Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:237

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
17/01062
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:895, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1288
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

‘Utrechtse serieverkrachter’. Drie verkrachtingen in 1995 en één in 2001. 1. Schakelbewijs. 2. Biedt art. 278.2 Sv wettelijke grondslag voor door Rb afgegeven bevel tot medebrenging van verdachte voor het bijwonen van de uitspraak?

Ad 1. Uit de bewijsvoering heeft het Hof kunnen afleiden dat het verdachte is geweest die verkrachting in 2001 heeft gepleegd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof - niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld en in onderling verband heeft beschouwd dat o.b.v. de resultaten van het DNA-onderzoek van het spoor op de jurk van aangeefster van deze verkrachting een volledig autosomaal DNA-profiel werd verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, dat en welke overeenkomsten bestaan tussen de wijze waarop de verkrachting van aangeefster van dit feit heeft plaatsgevonden en die van de verkrachtingen van aangeefsters van de feiten uit 1995 en dat ook overeenkomsten bestaan in het signalement dat de verschillende aangeefsters van drie van de vier verkrachtingen van de dader hebben gegeven.

Ad 2. Art. 278.2 Sv is geplaatst in Boek II, Titel VI, Sv handelend over de 'Behandeling van de zaak door de rechtbank', waaronder ingevolge de Vierde afdeling van die Titel ook de uitspraak valt. De opvatting dat art. 278.2 Sv niet toelaat dat medebrenging van verdachte wordt gelast opdat deze aanwezig zal zijn bij de - tot behandeling van de zaak behorende - openbare tz. waarop uitspraak wordt gedaan, is gelet op de systematiek van de wet in zijn algemeenheid onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/510
SR-Updates.nl 2018-0098
RvdW 2018/336
NBSTRAF 2018/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2018

Strafkamer

nr. S 17/01062

EC/SK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 8 februari 2017, nummer 21/001005-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben D.N. de Jonge en C. Grijsen, advocaten te Rotterdam respectievelijk Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het vijfde middel

2.1.

Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2001 tot en met 25 oktober 2001 te Bilthoven, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid aangeefster van feit 4 (geboren op [geboortedatum] 1985) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar meermalen, althans eenmaal,

- zijn vingers in de vagina en de anus van die aangeefster gebracht, en

- de borst van die aangeefster betast en daarin geknepen, en

- zijn penis in de anus van die aangeefster gebracht

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar

- op zijn, verdachtes scooter - terwijl hij een helm droeg - naast die – fietsende - aangeefster is gaan rijden, en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Stoppen nu, zie je dit" en daarbij die aangeefster een mes heeft getoond, en

- tegen die aangeefster op een gebiedende toon heeft gezegd: "Afstappen" en "Afstappen nu snel, opschieten" en "Ga maar achterop zitten" en "Achterop, schiet op", en

- die aangeefster aldus met zijn, verdachtes scooter heeft meegenomen naar een afgelegen plek in het bos, waar geen verlichting brandde en waar het mitsdien donker was en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Afstappen" en "Voor me uitlopen", en

- die aangeefster bij een boom heeft laten stoppen en daarbij tegen haar heeft gezegd: "Doe je armen om de boom" en die aangeefster tegen de boom heeft geduwd en vervolgens die aangeefster tegen de boom heeft vastgebonden door tie-rips om haar polsen te doen, en

- tape over de mond en rondom het hoofd van die aangeefster heeft gewikkeld en geplakt en

- tegen die aangeefster heeft gezegd dat ze moest blijven staan en haar rok omhoog heeft gedaan en dusdanig hard haar panty uit heeft getrokken ten gevolge waarvan haar panty en haar rechterschoen uitgingen, en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Ga op de grond liggen" en "Ik ga je neuken" en "Op je buik" en "Nou dan leer je dat maar", toen die aangeefster aangaf dat ze dat niet kon, althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking, en

- zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die aangeefster en

- hoorbaar voor die aangeefster heeft gehijgd en

- tie-rips om twee tenen van die aangeefster heeft gedaan, en

- die aangeefster vervolgens vastgebonden aan een boom heeft achtergelaten."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Overwegingen met betrekking tot het bewijs

(...)

Het hof gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

(...)

In het bijzonder ten aanzien van feit 4

Aangifte

Aangeefster van feit 4, geboren op [geboortedatum] 1985, heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

Op 24 oktober 2001 ben ik om 18:30 uur op de fiets vertrokken vanuit Utrecht richting Soest. Ik ben over het Kees Boekelaantje te Bilthoven gefietst. Ik zag dat het op dat moment donker was en dat er geen straatverlichting was. Ik zag dat links naast mij een persoon op een scooter kwam rijden. Ik hoorde dat de persoon op de scooter zei: "Stoppen nu. Zie je dit?". Ik zag dat de persoon een integraalhelm droeg. Ik zag dat de persoon in zijn rechterhand een mes had. Ik hoorde dat de man sprak met een accent. Ik vermoed dat dit een Utrechts accent was omdat Bilthoven in de buurt van Utrecht ligt. Ik hoorde dat de man zei: "Geld, heb je geld. Ik moet je geld hebben", of zoiets. Ik hoorde dat de man zei: "Afstappen". Ik hoorde dat hij dit op een gebiedende toon zei. Ik hoorde dat hij nogmaals zei: "Afstappen nu snel, opschieten". Ik hoorde de man zeggen: "Ga maar achterop zitten". Ik hoorde dat de man dit zei op een gebiedende wijze. Ik hoorde dat de man zei: "Achterop, schiet op". Ik zag dat hij het bos inreed. Waar we heenreden weet ik echt niet. Het was donker. Op een gegeven moment stopte de man. Ik zag niets. Ik hoorde dat de man zei: "Afstappen". Ik hoorde dat hij zei: "Voor me uitlopen". Na een halve à hele minuut werd ik staande gehouden door de man. Ik zag dat we stopten bij een boom. Ik hoorde dat de man zei: "Doe je armen om de boom". Ik voelde dat hij duwde tegen mijn ellenbogen, zodat mijn handen kruislings over elkaar kwamen. Ik zag dat hij twee tie-rips om mijn polsen deed. Ik zei tegen de man: "Wat ga je doen?" Ik hoorde dat hij zei: "Niks, als je niks zegt, gebeurt er niks." Ik voelde dat de man op mijn rechterwang tape deed. Ik voelde dat de man de tape om mijn mond en hoofd draaide. Ik voelde dat de tape ook over mijn haar werd gedaan.

Volgens mij werd de tape tot tweemaal toe om mijn hoofd gedraaid. Ik kon nog ademhalen door mijn neus. Ik hoorde en merkte dat hij achter mij ging staan. Ik hoorde dat hij zei: "Blijf staan" of zoiets. Ik merkte dat hij mijn rok omhoog deed. Ik voelde dat hij mijn panty naar beneden deed. Ik voelde dat hij de panty zo hard naar beneden trok dat mijn panty en mijn rechterschoen uitgingen. Ik voelde dat hij achter mij stond en met meerdere vingers in mijn vagina ging. Ik voelde dat hij met zijn vingers in mijn vagina heen en weer ging. Ik voelde dat hij hierna met één of twee vingers in mijn anus ging en de vingers heen en weer bewoog. Dat wisselde hij zo'n vijf keer af. Terwijl de man met zijn vingers in mijn anus en vagina ging, stond ik nog steeds met mijn handen vastgebonden aan de boom. Ik vermoed dat de man zich vervolgens ging aftrekken. Ik hoorde hem snel ademhalen, hijgen. Hierna voelde ik iets tegen de achterkant van mijn rechterbeen. Ik vermoed dat dit spetters sperma waren. Hierna hoorde ik dat hij zei: "Ga op de grond liggen", of zoiets. Ik hoorde dat de man zei: "Ik ga je neuken". Ik voelde dat hij mij naar beneden probeerde te trekken. Ik hoorde dat hij zei: "Op je buik". Ik zei: "Dat kan ik niet". Ik hoorde dat hij zei: "Nou, dan leer je dat maar". Zo goed en zo kwaad als dat ging ben ik op de grond gaan liggen op mijn buik. Ik voelde dat hij wederom met zijn vingers in mijn vagina en anus ging. Ik voelde dat hij met ongeveer vier vingers in mijn vagina ging. In mijn anus vermoed ik twee. Ik voelde dat hij met zijn penis in mijn anus ging en dat hij stootbewegingen maakte. Ik kan mij niet herinneren of de man zijn penis ook in mijn vagina heeft gestopt. Ik heb vocht gevoeld in mijn schaamstreek. Ik denk dat dit zijn sperma was. Ik voelde dat hij mijn benen vastpakte bij mijn enkels en mijn benen bij elkaar deed. Ik voelde dat hij om mijn twee grote tenen vermoedelijk tie-rips deed. Ik voelde dat de man nogmaals een vinger in mijn vagina deed. Ik zag dat de man wegliep. Ook herinner ik mij dat de man aan mijn linkerborst heeft gezeten. Ik voelde dat hij zijn hand over mijn borst deed en daarin kneep. Ik zag dat de man er als volgt uit zag: dik, fors postuur, ongeveer net zo groot als ik of iets langer dus ongeveer 1.75 tot 1.80 meter, 30 tot 35 jaar.

Forensisch onderzoek

Verbalisant [verbalisant 11] heeft - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd.

In het Universitair Medisch Centrum (hierna: UMC) te Utrecht werd het slachtoffer van feit 4 onderzocht. De kleding van het slachtoffer werd hierbij veilig gesteld en in beslag genomen. Aan de jurk van het slachtoffer werd identiteitszegel ACD549 gekoppeld. Voor onderzoek werd onder meer het volgende stuk van overtuiging aangeboden aan het NFI om te onderzoeken op sperma en voor het bepalen van een DNA-profiel: de jurk van het slachtoffer (ACD549).

Deskundige Kockx van het NFI vermeldt in het rapport d.d. 19 december 2001 - zakelijk weergegeven - het volgende:

Op de jurk (ACD549) is een aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van sperma. De aanwezigheid van sperma kon microscopisch echter niet worden bevestigd.

Het materiaal op de jurk is onderworpen aan een DNA-onderzoek. De conclusie luidt dat het onderzochte celmateriaal vanaf de jurk bestaat uit een mengsel van celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer van feit 4 en celmateriaal van een onbekend persoon.

Deskundige De Blaeij vermeldt in het rapport d.d. 19 december 2014 - zakelijk weergegeven - het volgende:

Op de jurk ACD549 zijn diverse vlekken waargenomen. Materiaal in deze vlekken is met behulp van een indicatieve test (zure fosfatasetest) onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van sperma(vloeistof). De testuitslag was positief, dus is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof. In de bijbehorende microscooppreparaten zijn geen spermacellen waargenomen. Derhalve is de aanwezigheid van sperma microscopisch niet bevestigd, maar deze bevindingen passen bij de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid sperma in deze bemonstering.

Deskundige Kloosterman heeft in het rapport van het NFI d.d. 9 december 2015 - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld:

Op de jurk (ACD549) zijn vlekken aangetroffen die een positieve zure fosfatase reactie vertoonden. Omdat in de microscooppreparaten van deze vlekken geen spermacellen zijn aangetroffen, is met behulp van de immunologische PSA test nader onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van spermavloeistof in de bemonstering van de jurk. Hierbij is een positieve reactie voor de aanwezigheid van spermavloeistof verkregen. Hoewel de aanwezigheid van sperma op de jurk niet met 100% zekerheid is aangetoond zijn de gecombineerde onderzoeksresultaten (indicatieve test en PSA test) waarschijnlijker als de bemonsteringen ACD549#1 en #2 van de jurk sperma(vloeistof) bevatten, dan wanneer deze bemonsteringen geen sperma(vloeistof) bevatten.

In het NFI rapport d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door deskundige Kokshoom, staat een databank match beschreven tussen het referentiemonster van de verdachte en het profielcluster 1303, waar het DNA-profiel opgemaakt van celmateriaal van de jurk, ACD549#02, deel van uitmaakt. De matchkans van profiel ACD549#02 is kleiner dan één op één miljard, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4

Gedrag verdachte rond DNA-afname

Aan verdachte, die op 19 maart 2014 door de Rechtbank Midden-Nederland is veroordeeld ter zake van artikel 310 Sr, is een bevel tot afname DNA bij veroordeelden gegeven gedateerd 14 april 2014. Veroordeelde moest zich volgens dit bevel melden op 20 mei 2014. Het proces-verbaal van afname DNA-materiaal vermeldt dat de afname van DNA van verdachte heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014 te 10:25 uur.

Getuige [betrokkene 2] , de ex-vriendin van de verdachte, heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Op 18 mei 2014 deed [verdachte] een poging tot zelfmoord en op 20 mei 2014 moest hij DNA afstaan voor de gestolen fiets. Toen [verdachte] DNA moest afstaan was hij ontzettend zenuwachtig. Hij heeft de afspraak afgezegd in verband met zijn psychische problemen. Voor zover ik me herinner is 3 juni 2014 de dag geweest dat hij DNA heeft afgestaan. Hij was zenuwachtig, zweten, zijn hele manier van doen. Hij is flink veranderd sinds 18 mei. De laatste tijd keek hij continu vanaf zijn balkon naar buiten.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd:

Op 17 juni 2014 werd een doorzoeking gedaan in de woning van de verdachte. In beslag werden genomen onder meer een laptop en mobiele telefoons.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd:

Vastgesteld werd dat in de periode van 2 juni 2014 tot en met 5 juni 2014 op de inbeslaggenomen telefoon van het merk Samsung Galaxy Note III websites waren bezocht die gerelateerd waren aan onder andere DNA, DNA-onderzoek, serieverkrachter, Utrechtse serieverkrachter, opsporing (ophouden voor verhoor), uitkering tijdens detentie, wetteksten, zelfmoord, zelfdoding, ophanging, wurging en euthanasie. Ik zag dat tot 2 juni 2014 geen bezoeken aan deze gerelateerde sites te zien zijn. Op 2 juni 2014 gedurende de gehele dag en op 3 juni 2014 tot omstreeks 10:30 uur is een sterke toename te zien in het bezoeken van deze internetsites. Op 4 juni 2014 wordt geen van de sites meer bezocht en op 5 juni 2014 worden nog 2 sites bezocht gerelateerd aan DNA. Na 6 juni 2014 zijn geen bezoeken meer te zien.

Verbalisant [verbalisant 6] heeft - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd:

Op de laptop van de verdachte werden zoektermen van 13 mei 2014 aangetroffen betreffende onder meer overdosis van mirtazapine, remeron en temazepan.

Gedrag verdachte in de ten laste gelegde periode

Getuige [betrokkene 3] , de ex-vrouw van de verdachte, heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Ik ben getrouwd geweest met [verdachte] van 1999-2010. We hebben samen een dochter, [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1991. Fietsen deed [verdachte] alleen en hij kwam overal en nergens. Hij wist overal de weg. Het fietsen deed hij meestal in de avonduren. In de periode 1995/1996 maakte [verdachte] gebruik van een fiets, een mountainbike en een scooter. Hij ging 's avonds altijd even schuimen buiten. Hij ging gewoon naar buiten of er wel eens iets te halen viel. Hij ging op de fiets of scooter naar zijn moeder en ooms in Zeist. Waar hij dan precies heen ging weet ik niet. Het kan één of twee keer per week zijn geweest en dan weer een paar weken niet. Doorgaans vertrok hij 's avonds laat. Tien à elf uur. Dat is inderdaad een vreemd tijdstip om bij iemand op bezoek te gaan. Of hij bij iemand op bezoek ging weet ik ook niet. Hij zei dan dat hij een stukje ging fietsen of brommen. Hij had een goudkleurige ronde oorbel. Hij deed zijn sieraden nooit af als hij weg ging. [verdachte] is gesteriliseerd. Ik denk toen [betrokkene 4] 4 of 5 jaar oud was.

Getuige [betrokkene 4] , de dochter van verdachte, heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

De plekken waar het is gebeurd komen mij bekend voor. De Uithof. Mijn vader kwam daar ook. Hij ging daarnaar toe om naar zijn werk te gaan. Hij werkte bij DHL. Hij vertelde dat hij omreed. Of dat hij zin had om te scooteren voordat hij naar zijn werk ging. Soms ging hij wel een paar uur eerder van huis. Hij moest dan bijvoorbeeld om 23:00 uur beginnen met werken en hij ging vaak uren eerder weg bijvoorbeeld al om 20:00 uur. Hij ging best wel vaak 's avonds uren scooterrijden als hij een vrije avond had.

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs en de betrokkenheid van verdachte

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte de aangeefsters door geweld, door een andere feitelijkheid, door bedreiging met geweld en door bedreiging met een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van meerdere handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Hij heeft dit gedaan door de aangeefsters in het donker op onverhoedse wijze te dwingen van hun fiets te stappen, door daarbij aan hun haren of lichaam te trekken, door hun gezicht van hem afgeschermd te houden, door aan hen een mes te tonen en door hen gebiedend en bedreigend toe te spreken. Hij heeft dit gedaan door met een mes de onderkleding van twee aangeefsters open te snijden. Hij heeft dit ook gedaan door de aangeefsters te brengen naar locaties waar zij door niemand konden worden geholpen en waar de verdachte de volledige controle over hen had. In het geval van feit 4 heeft de verdachte daarbij de handen van aangeefster met tie-rips vastgebonden om een boom en haar gezicht omwikkeld met tape. De dwang die de verdachte door deze dwangmiddelen heeft uitgevoerd was zodanig dat de aangeefsters zich niet aan zijn handelen konden onttrekken. Het seksueel binnendringen heeft bij elk van de aangeefsters bestaan uit meerdere handelingen. De handelingen die bewezen kunnen worden verklaard bestaan onder meer uit het brengen van de vingers in de vagina van elk van de aangeefsters, het brengen van de vingers in de anus van de aangeefsters 2, 3 en 4, het brengen van de penis in de vagina van aangeefsters 2 en 3, het brengen van de penis in de anus van de aangeefsters van de feiten 1, 3 en 4, het brengen van de penis in de mond van aangeefsters 1, 2 en 3 en in het geval van feit 3 ook uit het brengen van het handvat van een fietspomp in de vagina en anus van de aangeefster. Een groot aantal van deze handelingen heeft de verdachte meermalen gepleegd. Bij de aangeefsters 2, 3 en 4 heeft de verdachte bovendien de borst en tepel betast, zoals ook ten laste is gelegd.

(...)

Ten aanzien van feit 4

Aangetroffen spoor op de jurk

Op de jurk (ACD549) van de aangeefster van feit 4 is een spoor aangetroffen, waarvan een volledig autosomaal DNA-profiel werd verkregen dat positief testte op de aanwezigheid van spermavloeistof. Het DNA-profiel van de verdachte matcht met dit spoor. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte ten tijde van het onder 4 ten laste gelegde feit was gesteriliseerd. In de bemonstering van de jurk van aangeefster van feit 4 zijn ook geen spermacellen aangetroffen. Wel hebben de deskundigen geconcludeerd dat het waarschijnlijker is dat de bemonstering van de jurk spermavloeistof bevat dan dat deze bemonstering geen spermavloeistof bevat. Deze conclusie, die is getrokken op basis van zowel de indicatieve zure fosfatasetest als de immunologische PSA test, is niet strijdig met het gegeven dat de verdachte op dat moment gesteriliseerd zou zijn. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft deskundige Kloosterman verklaard dat iemand die gesteriliseerd is, wel PSA in zijn spermavloeistof heeft. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft ook deskundige Herbergs verklaard dat bij een gesteriliseerde man de PSA-test nog wel bruikbaar is.

De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid dat door middel van het inbeslaggenomen pornoboekje contaminatie is ontstaan bij het spoor op de jurk. Blijkens het NFI-rapport van 26 augustus 2014 dat ingaat op de vraag welke sporen dan wel sporendragers in de zaak van aangeefster 4 bij het NFI zijn opgeslagen en bewaard, zijn onder andere DNA-extracten bewaard van een blad met porno. Deze hebben een DNA-zegelnummer gekregen. Volgens het openbaar ministerie is het pornoblaadje niet verder onderzocht door het NFI gelet op de plaats waar het was veiliggesteld, te weten Bos Amelisweerd, niet zijnde in de buurt van de plaats delict van feit 4. De verdediging stelt dat het niet uitgesloten kan worden dat het pornoboekje van verdachte was en dat hij over pornoboekjes beschikte. Verdachte heeft daarover zelf echter niet verklaard en verder is daarvoor ook geen objectieve aanwijzing, zodat niet aannemelijk is geworden dat het pornoboekje van verdachte is geweest. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte op de vraag hoe in de vier feiten contaminatie zou hebben kunnen plaatsvinden geen antwoord willen geven. Voorts bevat het dossier geen enkele aanwijzing voor contaminatie tussen het pornoboekje en de jurk van aangeefster, met name gelet op het feit dat het pornoboekje niet is aangetroffen op de plaats delict en dus ook niet gelijktijdig of samen met de op de plaats delict veiliggestelde sporen is veiliggesteld. Als hiervoor al is overwogen, blijft de stelling van de verdediging steken in het opperen van een niet onderbouwde, althans niet aannemelijk geworden mogelijkheid. Het verweer wordt verworpen.

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek van het spoor op de jurk van aangeefster van feit 4 waarbij een volledig autosomaal DNA-profiel werd verkregen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte, in samenhang bezien met de overeenkomsten van de verkrachting van aangeefster van feit 4 met de verkrachtingen van de aangeefsters van de feiten 2 en 3, acht het hof bewezen dat de verdachte degene is die zich aan de verkrachting van aangeefster van feit 4 heeft schuldig gemaakt.

Andere aangetroffen sporen

Bij aangeefster van feit 4 is in/rondom de vagina een ander spoor aangetroffen. Uit de brief van NFI deskundige Blaeij van 15 januari 2015 blijkt dat in het microscooppreparaat van bemonstering 4 (peri-vaginaal) twee spermacellen zijn waargenomen. Bij het DNA-onderzoek van dit spoor is geen match met verdachte naar voren gekomen maar wel is op een van de uitstrijkjes een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel van een onbekende man gevonden. Deskundige Kloosterman verklaart over dit spoor ten overstaan van de rechtercommissaris dat van de wattenstokjes waarmee het schede-uitstrijkje wordt gemaakt een klein stukje wordt afgeknipt voor de zure fosfatase test. Het microscopisch zien van twee spermakoppen (dus zonder staart) bewijst de aanwezigheid van sperma niet helemaal. Het is geen 100% bewijs voor de aanwezigheid van sperma. Een intacte spermacel met staart is bewijzend voor de aanwezigheid van sperma. Er zijn meer cellen die lijken op de kop van een spermacel, bijvoorbeeld sommige schimmels, die komen in schede-uitstrijkjes nog wel eens voor. Als het hier al om sperma gaat, is het heel weinig en als aangeefster seks zou hebben gehad met iemand dan was op meer plekken van de inwendige uitstrijkjes mannelijk DNA te verwachten. Naar het oordeel van het hof kan op grond hiervan, anders dan de verdediging stelt, dit spoor niet worden gezien als een ontlastend daderspoor en staat het aan een bewezenverklaring van feit 4 niet in de weg.

Voorts merkt het hof op dat weliswaar het DNA dat is aangetroffen op de tie-rips die bij feit 4 zijn gebruikt, niet matcht met het DNA van verdachte en dat daarop geen DNA van verdachte is aangetroffen, maar dit sluit geenszins uit dat verdachte de dader is geweest. Het feit dat verdachte in 2002 niet over tie-rips bleek te beschikken en dat een onderzoek bij zijn werkgever geen aanwijzingen heeft opgeleverd dat hij die tie-rips wel had kunnen hebben, en de omstandigheid dat die tie-rips bij gewone doe-het-zelf-zaken waren te verkrijgen, maken dat niet anders. Verder merkt het hof op dat weliswaar het dactyloscopisch spoor dat is aangetroffen op de tape die bij feit 4 is gebruikt, niet overeenkomt met verdachte maar dat ook dat geenszins uitsluit dat verdachte de dader is geweest. Het op de tape aangetroffen dactyloscopisch spoor bleek bij onderzoek te koppelen aan een man die als dader kon worden uitgesloten. Naar het oordeel van het hof staan deze feiten en omstandigheden dan ook niet aan een bewezenverklaring van feit 4 in de weg. Het hof hecht een zwaarder gewicht aan de hiervoor genoemde belastende bewijsmiddelen, waaronder het belastende DNA-bewijs met betrekking tot dit feit. Het verweer wordt verworpen.

Het hof zal hierna nog ingaan op andere aangevoerde feiten en/of omstandigheden die volgens de verdediging ontlastend zouden zijn, samen met dergelijke feiten en/of omstandigheden die de verdediging heeft genoemd bij andere feiten.

Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4

Bij het vorenstaande heeft het hof de resultaten van het DNA-onderzoek door het NFI als bewijs gebruikt. Wat betreft het verweer van de verdediging dat het DNA-materiaal van verdachte door middel van contaminatie op de onderzochte bemonsteringen terecht kan zijn gekomen, verwijst het hof naar hetgeen bij de beantwoording van onderzoeksvraag 2 dienaangaande is overwogen en naar hetgeen dienaangaande hiervoor bij de bespreking van de afzonderlijke feiten is overwogen.

De verdediging heeft in het pleidooi nog een aantal feiten en omstandigheden genoemd, zowel per feit als geclusterd, die voor verdachte ontlastend zouden zijn. Tegenover deze aangehaalde feiten en/of omstandigheden staan de belastende feiten en/of omstandigheden zoals hierboven weergegeven, kort gezegd de aangiften, de DNA-matches, het gedrag van verdachte rond de DNA-afname en het gedrag van verdachte in de tenlastegelegde periode. Aan deze belastende feiten en omstandigheden kent het hof een zwaarder gewicht toe dan aan de (mogelijk) ontlastende feiten en omstandigheden. Deze zijn niet van dien aard zijn dat verdachte de dader niet kàn zijn geweest. Een voorbeeld daarvan is het feit dat een onderzoek naar het mogelijk aanstralen door de mobiele telefoon van verdachte van masten rond de pleegplaatsen in 2001 geen positief resultaat heeft opgeleverd. Dat sluit immers geenszins uit dat verdachte de dader is geweest. Hetgeen het hof zojuist heeft opgemerkt geldt zowel voor ieder los feit en/of omstandigheid maar ook voor alle door de verdediging genoemde feiten en/of omstandigheden in samenhang bezien.

Signalement van de dader

De hierna te bespreken punten komen voort uit hetgeen de aangeefsters wel of niet (zouden) hebben gezien wat betreft het signalement (in brede zin) van de dader. Het hof stelt voorop dat verdachte niet op heterdaad of zeer kort na de feiten is aangehouden en dat de fietsen, die bij de feiten 1, 2 en 3 zijn gebruikt en de scooter en de integraalhelm die bij de feit 4 zijn gebruikt, niet zijn achterhaald. Wat betreft het signalement van verdachte, zoals de vraag of hij wel of niet een snor droeg, of hij wel of niet een boxershort droeg bij feit 2, welke fietsen zijn gebruikt bij de feiten 1, 2 en 3 en welke scooter en integraalhelm zijn gebruikt bij feit 4, staat daarom in objectieve zin niets vast. Er zijn subjectieve verklaringen op dat punt waaronder die van de aangeefsters en van anderen, maar voor laatstgenoemden geldt dat zij hun verklaringen vele jaren na dato hebben afgelegd. Zoals hiervoor bij de beantwoording van onderzoeksvraag 1 ten aanzien van de aangeefster van feit 4 is verwoord, geldt ten aanzien van alle aangeefsters dat zij het signalement (in brede zin) hebben opgegeven na een buitengewoon stresserende en emotionele gebeurtenis te hebben ondergaan. Hierbij neemt het hof ten aanzien van de aangeefsters van feit 2 en feit 4 mede hun jeugdige leeftijd, namelijk zestien jaar, in aanmerking. Wat een slachtoffer op zo'n moment moet ondergaan, overstijgt het zien en/of onthouden van (voor de verkrachting zelf niet relevante) details bij de dader waarvan tenminste een deel hoe dan ook niet behoeft op te vallen, zoals een missend vingertopje.

De aangeefsters van de feiten 1 en 2 zouden bij het geven van het signalement van de dader niets hebben verklaard over een snor. Aangeefster van feit 3 heeft verklaard dat de dader volgens haar geen snor had. Uit de verklaring van de ex-vriendin van verdachte, getuige [betrokkene 1] , kan blijken dat verdachte waarschijnlijk op 16 september 1995 een snor droeg. De ex-vrouw van verdachte, getuige [betrokkene 3] , heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat hij soms wel en soms geen snor droeg: Er kan daarom vanuit worden gegaan dat verdachte waarschijnlijk ten tijde van feit 2 en misschien ook ten tijde van feit 1 en 3 een snor heeft gedragen. Voor het niet opmerken van een dergelijk lichaamskenmerk kunnen verschillende verklaringen zijn, zo was het ten tijde van de feiten in ieder geval donker en werden de aangeefsters van achteren benaderd door de dader waarbij hij ze dwong om weg te kijken. Bij feit 2 droeg de verdachte bovendien een panty over zijn hoofd. Als daarbij wordt betrokken de inleidende opmerking die het hof heeft gemaakt, dan is het niet verklaren over een snor c.q. de verklaren dat dader geen snor had, niet van dien aard dat daaruit de conclusie zou moeten worden getrokken dat verdachte de dader niet kan zijn geweest. Het een en ander geldt overeenkomstig voor het missende topje van de rechtervinger van de verdachte, waarover geen van de aangeefsters heeft verklaard. Het hof acht het zeer wel voorstelbaar gelet op de omstandigheden dat ook dit lichaamskenmerk de aangeefsters niet is opgevallen c.q. dat hen dit niet is bijgebleven.

Aangeefster van feit 4 heeft een omschrijving gegeven van de integraalhelm die de dader droeg op het moment dat hij haar dwong om van haar fiets af te stappen. Verdachte heeft wel integraalhelmen gehad. De integraalhelmen die de politie heeft gezien in de berging van verdachte tijdens een bezoek in 2002 voldeden echter niet aan de omschrijving die aangeefster van feit 4 heeft gegeven, terwijl ook de integraalhelm die hij op 18 augustus 2002 droeg daaraan niet voldeed. Dit betekent niet dat verdachte niet de dader kan zijn van feit 4. Het bezoek aan de verdachte vond plaats bijna een jaar na het tijdstip van de verkrachting in oktober 2001. Het is geenszins uit te sluiten dat verdachte ten tijde van feit 4 een dergelijke helm heeft gehad. Het feit dat wel andere integraalhelmen zijn aangetroffen, bevestigt in ieder geval dat de verdachte dit soort helmen had, terwijl uit de verklaring van getuige [betrokkene 3] en de controle op 18 augustus 2002 blijkt dat hij die ook droeg. Als daarbij wordt betrokken de inleidende opmerking die het hof heeft gemaakt, dan ziet het hof in haar beschrijving van de helm geen aanleiding om de conclusie te trekken dat verdachte de dader niet kan zijn geweest.

Aangeefster van feit 4 heeft verder een beschrijving gegeven van de scooter van de dader die niet een op een overeenkomt met de scooter die verdachte toentertijd zou hebben gehad. Verdachte had in ieder geval ten tijde van dat feit een scooter en maakte daar gebruik van, onder andere om te schuimen en om naar Zeist te gaan. Getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat verdachte om de twee jaar een nieuwe scooter kocht en ook wel op haar scooter reed, ook naar Zeist. Als daarbij wordt betrokken de inleidende opmerking die het hof heeft gemaakt, dan ziet het hof in haar beschrijving van de scooter geen aanleiding om de conclusie te trekken dat verdachte de dader niet kan zijn geweest. Niet alleen is het mogelijk dat aangeefster de scooter niet goed heeft beschreven, maar ook dat verdachte een andere dan zijn eigen scooter heeft gebruikt.

De aangeefster van feit 2 heeft verklaard dat de dader een witte boxershort met rode opdruk droeg. Welk ondergoed verdachte op de desbetreffende dagen droeg staat niet vast. Getuige [betrokkene 3] verklaart - ongeveer twintig jaar na dato - op dit punt niet eenduidig en (ook) wat de tijd betreft niet helder. Zij verklaart dat verdachte effen herenslips droeg van de Hema die zij kocht, en dat hij pas veel later met boxershorts is begonnen, omdat hij steeds dikker werd. Tegenover de raadsheercommissaris verklaart zij dat verdachte in 1986/1987 toen zij hem leerde kennen, zeventig à tachtig kilo woog maar in 1995/1996 - dus ten tijde van feit 2 - al meer dan honderd kilo (en daarna nog meer). Haar verklaringen sluiten daarom niet uit dat verdachte al in 1995 boxershorts droeg, want hij was toen al flink dikker geworden. Als daarbij wordt betrokken de inleidende opmerking die het hof heeft gemaakt, dan ziet het hof in de beschrijving van de aangeefster van feit 2 geen aanleiding om de conclusie te trekken dat verdachte niet de dader van dat feit kan zijn geweest.

Twee van de vier aangeefsters hebben verklaard dat de dader accentloos Nederlands sprak, terwijl de verdediging stelt dat de verdachte spreekt met een Utrechts accent. Ook dit maakt niet dat het hof twijfelt aan de betrokkenheid van verdachte bij die tenlastegelegde feiten. De bewoordingen op basis waarvan de aangeefsters deze uitspraak hebben gedaan zijn beperkt. Bovendien is niet duidelijk in hoeverre alle aangeefsters in staat waren verschillende accenten te onderscheiden. Als daarbij wordt betrokken de inleidende opmerking die het hof heeft gemaakt, dan ziet het hof in het al dan niet spreken met een Utrechts accent geen aanleiding om de conclusie te trekken dat verdachte de dader niet kan zijn geweest.

Ten aanzien van het signalement van verdachte merkt het hof tenslotte nog op dat van belang is dat er ook overeenkomsten bestaan in het signalement dat de verschillende aangeefster van de dader hebben gegeven. De aangeefsters van feit 1, feit 2 en feit 4 spreken over een fors postuur, kort haar en een lengte van circa 1.70 meter. Deze kenmerken passen bij het signalement van de verdachte in die tijd.

Modus operandi

De verdediging heeft voorts aangegeven dat het opvallend is dat een verkrachter na vijf jaar weer actief wordt en dat de modus operandi bij feit 4 wezenlijk afwijkt van die van de eerste drie feiten. Tegenover de punten die de verdediging heeft genoemd als afwijkend ten opzichte van de eerdere verkrachtingen staan, naar het oordeel van het hof, ook veel overeenkomsten.

Zo hebben de vier verkrachtingen in de avonduren plaatsgevonden in het landelijk gebied aan de oostzijde van de stad Utrecht. Het betreft een regio waarover getuigen hebben verklaard dat de verdachte hier bekend was. Juist in die omgeving fietste en scooterde de verdachte regelmatig in de avonduren. De reden van deze fietstochten was voor de getuigen, waaronder de toenmalige vrouw van de verdachte, echter onduidelijk. Een andere overeenkomst is dat de verdachte de fietsende aangeefsters steeds van achteren heeft benaderd. Onder bedreiging van een mes nam hij alle vier de aangeefsters mee naar de plek waar hij hen verkrachtte. Ook valt op dat de verdachte de verschillende aangeefsters op vergelijkbare wijze heeft toegesproken. Tegen aangeefsters 1, 2 en 4 heeft hij gezegd: "Dan leer je dat maar." Om aan aangeefsters 1, 2 en 3 duidelijk te maken dat zij hem moesten pijpen zei hij: "Zuigen, je moet flink zuigen". Tegen aangeefsters 1 en 3 heeft hij gezegd: "Als je doet wat ik zeg, gebeurt er niets". Tegen aangeefster 4 heeft hij vergelijkbare woorden geuit, namelijk: "Als je niks zegt, gebeurt er niks". De aangeefsters van de feiten 1, 3 en 4 heeft de verdachte om geld gevraagd en tegen de aangeefsters 2 en 3 heeft hij gezegd dat de politie achter hem aan zat. Ten slotte zijn overeenkomsten te zien in de seksuele handelingen die de verdachte bij de vier verschillende aangeefsters heeft verricht. Bij alle vier de aangeefsters heeft hij zijn vingers in de vagina gebracht. Bij de aangeefsters van de feiten 2, 3 en 4 heeft hij zijn vingers ook in de anus gebracht. Bij de aangeefsters van de feiten 1, 2 en 3 heeft hij zijn penis in de mond van de aangeefsters gebracht. Bij de feiten 2 en 3 heeft hij zijn penis in de vagina gebracht. Bij alle vier de aangeefsters heeft hij zijn penis in de anus gebracht. In het geval van de feiten 2, 3 en 4 heeft de verdachte de borst en tepel van de aangeefster betast. Daarnaast ziet het hof, mede in het licht van de belastende bewijsmiddelen, in het gegeven dat tussen de eerste drie feiten en het vierde feit zes jaar is verlopen geen aanleiding om te twijfelen aan het daderschap van verdachte.

Fietsen en nachtblindheid

Hetgeen de ex-echtgenote heeft verklaard ten aanzien van de fietsen en het gezichtsvermogen in het donker van verdachte maakt ook niet dat bij het hof twijfel is ontstaan over de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Ook hier geldt dat deze omstandigheden niet dermate ontlastend zijn dat verdachte daarmee onmogelijk de dader kan zijn. Nog daargelaten de waarde die moet worden toegekend aan de verklaring van [betrokkene 3] omtrent het gezichtsvermogen van verdachte in het donker, stelt het hof vast dat zijn gezichtsvermogen hem niet verhinderde om, zoals verschillende getuigen verklaren, onder andere [betrokkene 3] , 's avonds met de fiets of met de scooter op pad te gaan. Verdachte heeft overigens zelf niets over zijn gezichtsvermogen verklaard.

(...)

Gedrag van verdachte rond DNA-afname

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte opvallend gedrag heeft vertoond voorafgaand aan en na de afname van zijn DNA in mei 2014. Hij had stress, was zenuwachtig en suïcidaal. Dat dit te wijten zou zijn aan zijn (naderende) ontslag acht het hof niet aannemelijk. Getuige [betrokkene 2] verklaart dat verdachte op 18 mei 2014 een poging tot zelfmoord deed en op 20 mei 2014 DNA moest afstaan. Op die dag was hij zenuwachtig en moest hij zweten. Hij keek volgens haar de laatste tijd ook continue vanaf zijn balkon naar buiten. Op internet bezocht hij pagina's die te maken hadden met de Utrechtse serieverkrachter, en hij bezocht pagina's over DNA-onderzoek, over opsporing, over uitkering tijdens detentie en over zelfmoord. Hieruit blijkt een verband tussen het gedrag van verdachte en de afname van zijn DNA. Het hof ziet hierin een bevestiging van de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde verkrachtingen.

(...)

Gebruik van schakelbewijs

Met de rechtbank ziet het hof gelet op de hierna te noemen bewijsmiddelen overeenkomsten in signalement en modus operandi. Deze overeenkomsten zijn van dien aard dat de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen in zoverre telkens het bewijs ten aanzien van de andere feiten ondersteunen. Het hof ziet niet zodanige verschillen dat daarvan zou moeten worden afgezien.

(...)"

2.3.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsvoering heeft het Hof, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, op een niet onbegrijpelijke en toereikend gemotiveerde wijze, kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die het onder 4 bewezenverklaarde feit heeft gepleegd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof – niet onbegrijpelijk – heeft vastgesteld en in onderling verband heeft beschouwd dat op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek van het spoor op de jurk van de aangeefster van feit 4 een volledig autosomaal DNA-profiel werd verkregen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte, dat en welke overeenkomsten bestaan tussen de wijze waarop de verkrachting van de aangeefster van feit 4 heeft plaatsgevonden en die van de verkrachtingen van de aangeefsters van de feiten 1, 2 en 3, en dat ook overeenkomsten bestaan in het signalement dat de verschillende aangeefsters van feit 1, feit 2 en feit 4 van de dader hebben gegeven.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het zesde middel

3.1.

Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat art. 278, tweede lid, Sv de wettelijke grondslag biedt voor het door de Rechtbank afgeven van een bevel tot medebrenging voor het bijwonen van de uitspraak.

3.2.1.

Art. 278, tweede lid, Sv luidt:

"In geval de rechtbank het wenselijk acht dat de verdachte bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon zal verschijnen; zij kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten. In het geval, bedoeld in artikel 260, zesde lid, is artikel 495a, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing."

3.2.2.

Art. 278 Sv is geplaatst in Boek II, Titel VI, Sv handelend over de 'Behandeling van de zaak door de rechtbank', waaronder ingevolge de Vierde afdeling van die Titel ook de uitspraak valt.

3.3.

Het middel berust op de opvatting dat het tweede lid van art. 278 Sv niet toelaat dat medebrenging van de verdachte wordt gelast opdat deze aanwezig zal zijn bij de – tot behandeling van de zaak behorende – openbare terechtzitting waarop uitspraak wordt gedaan. Deze opvatting is gelet op de hiervoor weergegeven systematiek van de wet in zijn algemeenheid onjuist.

3.4.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018.