Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2350

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
17/02688
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1090
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:1110, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Recidiveregeling art. 123b WVW 1994 en ontvankelijkheid OM in vervolging t.z.v. rijden onder invloed met ademalcoholgehalte van 740 microgram, art. 8.2.a WVW 1994. Verwerping verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM. Leidt omstandigheid dat rijbewijs o.g.v. art. 123b.1 WVW 1994 van rechtswege geldigheid verliest indien sprake is van recidive tot n-o OM? O.g.v. art. 123b.1 WVW 1994 verliest een rijbewijs van rechtswege geldigheid indien aan daar gestelde voorwaarden is voldaan. Daarvan is sprake in geval van recidive t.z.v. met middelengebruik verband houdende verkeersdelicten. Verlies van geldigheid van rijbewijs is het directe gevolg van onherroepelijk worden van een tweede veroordeling t.z.v. zo een delict dat is begaan binnen de in art. 123b.1 WVW 1994 genoemde periode van vijf jaar. Dat betekent dat strafrechter bij vervolging van het feit dat tot die tweede veroordeling leidt, bij straftoemeting rekening kan houden met gevolg dat door regeling van art. 123b WVW 1994 wordt verbonden aan veroordeling indien deze onherroepelijk wordt. Dat heeft Hof blijkens zijn strafmotivering in deze zaak ook gedaan. Anders dan het middel betoogt, is ontvankelijkheid van OM in de vervolging voor een met middelengebruik verband houdend verkeersdelict niet in het geding door enkele omstandigheid dat onherroepelijke veroordeling tot gevolg heeft dat rijbewijs o.g.v. art. 123b WVW 1994 van rechtswege geldigheid verliest. Dat betoog vindt geen steun in het recht, ook niet in de door het middel genoemde bepalingen van het EVRM. Evenmin gaat een vergelijking op met de uitzonderlijke situatie a.b.i. ECLI:NL:HR:2015:434, reeds omdat het daar ging om de situatie dat, nadat de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma was opgelegd, strafvervolging t.z.v. hetzelfde feit plaatsvond. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/105
NJ 2019/75 met annotatie van Redactie, J.M. Reijntjes
JWR 2019/6 met annotatie van Regterschot, W.H.
NBSTRAF 2019/27
SR-Updates.nl 2019-0078
JWR 2018/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/02688

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 april 2017, nummer 22/001784-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C. Grijsen, advocaat te Almere, en R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel komt met diverse klachten op tegen de verwerping door het Hof van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

2.2.1.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 12 oktober 2014 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 740 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn."

2.2.2.

Het Hof heeft een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw het verweer gevoerd - zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, nu het hof de beslissing tot veroordeling en daarmee tot oplegging van een straf niet kan nemen, subsidiair vanwege de schending van de beginselen van een goede procesorde, omdat er sprake is van een inbreuk op het beginsel dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit en meest subsidiair vanwege het volgen van een verkeerde juridische route, omdat het openbaar ministerie niet heeft gekozen voor de bestuursrechtelijke weg, de vorderingsprocedure van artikel 130 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

De raadsvrouw heeft betoogd dat artikel 123b WVW 1994 een "criminal charge" in de zin van het EVRM is. De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie aan het hof vraagt een beslissing te nemen waarvoor de wetgever het hof geen bevoegdheden heeft gegeven, namelijk het in gang zetten van een dubbele vervolging, omdat na een veroordeling van de verdachte voor een strafbaar feit in zijn geval een tweede straf automatisch en dus zonder tussenkomst van een rechter en ook zonder rechtsbescherming volgt, te weten het verlies van de geldigheid van zijn rijbewijs. Daar komt nog bij dat de lichtere bestuursrechtelijke maatregel - het ASP - reeds als "criminal charge" is aangemerkt, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van artikel 123b WVW 1994 verliest een rijbewijs zijn geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig is veroordeeld wegens onder andere overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, WVW 1994 indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde, lucht, een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid WVW 1994. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, wordt het rijbewijs van rechtswege ongeldig op het moment waarop de veroordeling onherroepelijk wordt.

De wetgever heeft de maatregel - het rechtsgevolg van ongeldigheid van het rijbewijs - als bestuursrechtelijk gekwalificeerd (zie Kamerstukken I 2007-2008, 30 324, nr. C, p. 3). De vraag die door de verdediging aan de orde wordt gesteld, is of de ongeldigheid van rechtswege een maatregel is die gebaseerd is op een "criminal charge".

In de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) zijn in de loop der tijd maatstaven geformuleerd voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een "criminal charge" in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM. Zo dienen blijkens (onder andere) het arrest van het EHRM in de zaak Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976

NJ 1978, 223, de volgende criteria bij die beoordeling te worden betrokken:

1. de classificatie naar nationaal recht;

2. de aard van het delict;

3. de aard en zwaarte van de maatregel, die met de overtreding wordt geriskeerd.

Ten aanzien van het eerste criterium: het rijden onder invloed van alcohol is enerzijds strafbaar gesteld in artikel 8 WVW 1994, maar kan anderzijds ook bestuursrechtelijke consequenties hebben.

Ten aanzien van het tweede criterium: het rijden onder invloed van alcohol is een gedraging die de veiligheid van de verkeersdeelnemers in gevaar brengt en is daarom door de wetgever als misdrijf gekwalificeerd.

Ten aanzien van het derde criterium: de wetgever heeft de ongeldigheid van rechtswege van het rijbewijs gekarakteriseerd als een bestuursrechtelijk gevolg. Degene die herhaaldelijk wordt veroordeeld wegens het rijden onder invloed wordt geacht, niet langer te voldoen aan de eisen die gelden voor de vergunning.

Het hof acht het rechtsgevolg van ongeldigheid van rechtswege van een rijbewijs door de recidiveregeling op grond van artikel 123b WVW 1994 naar aard en zwaarte geen maatregel gebaseerd op een "criminal charge". Het hof overweegt dat het rijbewijs kan worden beschouwd als een vergunning die slechts kan worden afgegeven aan een persoon die heeft aangetoond over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid te beschikken. Op het moment dat deze persoon herhaaldelijk met drank op achter het stuur zit, kan ervan worden uitgegaan dat hij niet meer aan de eisen voldoet voor de vergunning, waardoor de grond ontvalt aan zijn vergunning om een motorrijtuig te besturen.

Het voorgaande betekent dat er naar het oordeel van het hof van dubbele vervolging of dubbele bestraffing indien na een strafrechtelijke veroordeling artikel 123b WVW 1994 van toepassing wordt, geen sprake is. Daarnaast is geen sprake van een oplegging door de strafrechter, nu een rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt. Het verweer van de verdachte dat hij voor een tweede keer wordt vervolgd of bestraft en dat sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel strandt al daarop. Om dezelfde reden is er geen strijd met een goede procesorde.

Het meest subsidiaire verweer dat het openbaar ministerie de verkeerde juridische route heeft gekozen en niet heeft gekozen voor de vorderingsprocedure van artikel 130 WVW 1994, slaagt al niet omdat in deze bestuursrechtelijke procedure, die niets met de strafprocedure te maken heeft, het CBR het besluit daartoe neemt.

Het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt verworpen."

2.2.3.

Het Hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard in die zin dat het ademalcoholgehalte 740 microgram bedroeg. Het heeft de verdachte te dier zake veroordeeld tot een geldboete van € 950,00, bij niet betaling te vervangen door 19 dagen hechtenis, waarvan € 500,00, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De strafmotivering houdt onder meer in:

"Het hof zal bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening houden met het feit dat de verdachte als gevolg van de onderhavige zaak opnieuw zijn rijbewijs zal moeten halen, alsmede met het feit dat de verdachte een EMA cursus heeft moeten volgen."

2.3.

De hier toepasselijke bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) luiden:

- art. 8, tweede lid aanhef en onder a:

"Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht."

- art. 123b, eerste en tweede lid:

"1. Onverminderd (...) verliest een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, is veroordeeld wegens overtreding van:

(...)

c. artikel 8, tweede (...) lid, indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan

1,3 milligram alcohol per milliliter bloed;

(...)

een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van

(...)

2°. artikel 8, (...) tweede (...) lid,

(...)

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld."

2.4.

Op grond van art. 123b, eerste lid, WVW 1994 verliest een rijbewijs van rechtswege zijn geldigheid indien aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Daarvan is, kort gezegd, sprake in geval van recidive ter zake van met middelengebruik verband houdende verkeersdelicten. Het verlies van de geldigheid van het rijbewijs is daarbij het directe gevolg van het onherroepelijk worden van een tweede veroordeling ter zake van zo een delict dat is begaan binnen de in art. 123b, eerste lid, WVW 1994 genoemde periode van vijf jaar. Dat betekent dat de strafrechter bij de vervolging van het feit dat tot die tweede veroordeling leidt, in het kader van de straftoemeting rekening kan houden met het gevolg dat door de regeling van art. 123b WVW 1994 wordt verbonden aan de veroordeling indien deze onherroepelijk wordt. Dat heeft het Hof blijkens zijn hiervoor onder 2.2.3 weergegeven strafmotivering in deze zaak ook gedaan.

2.5.

Anders dan het middel betoogt, is de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging voor een met middelengebruik verband houdend verkeersdelict niet in het geding door de enkele omstandigheid dat een onherroepelijke veroordeling tot gevolg heeft dat het rijbewijs op grond van art. 123b WVW 1994 van rechtswege zijn geldigheid verliest. Dat betoog vindt geen steun in het recht, ook niet in de door het middel genoemde bepalingen van het EVRM. Evenmin gaat een vergelijking op met de uitzonderlijke situatie als bedoeld in HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, reeds omdat het daar ging om de situatie dat, nadat de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma was opgelegd, een strafvervolging ter zake van hetzelfde feit plaatsvond.

2.6.

In zoverre faalt het middel.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018.