Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2338

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
17/02859
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1404
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging, art. 141 Sr. Vordering b.p. en schadevergoedingsmaatregel, art. 51.1 Sv en 36f Sr. Reiskosten aangemerkt als rechtstreekse schade i.p.v. als proceskosten. Belang bij cassatie? Hof heeft ten onrechte bedrag van € 8,70 te vermeerderen met wettelijke rente als schadevergoeding toegewezen aan b.p. Het gaat om reiskosten naar advocaat die b.p. heeft gemaakt, die niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waaromtrent rechter ex art. 592a Sv in daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven (vgl. ECLI:NL:HR:2017:653). Dit behoeft niet tot cassatie te leiden. Hof had ex art. 592a Sv verdachte moeten veroordelen in kosten door b.p. gemaakt, begroot op € 8,70. Vernietiging van bestreden beslissing heeft niet tot gevolg dat verdachte dit bedrag, waarvan hoogte niet is betwist, niet zou behoeven te betalen; hij zou dit bedrag dan verschuldigd worden door zijn veroordeling in die kosten. In de schriftuur is niet aangevoerd welk bijzonder belang verdachte heeft bij vernietiging op dit punt. In deze omstandigheden, waarin vernietiging geen invloed heeft op duur van vervangende hechtenis die aan de schadevergoedingsmaatregel is verbonden, valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang verdachte heeft bij vernietiging van bestreden uitspraak. Dat verdachte dan niet de wettelijke rente verschuldigd zou zijn over bedrag van € 8,70 maakt dat niet anders. Volgt verwerping. CAG (anders): strekt tot vernietiging t.a.v. vordering b.p. en schadevergoedingsmaatregel en tot afdoening door HR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/123
SR-Updates.nl 2019-0067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/02859

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 mei 2017, nummer 23/004119-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding voor zover deze betreft de reiskosten die de benadeelde partij in het kader van zijn vorderingsprocedure heeft gemaakt, tot verwijzing van de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, te weten € 8,70 ter zake van reiskosten, en die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding aan de benadeelde partij tot een bedrag van € 629,58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, en de verdachte voor genoemd bedrag de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij, van een bedrag van € 629,58, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twaalf dagen hechtenis, te bepalen dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen, met verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten van zijn huis naar zijn advocaat heeft toegewezen en heeft vermeerderd met de wettelijke rente en ten aanzien van die kosten een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, terwijl deze reiskosten niet gelden als rechtstreekse schade.

2.2.

Het Hof heeft ten onrechte een bedrag van € 8,70 te vermeerderen met de wettelijke rente als schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij. Het gaat hier immers om reiskosten naar de advocaat die de benadeelde partij heeft gemaakt, die niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven. (Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL: HR:2017:653.)

Het middel klaagt daarover terecht.

2.3.

Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden op grond van het volgende. Het Hof had op de voet van art. 592a Sv de verdachte moeten veroordelen in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, begroot op € 8,70. Vernietiging van de bestreden beslissing heeft niet tot gevolg dat de verdachte dit bedrag, waarvan de hoogte niet is betwist, niet zou behoeven te betalen; hij zou dit bedrag dan immers verschuldigd worden door zijn veroordeling in die kosten. In de schriftuur is niet aangevoerd welk bijzonder belang de verdachte heeft bij vernietiging op dit punt. In deze omstandigheden, waarin vernietiging geen invloed heeft op de duur van de vervangende hechtenis die aan de schadevergoedingsmaatregel is verbonden, valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Dat de verdachte dan niet de wettelijke rente verschuldigd zou zijn over het bedrag van € 8,70 maakt dat niet anders.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018.