Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2406

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
18/03544
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:2937
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-12-2018
FutD 2018-3346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 december 2018

Nr. 18/03544

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 juli 2018, nr. 16/03824, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, alsmede de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 28 september 2018 in de gelegenheid gesteld de daarbij gevoegde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen binnen twee weken na dagtekening van die brief, volledig ingevuld en ondertekend aan de Hoge Raad terug te zenden. Volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is die brief afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van die geboden gelegenheid niet binnen de in de brief van 28 september 2018 gestelde termijn gebruik gemaakt.

Bij brief van 17 oktober 2018 heeft de griffier van de Hoge Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Tevens is in deze brief meegedeeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 19 oktober 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan.

Op 2 november 2018 is door belanghebbende alsnog de verklaring afwezigheid van vermogen aan de Hoge Raad geretourneerd, onder bijvoeging van een specificatie met betrekking tot een door de Sociale verzekeringsbank in de maand oktober 2018 aan belanghebbende gedane betaling betreffende het AOW-pensioen en een overzicht van de Deutsche Rentenversicherung betreffende de maandelijkse betaling aan belanghebbende vanaf 1 mei 2018.

Bij brief van 5 november 2018 heeft de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende laten weten dat ook indien wordt uitgegaan van de door belanghebbende overgelegde stukken – zoals hiervoor genoemd - hij niet voldoet aan de voor een beroep op betalingsonmacht geldende voorwaarden inzake het inkomen. Voorts is in deze brief er nogmaals op gewezen dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 20 november 2018 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in zijn op 23 november 2018 door de Hoge Raad ontvangen brief aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.

Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.

Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van € 126 wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.