Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:246

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
16/04717
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1543
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:6174, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering door als penningmeester van voetbalclub verduisterde geldbedragen over te boeken naar eigen rekening, art. 321 Sr. Anders dan door misdrijf onder zich hebben. Bestanddeel moet aldus worden uitgelegd dat niet enig door verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AD4573). Hof heeft vastgesteld dat verdachte als penningmeester van sportvereniging, zonder daartoe gerechtigd te zijn, geldbedragen heeft overgeboekt van sportvereniging naar eigen rekening en bankrekening van werkgever en dat verdachte geldbedragen van zijn werkgever heeft verduisterd door geldbedragen over te boeken naar bankrekening van sportvereniging. ’s Hofs kennelijke oordeel dat sportvereniging de door verdachte in zijn hoedanigheid van penningmeester overgemaakte geldbedragen "anders dan door misdrijf onder zich had" en dat datzelfde daarom gold voor verdachte in zijn hoedanigheid van penningmeester getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede gelet op ‘s Hofs vaststellingen omtrent de verschillende betalingen die verdachte heeft verricht, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af de enkele omstandigheid dat verdachte ook geldbedragen van zijn werkgever heeft verduisterd, o.m. door het storten van bedragen op de bankrekening van de sportvereniging. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0081
NJB 2018/508
RvdW 2018/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2018

Strafkamer

nr. S 16/04717

NME/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 juli 2016, nummer 21/006683-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het derde middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde dat de verdachte de geldbedragen "anders dan door misdrijf onder zich had".

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2011 tot en met 10 augustus 2013 te [plaats] ; telkens opzettelijk geldbedragen tot een totaalbedrag van 98.231,76 euro toebehorende aan [A] B.V. en/of

[B] B.V., welke geldbedragen hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van Financial en Operations Manager, in de kassen en op de bankrekeningen van genoemde vennootschappen, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 10 januari 2012 tot en met 8 oktober 2013 te [plaats] en/of [plaats] telkens opzettelijk geldbedragen toebehorende aan voetbalclub [C] , welke geldbedragen hij, verdachte, als penningmeester van voornoemde sportvereniging anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

2.2.2.

Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsvoering:

"De door verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting bij het gerechtshof op 13 juli 2016 voor zover van belang inhoudende:

Ik was in de periode 1 juli 2011 tot en met 10 augustus werkzaam als Financial en Operations Manager bij [A] B.V. en [B] B.V. (hierna: [A] ). In die periode heb ik geld van [A] overgemaakt naar mijzelf en naar [C] (hierna [C] ). [A] had mij hiervoor geen toestemming gegeven.

Ik heb de factuur voor het schilderen van mijn woning van ongeveer € 7.000 betaald met geld van [A] .

In de periode van 10 januari 2012 tot en met 8 oktober 2012 was ik penningmeester van de voetbalvereniging [C] . Van de rekening van [C] heb ik geld naar mijn eigen rekening opgenomen en mij toegeëigend. Dit betrof geld dat ik van [A] naar [C] had geboekt. Ik had ook hiervoor geen toestemming van het bestuur van [C] of van [A] .

Voorts:

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina's of bijlagen, als opgenomen in het op 19 mei 2014 op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed door [verbalisant 1] , inspecteur, en [verbalisant 2] , brigadier, opgemaakte proces-verbaal van Politie Midden-Nederland, proces-verbaalnummer PL 1406-2013045600 alsmede de daarbij behorende bijlagen in de vorm van processen-verbaal en overige bescheiden.

De aangifte namens [A] door [betrokkene 1] van 23 oktober 2013, als opgenomen in het door [verbalisant 3] , hoofdagent, op 23 oktober 2013 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 16 en 17, voor zover van belang inhoudende:

Ik ben werkzaam als business unit manager bij het bedrijf [A] te [plaats] . Ik ben bevoegd voor het doen van aangifte namens [A] . Binnen het bedrijf is er valsheid in geschriften, oplichting en verduistering onder dienstbetrekking gepleegd door drie medewerkers.

Een medewerker betreft [verdachte] .

Het gaat hier om een bedrag van tenminste € 540.028,45 exclusief rente en extra kosten.

Vanuit [A] is een groot onderzoek gestart welke door Hoffmann bedrijfsrecherche is uitgevoerd. Zij hebben een rapport opgesteld welke bij deze aangifte is gevoegd. In dit rapport wordt aangifte gedaan. Voor een verdere verklaring verwijs ik naar de aangifte van [A] .

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Een schriftelijk bescheid, zijnde een verklaring van aangifte door [A] van 22 oktober 2013, ondertekend door [betrokkene 1] , dossierpagina's 25 tot en met 31, voor zover van belang inhoudende:

Namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V., statutair gevestigd te [plaats] en kantoorhoudend te ( [...] ) [plaats] aan de [a-straat 1] (hierna te noemen: " [A] "), alsmede de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] B.V., statutair gevestigd te [plaats] en kantoorhoudend te ( [...] ) [plaats] aan de [b-straat 1] (hierna te noemen: " [B] B.V.") doe ik, [betrokkene 1] , aangifte van verduistering in dienstbetrekking. De aangifte houdt kort gezegd verband met de substantiële (contante en girale) onttrekkingen aan [A] door [verdachte] . De totale schade exclusief rente en kosten bedraagt tenminste € 540.028,45.

Medio 2013 is een voorraadlijst van [A] geanalyseerd in verband met een mogelijk aanstaande liquidatie. Deze voorraadlijst is buiten weten van [verdachte] opgesteld. Uit deze lijst bleek een onverklaarbaar voorraadverschil van ca. € 250.000. Bij nadere bestudering daarvan bleek ook een viertal onduidelijke betalingen van in totaal ca. € 65.000 aan [D] .

[A] heeft circa 17 werknemers in dienst. Een van deze werknemers was [verdachte] . Hij was sinds 1997 werkzaam voor [A] ; eerst als boekhouder, daarna in verschillende andere functies, waaronder adjunct-directeur. Sinds 2010 was [verdachte] werkzaam in de functie van financieel en operationeel manager.

Bij [A] is sprake van contante inkomsten door balieverkoop. Het ontvangen geld wordt in een geldlade bewaard. Kasuitgaven worden in de regel gedaan uit de geldlade bij de balie. De magazijncoördinator bij [A] , [betrokkene 2] , houdt in maandelijkse overzichten bij welke contante bedragen binnenkomen en welke uitgaven per kas worden gedaan. Een keer per maand brengen de baliemedewerkers overtollig kasgeld naar [verdachte] . Het komt ook voor dat [verdachte] het kasgeld ophaalt bij de balie. [betrokkene 2] houdt in zijn maandelijkse overzichten ook bij hoeveel contant geld er aan [verdachte] wordt afgedragen.

[verdachte] diende het overtollig kasgeld te storten op de bankrekening van [A] . Veelal vond deze storting door [verdachte] echter niet plaats. Integendeel, [verdachte] eigende zich grote contante bedragen onrechtmatig toe.

De gelden die [verdachte] diende te storten op de bankrekening van [A] werden door hem in het kasboek geboekt als stortingen op de bankrekening van [A] . Deze stortingen hebben in werkelijkheid echter veelal niet plaatsgevonden.

Vervolgens boekte [verdachte] een betaling per bank aan een van de vaste leveranciers van [A] voor de aanschaf van een bepaald artikel. In werkelijkheid vond echter geen betaling plaats aan de betreffende leverancier. Evenmin werd er door [A] een artikel bij deze leverancier ingekocht. Deze fictieve inkoop leidde vervolgens tot een fictieve opboeking van de administratieve voorraad.

Voorts blijkt dat [verdachte] in de afgelopen vijf jaren zonder toestemming van [A] , althans onrechtmatig, diverse girale betalingen heeft verricht aan derden. Deze betalingen zijn door [verdachte] verantwoord als betalingen aan vaste leveranciers van [A] waaraan in werkelijkheid geen betaling heeft plaatsgevonden en waarvan in werkelijkheid geen goederen zijn afgenomen. Ook hierdoor is de administratieve voorraad van [A] opgeboekt zonder dat daaraan daadwerkelijk een transactie met de betreffende leverancier ten grondslag ligt.

Het schildersbedrijf [E] heeft aan [verdachte] facturen gezonden in verband met "schilderwerk vrijstaand woonhuis". De betalingen zijn evenwel

- zonder toestemming van [A] - voldaan vanuit [A] .

Van de door [D] wederrechtelijk van [A] ontvangen bedragen ter grootte van € 65.000,- heeft [verdachte] vanuit de voetbalclub [C] , waar hij penningmeester was, in de periode van 10 augustus 2013 tot en met 5 september 2013 een bedrag van € 29.971,55 aan [A] terugbetaald. Het resterende gedeelte van € 35.028,45 is nog altijd niet terugbetaald aan [A] .

[verdachte] heeft op voormelde wijze de afgelopen vijf jaren een bedrag van € 142.605,05 (waaronder het hierboven genoemde bedrag van € 65.000,-) onrechtmatig aan [A] onttrokken.

Het relaas van [verbalisant 2] , brigadier, als opgenomen in het door hem op 11 maart 2014 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal analyse bankrekening [verdachte] , dossierpagina's 195 tot en met 197, voor zover van belang inhoudende:

In de maand februari/maart 2014 zijn van [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1958, door de ABN-AMRO bank afschriften verstrekt. De bankmutaties zijn opgevraagd over de periode 1 juli 2011 tot en met 1 augustus 2013.

Rekening [0001] :

Deze rekening betreft een zogenaamde privé (betaal)rekening. Uit analyse van deze bankrekening blijkt, dat er verdacht veel kasstortingen zijn geweest alsmede veel verdachte transacties vanaf de betaalrekening van de voetbalclub [C] naar deze privérekening.

In ieder geval is gebleken dat voor een totaal bedrag van € 54.017 aan verdachte overboekingen zijn geweest en dat er voor een bedrag van € 55.875 aan kasstortingen zijn gedaan.

Rekening [0002]

Deze rekening betreft een ondernemersrekening van de webshop [D] .

Uit analyse van de bankafschriften bleek het volgende:

- Op 23 mei 2013 vindt er een overboeking plaats van € 14.792,25 euro afkomstig van [A] uit [plaats] . Vervolgens wordt dit bedrag diezelfde dag overgemaakt op rekening van de Voetbalclub [C] in [plaats] .

- Op 8 mei 2013 vindt er een overboeking plaats van € 17.289,00 euro afkomstig van [A] uit [plaats] . Vervolgens wordt dit bedrag diezelfde dag overgemaakt op rekening van de Voetbalclub [C] in [plaats] .

- Op 18 juni 2013 vindt er een overboeking plaats van € 15.236,20 euro afkomstig van [A] uit [plaats] . Vervolgens wordt dit bedrag diezelfde dag overgemaakt op rekening van de Voetbalclub [C] in [plaats] .

- Op 6 juni 2013 vindt er een overboeking plaats van € 18.531,69 euro afkomstig van [A] uit [plaats] . Vervolgens wordt dit bedrag diezelfde dag overgemaakt op rekening van de Voetbalclub [C] in [plaats] .

Deze transactiebedragen opgeteld totaal: € 65.849,14.

Een schriftelijk bescheid, zijnde een factuur van [E] van 15 mei 2012 gericht aan de [verdachte] en [betrokkene 3] , dossierpagina 267, voor zover van belang inhoudende:

Schilderwerk vrijstaand woonhuis.

1e termijn

Totaal inclusief BTW € 5.300.

Een schriftelijk bescheid, zijnde een factuur van [E] van 15 juni 2012 gericht aan de [verdachte] en [betrokkene 3] , dossierpagina 268, voor zover van belang inhoudende:

Schilderwerk vrijstaand woonhuis.

2e termijn

Totaal inclusief BTW € 2.028,31.

De aangifte namens [C] door [betrokkene 4] van 25 oktober 2013, als opgenomen in het door [verbalisant 4] , hoofdagent, op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 32 tot en met 35, voor zover van belang inhoudende:

Ik doe aangifte van verduistering. Hierdoor is voor de sportvereniging [C] nadeel ontstaan.

[verdachte] , ook [verdachte] genaamd, geboren op [geboortedatum] 1958 is, volgens mij, sinds 1 juli 2011 gekozen als penningmeester bij de sportverenging [C] . Op maandag 7 oktober 2013 heeft [verdachte] mij verteld dat er acute betalingsproblemen zouden zijn, waar hij drie weken daarvoor ook melding van had gemaakt bij mij.

Daaropvolgend heb ik onze penningmeester, de heer [verdachte] , verzocht om op die dinsdag 8 oktober 2013 om 13:00 uur in de middag op kantoor te komen. Ik heb hem daarbij ook gevraagd of hij een deel van de meest recente boekhouding en de jaarcijfers wilde meenemen. In dit gesprek kwam al snel naar voren dat er boekhoudkundige handelingen waren verricht in de administratie van [C] die onjuist en gemanipuleerd waren.

Er zijn bedragen van [C] door de penningmeester [verdachte] naar zijn eigen privé rekening overgeboekt. Het bleken er drie te zijn.

Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van [betrokkene 4] , voorzitter [C] gericht aan de verbalisant [verbalisant 2] , voornoemd, van 12 mei 2014, dossierpagina's 58 en 59, voor zover van belang inhoudende:

Hierbij stuur ik u, uit hoofde van mijn functie als voorzitter van [C] te [plaats] aangaande de aangifte tegen de [verdachte] , (het hof verstaat: verdachte) voormalig penningmeester van onze club, een extra aanvulling met onderbouwingen van de door ons geraamde schade.

Onttrekkingen uit de bank: € 46.145,00

Onterechte betalingen aan [A]

vanuit bank [C] : € 30.820,69

Het relaas van [verbalisant 2] , brigadier, als opgenomen in het door hem op 20 maart 2014 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal analyse bankrekening voetbalclub [C] dossierpagina's 176 en 177, voor zover van belang inhoudende:

Op 19 maart 2014 zijn van de voetbalclub [C] uit [plaats] bankafschriften verstrekt. Het betreft de periode 1 juli 2011 tot en met 1 augustus 2013.

Uit analyse van deze bankrekening blijkt dat er onttrekkingen naar privé [verdachte] zijn geweest tot een bedrag van € 46.145."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 2 wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 8 mei 2013 tot en met 18 juni 2013 € 65.849,14, afkomstig van [A] B.V. en/of [B] B.V. (hierna: [A] ) heeft gestort op de rekening van de voetbalvereniging [C] (hierna: [C] ). Dit geld behoorde verdachte noch [C] toe. In de periode van 10 januari 2012 tot en met 8 oktober 2013 heeft verdachte gelden van de rekening van [C] opgenomen en zich toegeëigend.

(...)

Door de raadsman is naar voren gebracht dat verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat verdachte:

(...)

b. het geld dat hij van de rekening van [C] heeft opgenomen door misdrijf onder zich had, zodat niet bewezen kan worden dat dit geld anders dan door misdrijf is verkregen. De raadsman stelt hiertoe dat het geld dat door verdachte op de rekening van [C] is gestort door misdrijf (verduistering van [A] ) is verkregen en verdachte het geld in zijn hoedanigheid van penningmeester van [C] dus niet 'anders dan door misdrijf' onder zich had.

Het hof verwerpt verweren als genoemd onder (...) b).

Verdachte heeft het verduisterde geld van [A] , zonder dat het op één of ander wijze is geoormerkt, gestort op de rekening van [C] . Door deze storting heeft er vermenging plaats gevonden met de al op de die rekening aanwezige gelden. Vanaf dat moment was het [C] die de beschikkingsmacht had over het geld op de rekening en niet meer verdachte. Dat verdachte penningmeester was van [C] maakt dit niet anders.

Vervolgens heeft verdachte gelden van deze rekening kunnen overboeken naar zijn eigen privérekening omdat hij als penningmeester van [C] daartoe de mogelijkheid had. Niet is gebleken dat verdachte op de één of andere wijze door [C] gerechtigd was om deze gelden aan de rekening van [C] te onttrekken ten behoeve van zichzelf.

Verdachte heeft door zo te handelen opzettelijk gelden die een derde toebehoorden zich wederrechtelijk toegeëigend en omdat verdachte door zijn functie als penningmeester daartoe de mogelijkheid had, heeft verdachte deze gelden die verdachte niet toebehoorden, anders dan door misdrijf verkregen."

2.3.1.

Art. 321 Sr luidt:

"Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeëigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie."

2.3.2.

Het bestanddeel "dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft" moet aldus worden uitgelegd dat niet enig door de verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen (vgl. HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4573).

2.4.1.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer het volgende vastgesteld met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde. De verdachte heeft in de periode van 10 januari 2012 tot en met 8 oktober 2013 in zijn hoedanigheid van penningmeester van sportvereniging [C] , zonder daartoe gerechtigd te zijn, geldbedragen overgeboekt van de bankrekening van sportvereniging [C] , te weten een bedrag van € 46.145,00 naar zijn eigen bankrekening en een bedrag van € 30.820,69 naar de bankrekening van, kort gezegd, [A] .

Daarnaast heeft het Hof blijkens de bewijsvoering met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde vastgesteld dat de verdachte geldbedragen toebehorende aan zijn werkgever [A] heeft verduisterd, in welk verband hij onder meer in de periode 23 mei 2013 tot en met 18 juni 2013 bedragen van in totaal € 65.849,14 heeft overgeboekt naar de bankrekening van sportvereniging [C] .

2.4.2.

Het kennelijke oordeel van het Hof dat sportvereniging [C] in de periode van 10 januari 2012 tot en met 8 oktober 2013 de door de verdachte in zijn hoedanigheid van penningmeester overgemaakte geldbedragen "anders dan door misdrijf onder zich had" en dat datzelfde daarom gold voor de verdachte in zijn hoedanigheid van penningmeester van sportvereniging [C] , getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede gelet op de onder 2.4.1 vermelde vaststellingen omtrent de verschillende betalingen die de verdachte heeft verricht, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af de enkele omstandigheid dat de verdachte in de periode vanaf 23 mei 2013 tot en met 18 juni 2013 ook geldbedragen van [A] heeft verduisterd, onder meer door het storten van bedragen op de bankrekening van sportvereniging [C] .

2.5.

Het middel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018.