorgd.nl een (valse) bestelling bij " [A] " te plaatsen en

- deze (valse) bestelling af te laten leveren bij het [a-straat 1] te Rotterdam en

- op deze wijze het latere slachtoffer naar de plaats te laten gaan waar deze beroofd zou kunnen worden."

3.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

"Poging tot beroving de dood tot gevolg hebbend [slachtoffer] , als bezorger werkzaam bij [A] , was op 15 maart 2012 op het [a-straat] om een bestelling af te leveren. Deze bestelling was om 21:54 uur gedaan via de site Thuisbezorgd.nl op naam van Vincent [betrokkene 2] , [a-straat 1] , te Rotterdam. Bij de bestelling was aangegeven dat deze om 22:45 uur bezorgd moest worden. De bestelling is gedaan via het IP-adres van de wifi-router in de woning van zijn halfbroer en medeverdachte, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), [a-straat 2] , met de Blackberry van verdachte. Bij die bestelling is het mobiele telefoonnummer van verdachte opgegeven.

Het tevens opgegeven e-mailadres:

[...] @hotmail.com is naar alle waarschijnlijkheid aangemaakt op het BRP woonadres van verdachte.

Om 22.50 uur is er bij [a-straat 1] , bij [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), aangebeld. [betrokkene 2] zag via zijn videofoon twee mannen voor de deur van de portiek staan. Hij hoorde een hard geschreeuw en zag dat de mannen wegliepen. Toen hij daarna uit het raam keek, zag hij eten op de stoep liggen en een bestelauto met knipperlichten aan. Diverse omwonenden en de jongeren, die vlakbij op bankjes zaten, hebben op hetzelfde moment geschreeuw gehoord en hebben gezien dat een man op het [a-straat] schreeuwend en strompelend wegrende naar de [c-straat] . Diverse getuigen hebben een knal gehoord en enkele getuigen hebben een lichtflits gezien. Volgens de verklaringen van meerdere getuigen renden twee donker geklede mannen de steeg tussen de flats in. De politie heeft bij het portiek van [a-straat 1] het door [betrokkene 2] genoemde eten in witte plastic tasjes aangetroffen. Daarin bevond zich een bon, waaruit bleek dat dit het eten was dat [slachtoffer] moest bezorgen op dat adres, het adres van [betrokkene 2] . Gebleken is dat de portemonnee van het slachtoffer nog in zijn bodywarmer zat en ook dat hij nog (los) geld in zijn broekzakken had.

Uit het voorgaande kan slechts geconcludeerd worden dat [slachtoffer] op het [a-straat] , ter hoogte van het portiek bij nummer [1] is overvallen door twee mannen. Dat wordt ook ondersteund door de camerabeelden van de Primark, een winkel die verderop aan de [c-straat] is gelegen. Uit het sectierapport blijkt dat het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard door verbloeding ten gevolge van steekletsel in de buik. Nu uit de sectie dus is gebleken dat [slachtoffer] door een messteek in de buik en niet door een schotwond is overleden, moet geconcludeerd worden dat hij bij die overval met een mes of (ander) scherp en/of puntig voorwerp is gestoken en dat hij daardoor is overleden. Weliswaar is er ook geschoten, maar dit schot heeft - zo blijkt uit de sectie - hem niet geraakt.

[slachtoffer] was niet een bewust doelwit, in de zin dat het om hem persoonlijk ging. Hij was de bezorger die deze bestelling toegewezen kreeg. Via het IP-adres van [betrokkene 1] zijn eerder die dag en eerder die week vier andere bestellingen gedaan bij verschillende maaltijdbezorgers voor leveringen aan verschillende woningen op het [a-straat] , met gebruikmaking van verschillende namen. In ieder geval zijn drie van die eerdere bestellingen gedaan met de Blackberry van verdachte. Deze bestellingen zijn niet uitgevoerd, onder andere omdat de betreffende leverancier het niet vertrouwde. Daaruit kan slechts afgeleid worden dat [slachtoffer] een tamelijk willekeurig slachtoffer was en, mede gelet op de overige bewijsmiddelen, dat het de bedoeling was om de bezorger, i.c. [slachtoffer] , te beroven. Nu het te bezorgen eten en het geld van [slachtoffer] door de politie nog is aangetroffen, komt het hof - met de rechtbank - tot de conclusie dat er sprake is van een poging tot diefstal of afpersing met geweld, welk geweld heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] .

Betrokkenheid van de verdachte bij de overval

De verdachte heeft verklaard dat hij nu eens bij zijn moeder in huis woonde en dan weer bij [betrokkene 1] en dat hij op 15 maart 2012 de gehele dag in de woning aan het [a-straat 2] is geweest. Hij is in de vroege ochtend van 16 maart 2012 door de politie in die woning aangehouden. Vastgesteld kan daarom worden dat de verdachte in de directe nabijheid van de plaats delict was ten tijde van het incident.

Vastgesteld kan voorts worden dat de bestelling die [slachtoffer] kwam afleveren, is gedaan met de Blackberry van de verdachte - hij verklaart dat zelf ook - en dat de bestelling is gedaan via het IP-adres van [betrokkene 1] (de wifi-router). Deze bestelling is gedaan om omstreeks 21:55 uur, toen de verdachte naar eigen zeggen in de woning aanwezig was.

Naast eerder genoemde bestelling die [slachtoffer] kwam bezorgen zijn er eerder ook andere 'valse' bestellingen - dat wil zeggen bestellingen op andere adressen en met opgave van andermans naam - gedaan via het IP-adres van [betrokkene 1] en met de Blackberry van de verdachte. Er zijn in de vijf dagen voorafgaand aan de beroving van [slachtoffer] nog vier andere valse bestellingen gedaan en wel op 10, 14 en 15 maart 2012. Bij de bestellingen van 10 en 14 maart 2012 is gebruik gemaakt van zowel het IP-adres van [betrokkene 1] als de Blackberry van de verdachte. Bij de eerste bestelling van 15 maart 2012 (een bestelling bij New York Pizza, gedaan om 21:40 uur) is wel het IP-adres van [betrokkene 1] , maar niet het gebruik van de Blackberry van de verdachte vastgesteld kunnen worden. De eerdere valse bestellingen zijn niet uitgevoerd onder andere omdat de betreffende leverancier het niet vertrouwde.

In ieder geval bij vier van de vijf valse bestellingen is een e-mailadres opgegeven dat aan de verdachte kan worden gelinkt: [...] @live.nl en [...] @hotmail.com. Het adres [...] @live.nl is volgens een opgave van Microsoft geregistreerd op naam van de verdachte; de verdachte zelf herkent dit e-mail adres ook als zodanig (al weet hij niet zeker of dit adres de extensie .nl of .com heeft). Het adres [...] @hotmail.com is aangemaakt op 14 februari 2012 met gebruikmaking van het IP-adres van het zakelijke Tele2 abonnement van de moeder van verdachte, [betrokkene 3] , wonend aan het [b-straat 1] te [plaats] . De verdachte heeft zijn BRP-adres bij zijn moeder op dit adres.

Uit onderzoek is verder gebleken dat het wifi-netwerk van [betrokkene 1] niet op straat te gebruiken is; de bestellingen kunnen dus niet zijn gedaan door een passant die gebruik maakte van het onbeveiligde wifi-netwerk van [betrokkene 1] .

Met de rechtbank concludeert het hof dat het de verdachte moet zijn geweest die op 15 maart 2012 omstreeks 21:54 uur de valse bestelling bij [A] met zijn Blackberry heeft gedaan. Zijn verweer dat terwijl hij onder de douche stond, zijn broer of iemand anders, zijn Blackberry hiervoor zou hebben gebruikt en dat hij wel had gezien dat de bestelling was gedaan, maar deze niet zelf had geplaatst, wordt als onaannemelijk terzijde geschoven. Immers, [betrokkene 4] , een vriend van verdachte, heeft verklaard dat als hij met verdachte belde, hij nooit iemand anders aan de lijn kreeg. Als [betrokkene 4] ermee wordt geconfronteerd dat er met zijn nummer 06- [0001] op 15 maart 2012 tussen 20.:08 uur en 21:51 uur negen keer is gebeld (waarvan acht contacten tussen 21.43 en 21.51 uur) met het nummer 06- [0002] , dat volgens de eigen verklaring van verdachte bij hem in gebruik was, verklaart [betrokkene 4] dat als er met dat nummer is gebeld, verdachte dat was en niemand anders uit zijn familie. Ook de andere valse bestellingen via de Blackberry en de daar gebruikte gegevens - die volgens de verdachte eveneens gedaan zouden zijn zonder dat hij dit bemerkt heeft, hetgeen het hof dus eveneens onaannemelijk voorkomt – vormen een aanwijzing dat het verdachte is de valse bestelling heeft geplaatst.

Rol van de verdachte bij de overval

Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte tijdens de beroving bij de woning van [betrokkene 2] , [a-straat 1] , is geweest. Het hof gaat voorbij aan de door verdachtes stiefbroer, medeverdachte [betrokkene 1] , afgelegde verklaringen, waarin hij verklaart dat het verdachte is die de beroving zou hebben gepleegd en zou hebben geschoten. Het hof acht deze verklaringen die voor het eerst in hoger beroep zijn afgelegd, meer dan tweeëneenhalf jaar na de beroving, niet geloofwaardig.

Het hof gaat ervan uit dat de verdachte een valse bestelling heeft geplaatst op een specifieke tijd, op naam en adres van een buurman teneinde zo de bezorger in de val te lokken.

Noch bij de fouillering van de verdachten, noch hij de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] is geld aangetroffen, terwijl bij de bestelling van het eten doorgegeven was dat met een bedrag van € 60,- betaald zou worden. Hier leidt het hof mede uit af dat het kennelijk de bedoeling was om zonder te betalen de bezorger het eten afhandig te maken en hem mogelijk ook te beroven van het geld dat [slachtoffer] als bezorger (mogelijk) bij zich had.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de opzet van verdachte niet beperkt is tot de diefstal, maar zich ook uitstrekt tot het gebezigde geweld.

Verdachte wist dat medeverdachte [betrokkene 1] de beschikking had over een vuurwapen en munitie.

Bovendien heeft verdachte zelf verklaard dat hij er vanuit gaat dat als iemand wordt beroofd, er een worsteling zal plaatsvinden, omdat iemand niet zomaar zijn spullen gaat geven en je jezelf gaat verdedigen. Kennelijk ging [betrokkene 1] hier ook van uit, zodat hij zijn vuurwapen bij zich droeg, evenals [betrokkene 1] 's mededader die een mes/steekwapen bij zich stak.

Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de verdachte met het voornemen de bezorger, [slachtoffer] , door een dader voorzien van een vuurwapen te beroven en ervan uitgaande dat die bezorger niet zonder slag of stoot- de bestelling en/of het geld zou overhandigen, hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de mededader óók van een wapen voorzien zou zijn, i.c. een steekwapen, en dat wapen zou gebruiken.

Verdachte heeft aldus op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat er geweld zou worden gebruikt dan wel dat daarmee gedreigd zou worden. Het fatale gevolg van het steken met een mes/scherp voorwerp in de buik van het slachtoffer kan dan ook aan verdachte worden toegerekend.

Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van medeplegen, nu er geen bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat de verdachte buiten op straat uitvoeringshandelingen heeft verricht en uit de bewijsmiddelen blijkt dat zijn aandeel, hoewel cruciaal, zich niet verder uitstrekt dan tot het plaatsen van de valse bestelling."

3.3.

Voorop moet worden gesteld dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond. Het gaat bij de 'handelingen' van de dader in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan. Daarbij sluit aan dat dat opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. (Vgl. HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0780, NJ 2008/156 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342.) Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht. (Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:67.)

3.4.

Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 3.2.2 weergegeven overwegingen onder meer vastgesteld dat het opzet van de verdachte erop was gericht dat [slachtoffer] zou worden beroofd door een persoon die de beschikking had over een vuurwapen en over munitie en dat de verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er bij die beroving geweld zou worden gebruikt. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld, geeft het oordeel van het Hof dat het opzet van de verdachte op de tenlastegelegde gronddelicten bewezen kan worden verklaard, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

4.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad als gevolg van de bij de inzending van de stukken opgetreden vertraging die meer dan twaalf maanden bedraagt, eerst thans uitspraak kan doen, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zeven maanden.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en vijf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018.