Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2336

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
17/02109
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:662
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:1760
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Zaak Guus K. Medeplichtigheid aan medeplegen van oorlogsmisdrijven (art. 8 (oud) Wet oorlogsstrafrecht) en medeplegen van opzettelijke overtredingen van VN-wapenembargo’s (art. 2 en 3 Sanctiewet 1977 jo. art. 1, 2 en 6 WED) tussen 2000 en 2003 tijdens Liberiaanse burgeroorlog. Vervolg op ECLI:NL:HR:2010:BK8132. Is OM n-o in vervolging verdachte vanwege door toenmalige president van Liberia, Charles Taylor, op 7 augustus 2003 (vier dagen voor zijn aftreden) goedgekeurde amnestieregeling?

De vraag of de Liberiaanse amnestieregeling aan vervolging van verdachte in Nederland in de weg staat, dient mede te worden bezien tegen de achtergrond van de positieve verplichtingen die - o.m. ex art. 2 en 3 EVRM - op staten rusten tot bescherming van het recht op leven en tot voorkoming van een onmenselijke behandeling. Die verdragsverplichtingen betreffen o.m. het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek en het openstellen van de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging en bestraffing. Uit rechtspraak van het EHRM valt af te leiden dat niet uitgesloten is dat in een uitzonderlijk geval amnestieverlening voor (oorlogs)misdrijven toelaatbaar is, bijv. indien sprake is (geweest) van een verzoeningsproces en/of een vorm van compensatie voor slachtoffers. Uit het internationale recht vloeit evenwel voort dat niet snel wordt aangenomen dat van een vervolging kan worden afgezien vanwege amnestie (vgl. EHRM Marguš/Kroatië en EHRM Ould Dah/Frankrijk).

Het Hof heeft het standpunt dat naar Liberiaans recht de amnestieregeling ook na het vredesakkoord en het instellen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie gelding heeft behouden, niet gehonoreerd. V.zv. het middel klaagt dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het Liberiaanse recht, faalt het. De juistheid van dat oordeel kan in cassatie niet worden getoetst omdat HR ex art. 79 RO niet kan treden in de uitleg van het recht van vreemde staten. In de kern komt ’s Hofs oordeel hierop neer dat de enkele door de verdediging gestelde omstandigheid dat volgens de Liberiaanse amnestieregeling aan verdachten in Liberia amnestie is verleend niet aan strafvervolging in Nederland van verdachte voor de onderhavige zeer ernstige internationale misdaden in de weg staat. Bij dat oordeel heeft het Hof mede de uit art. 2 en 3 EVRM voortvloeiende verdragsverplichtingen betrokken die met zich brengen dat bij verdenking van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid een effectief (strafrechtelijk) onderzoek moet worden ingesteld en dat zo nodig voor dergelijke misdrijven moet worden vervolgd. Mede gelet op ’s Hofs vaststellingen m.b.t. de omstandigheden waaronder de amnestieregeling tot stand is gekomen heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting het verweer op toereikende gronden verworpen. Volgt verwerping (overige 29 middelen: art. 81.1 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/25
RvdW 2019/167
NBSTRAF 2019/24 met annotatie van Zwanenburg, M.C.
SR-Updates.nl 2019-0076
TPWS 2019/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/02109

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 april 2017, nummer 20/001906-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en I.N. Weski, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Waar het in deze zaak om gaat

2.1.

De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 7 tot en met 9 waar het in deze zaak om gaat als volgt samengevat:

"De verdachte is een Nederlander die naar eigen zeggen vanaf het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw zakelijk actief is geweest in het aan de westkust van Afrika gelegen Liberia. (...) Zijn bedrijf [B] is in 1997 of 1998 overgegaan in [C] . In 1999 heeft de verdachte met zijn Indonesische handelspartners daarnaast het houtkapbedrijf [D] opgericht. Van [D] is de verdachte de president geweest. (...) Als eigenaar onderscheidenlijk president van twee grote houtkapbedrijven waarin Charles Taylor (financiële) belangen bezat, had de verdachte een tamelijk nauwe verbondenheid met (het regime van) Charles Taylor.

In 1999 is in Liberia de tweede Liberiaanse burgeroorlog losgebarsten, waarover het hof onder meer het volgende heeft vastgesteld. Gedurende ongeveer vijf jaar is vrijwel bij voortduring sprake geweest van een gewapende strijd tussen Liberiaanse gecombineerde strijdkrachten onder leiding van Charles Taylor aan de ene kant en de rebellengroep "Liberians United for Reconciliation and Democracy" (LURD) aan de andere kant. Deze laatste groepering kreeg steun van een andere rebellengroep, die bekend stond als de "Movement for Democracy in Liberia" (MODEL). Het vermoeden bestaat dat de LURD daarnaast werd ondersteund door de regering van het aan de noordzijde van Liberia grenzende Guinee, terwijl ook gevechten hebben plaatsgevonden in het aan de noord-westzijde van Liberia grenzende Sierra Leone. De tweede Liberiaanse burgeroorlog vertoonde een cyclisch patroon met wisselende successen aan beide zijden. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat door de Liberiaanse gecombineerde strijdkrachten gedurende deze tweede Liberiaanse burgeroorlog tussen 2000 en 2002 op meerdere pleegplaatsen oorlogsmisdrijven zijn begaan. Het onder 1 tenlastegelegde heeft betrekking op oorlogsmisdrijven die zijn gepleegd in Guéckédou, een stad in Guinee nabij de grens met Liberia. De onder 2 tenlastegelegde betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven ziet op feiten die zijn gepleegd in (de omgeving van) Voinjama. De onder 3 tenlastegelegde feiten betreffen oorlogsmisdrijven gepleegd in (de omgeving van) Kolahun. Voinjama en Kolahun zijn steden in het noorden van Liberia, gelegen in "Lofa county", nabij de grens met Guinee. Het hof heeft in het bestreden arrest (onder J.1 tot en met J.4) uitvoerig uiteengezet welke gruwelijkheden zich in deze steden en de nabij gelegen dorpen hebben afgespeeld. De door de Liberiaanse gecombineerde strijdkrachten (meermalen) begane oorlogsmisdrijven die het hof heeft bewezenverklaard, bestaan (onder meer) uit:

- het gericht doodschieten van burgers;

- het onderwerpen van burgers aan spervuur;

- het in brand steken van huizen waarin zich burgers bevinden;

- het onthoofden van burgers;

- het verbrijzelen van de schedels van baby's;

- het in een put gooien van levende baby's;

- het uit hun huis drijven en opsluiten van burgers, en het daarna naar binnen gooien van een handgranaat;

- het verkrachten van vrouwen en kinderen;

- het martelen van burgers; en

- het plunderen van de bezittingen van burgers.

In het voorjaar van 2004 is tegen de verdachte in Nederland een opsporingsonderzoek gestart. Aanleiding daarvoor waren een rapport uit december 2000 van een door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (...) ingesteld "Panel of Experts" en een rapport van Global Witness uit 2003. In deze rapporten kwamen de verdachte en [D] naar voren als belangrijke participanten in illegale wapenhandel in de regio. (...)"

2.2.

De nadere bewijsoverwegingen van het Hof die zijn opgenomen in het bestreden arrest zijn op www.rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2017:1760, onder het opschrift "Bijzondere overwegingen (omtrent het bewijs)". Een vertaling in de Engelse taal daarvan is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2017:2650, onder het opschrift "Special considerations (regarding the evidence)".

2.3.

In hoger beroep is onder andere het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte vanwege een Liberiaanse amnestieregeling. Het Hof heeft geoordeeld dat - ook als wordt aangenomen dat de amnestieregeling die de toenmalige president C. Taylor enkele dagen voordat hij Liberia verliet heeft goedgekeurd, op enig moment van kracht is geweest - die regeling niet in de weg staat aan de vervolging van de verdachte in Nederland.

3 Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder meer, kort samengevat, tenlastegelegd:

- onder 1A, 2A en 3A - begaan op tijdstippen in respectievelijk het jaar 2000 en 2001 (feit 1A) en 2001 en 2002 (feit 2A en 3A) - telkens:

medeplichtigheid aan het medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft dan wel een onmenselijke behandeling en/of plundering en/of verkrachting inhoudt, meermalen gepleegd,
welke medeplichtigheid bestaat uit het opzettelijk:

- leveren van wapens en munitie aan C. Taylor en/of diens krijgskrachten;

- ter beschikking stellen van vrachtwagens en (pick-up) trucks en een [C] -kamp dan wel een ontmoetingsplaats aan Taylor en/of diens krijgskrachten;

- ter beschikking stellen van eigen personeel ten behoeve van de gewapende strijd;

- dreigen van eigen personeelsleden met ontslag indien deze niet aan die strijd zouden deelnemen;

- onder 4:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 in verbinding met artikel 3 van de Sanctiewet 1977 in de periode van 21 juli 2001 tot en met 8 mei 2002, meermalen gepleegd;

- onder 5:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977 in de periode van 26 september 2002 tot en met 7 mei 2003, meermalen gepleegd.

4 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

Het Hof heeft in verband met de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging onder meer het volgende overwogen en beslist:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A. Liberiaanse amnestieregeling

Door de raadsvrouw is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging ter zake van alle ten laste gelegde feiten, omdat een "act to grant immunity from both civil and criminal proceedings against all persons within the jurisdiction of the republic of Liberia from acts and crimes committed during the civil war from December 1989 to August 2003" d.d. 7 augustus 2003 (hierna: de Liberiaanse amnestieregeling) van kracht is. Nu deze amnestieregeling direct van toepassing is op de feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd, mocht verdachte niet (verder) worden vervolgd door het openbaar ministerie, althans vloeit dit volgens de raadsvrouw voort uit het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en/of het ontbreken van rechtsmacht.

A.1 Liberiaanse amnestieregeling en het recht tot vervolging

Het hof overweegt ten aanzien van de Liberiaanse amnestieregeling als volgt.

De verdediging heeft bij haar pleidooi de hiervoor genoemde Liberiaanse amnestieregeling overgelegd. Daarbij heeft de raadsvrouw een "affidavit of attestation" d.d. 14 februari 2017 gevoegd. Uit deze stukken blijkt dat de Liberiaanse amnestieregeling op 7 augustus 2003 is goedgekeurd door de toenmalige president van Liberia en op 8 augustus 2003 is gepubliceerd door het Liberiaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken. De affidavit is bijgevoegd om aan te tonen dat de Liberiaanse amnestieregeling een geldige regeling is naar Liberiaans recht en dat die later niet formeel is ingetrokken.

Op 11 augustus 2003 trad Charles Taylor terug als president van Liberia, hij heeft derhalve kort voor zijn aftreden deze amnestieregeling goedgekeurd.

Korte tijd na de publicatie van de Liberiaanse amnestieregeling, namelijk op 18 augustus 2003 is, na daaraan voorafgaande onderhandelingen in Ghana tussen de regering (GOL) en de strijdende partijen (LURD en MODEL), de Comprehensive Peace Agreement (CPA) van kracht geworden. Dat is een vredesakkoord waarbij ook de oprichting van de National Transitional Governement of Liberia (NTGL) werd aanbevolen. Deze overgangsregering werd breed samengesteld uit onder meer vertegenwoordigers van de strijdende partijen, van de politieke partijen, van maatschappelijke organisaties en van de 15 counties (districten) van Liberia.

In artikel XXXIV van de CPA is opgenomen dat de NTGL:

"Shall give consideration to a recommendation for general amnesty to all persons and parties engaged or involved in military activities during the Liberian civil conflict that is subject of this Agreement."

In artikel XXXV sub c van de CPA is opgenomen dat:

"For the avoidance of doubt, relevant provisions of the Constitution, statutes and other laws of Liberia which are inconsistent with the provisions of this Agreement are also hereby suspended."

In artikel XXXV sub e is opgenomen dat:

"All suspended provisions of the Constitution, Statutes and other laws, affected as a result of this agreement, shall be deemed to be restored with the inauguration of the elected Government by January 2006. All legal obligations of the transitional government shall be inherited by the elected government."

Uit artikel XIII van de CPA van 18 augustus 2003 blijkt dat er een Waarheids- en Verzoeningscommissie zou worden opgericht die zal gaan over kwesties van straffeloosheid.

Bij wet van 10 juni 2005 is die commissie, de zogeheten Truth and Reconciliation Commission (TRC) ingesteld. In artikel VII van de TRC-act of Liberia (Functions and Powers), onder g is bepaald dat:

"(...) provided that amnesty or exoneration shall not apply to violations of international humanitarian law and crimes against humanity in conformity with international laws and standards." (onderstreping hiervoor telkens aangebracht door het hof)

In artikel II van de TRC-act of Liberia zijn definities opgenomen van "Human Rights violations" en "Violations of International Humanitarian law".

Uit het bepaalde in het hiervoor geciteerde artikel VII van de TRC-act of Liberia leidt het hof af dat de Overgangsregering (NTGL) kennelijk heeft besloten om niet over te gaan tot een "general amnesty".

In 2009 heeft de TRC gerapporteerd waarbij aanbevelingen zijn gedaan over amnestie en vervolging van feiten gepleegd tijdens de burgeroorlog, zijnde feiten waarop de, door de verdediging ingebrachte, Liberiaanse amnestieregeling ook zou zien.

A.1.1

Het hof concludeert op grond van de hiervoor onder A.1. weergegeven feiten en omstandigheden, dat:

- de Liberiaanse amnestieregeling op 7 augustus 2003 is goedgekeurd door Charles Taylor, de toenmalige president van Liberia op één van de laatste dagen van zijn presidentschap. Op 11 augustus 2003, zijnde vier dagen na zijn goedkeuring, heeft Taylor immers de macht overgedragen aan toenmalig vicepresident Moses Blah en heeft/is hij Liberia verlaten/ontvlucht;

- op het moment dat de bovengenoemde amnestieregeling onder het toenmalige bewind van Charles Taylor werd uitgevaardigd, vonden in Ghana reeds vredesbesprekingen plaats en werd aldus door alle daarbij betrokken partijen gesproken over de wijze waarop al of niet amnestie zou worden verleend;

- uit het enkele dagen daarna van kracht geworden vredesakkoord (CPA) blijkt dat is overeengekomen dat de overgangsregering (NTGL) aandacht moet schenken aan een algemene amnestieregeling. Ook is de uitdrukkelijke keus gemaakt om een Waarheids- en Verzoeningscommissie (TRC) op te richten, die uitdrukkelijk bevoegd zou zijn om aanbevelingen te doen inzake amnestie of vervolging;

- in artikel VII, section 26, onderdeel g. van de
'TRC-act of Liberia' is expliciet vermeld dat aanbeveling voor amnestie niet van toepassing is op 'internationale misdrijven', zoals de aan verdachte ten laste gelegde oorlogsmisdrijven;

- noch in het vredesakkoord noch in TRC-act of Liberia noch in een nadien verschenen TRC-rapport wordt de, door de verdediging ingebrachte, Liberiaanse amnestieregeling genoemd.

A.1.2

Het hof stelt voorop dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de amnestieregeling Liberia niet geldig tot stand is gekomen, op enig moment formeel is ingetrokken of formeel buiten werking is gesteld.

Met de advocaten-generaal, leidt het hof echter uit de wijze waarop de Liberiaanse amnestieregeling tot stand is gekomen en de nadien gemaakte keuzes en stappen door (onder meer) de overgangsregering (NTGL) en de Waarheids- en Verzoeningscommissie (TRC) af dat, zo de Liberiaanse amnestieregeling op enig moment van kracht is geweest, deze regeling door het vredesakkoord en het instellen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie geen formele rechtskracht (meer) had. Immers, de bevoegdheid tot het doen van aanbevelingen aan de regering met betrekking tot vervolging of tot amnestie voor feiten gepleegd tijdens de tweede burgeroorlog is in handen gekomen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Aanbeveling tot amnestie ter zake van oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid is daarbij uitdrukkelijk uitgesloten.

De constateringen van de raadsvrouw dat in een uitspraak van het Supreme Court of Liberia is geoordeeld dat de TRC buiten bepaalde bevoegdheden is getreden, dat in een 'dissenting opinion' op die uitspraak door een commissielid van de TRC de Liberiaanse amnestieregeling expliciet wordt genoemd, dat er een discussie was (of is) over de reikwijdte van de bevoegdheden van de TRC en dat twee commissieleden het TRC-rapport d.d. 30 juni 2009 niet hebben ondertekend doen, wat ook van zij van de inhoud van de stellingen, niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen.

A.1.3

Het hof overweegt voorts en wellicht ten overvloede dat - zo al moet worden aangenomen dat de Liberiaanse amnestieregeling (een korte periode) formele rechtskracht heeft (gehad) en deze ook op de verdachte van toepassing zou zijn (geweest) - (aanspraken op) amnestie voor oorlogsmisdrijven op gespannen voet staat/staan met het internationale recht en om die reden buiten toepassing moet worden gelaten.

Het hof is van oordeel dat uit het internationale recht - onder meer volgend uit de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) - een positieve verplichting voortvloeit die met zich brengt dat bij verdenking van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, een effectief (strafrechtelijk) onderzoek moet worden ingesteld en dat zo nodig voor dergelijke misdrijven moet worden vervolgd. Het verlenen van amnestie voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid verdraagt zich derhalve niet met het internationale recht. Een amnestie als de onderhavige die een vervolging voortvloeiend uit bovengenoemde positieve verplichtingen zou uitsluiten, levert dan
- behoudens in bijzondere omstandigheden, waarvan het hof niet is gebleken - een schending van het betreffend verdrag zelf op. Het hof is daarom van oordeel dat op grond van het internationaal recht een nationale amnestieregeling die een vervolging wegens oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid uitsluit, onverenigbaar is met de internationaalrechtelijke verplichting dergelijke misdrijven te vervolgen.

Een dergelijke amnestieregeling mist derhalve toepassing.

Zulks volgt zelfs rechtstreeks uit resolutie 1674 (2006) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties waarin wordt benadrukt dat Staten aan hun verplichting dienen te voldoen om een einde te maken aan straffeloosheid voor onder meer oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid en over te gaan tot vervolging van degenen die zich daar schuldig aan hebben gemaakt.

Bij dit oordeel betrekt het hof dat de onderhavige amnestieregeling niet tot stand is gekomen in het kader van het vredesproces, maar is opgesteld door de toenmalige regering van Charles Taylor, onder wiens bewind de ten laste gelegde feiten zich hebben voorgedaan, en wel kort voor diens min of meer gedwongen vertrek uit Liberia.

Reden waarom het hof van oordeel is dat, zo al zou moeten worden aangenomen dat de Liberiaanse amnestieregeling (een korte periode) in Liberia formele rechtskracht heeft (gehad) en zo al zou moeten worden aangenomen dat deze in Liberia ook op verdachte van toepassing is (geweest), het openbaar ministerie alhier daardoor niet het recht op de (verdere) vervolging van verdachte heeft verloren.

A.2 Liberiaanse amnestieregeling en het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel overweegt het hof als volgt.

Krachtens het in artikel 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich volgens de staande jurisprudentie slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde - voor zover hier van belang met het gelijkheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel - om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Ten aanzien van deze, tot terughoudendheid nopende, maatstaf gelden voor de rechter bij een eventuele beslissing tot
niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie zware motiveringseisen. Daarbij dient een afweging plaats te vinden tussen het standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van het belang bij de onderhavige strafvervolging en de door de verdediging aangevoerde omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met, zoals in casu aangevoerd, het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

A.2.1

Van schending van het gelijkheidsbeginsel is slechts sprake wanneer gelijke gevallen ongelijk worden behandeld en een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt.

Het hof overweegt dat gesteld noch gebleken is dat Nederlandse staatburgers, die verdacht werden van gelijksoortige feiten als aan verdachte zijn ten laste gelegd, niet zijn vervolgd vanwege een aanspraak op of verleende amnestie op grond van de Liberiaanse amnestieregeling. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet aannemelijk geworden dat sprake is van gelijke gevallen tussen verdachte en (een) niet nader genoemde derde(n).

A.2.2

Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt het hof dat een dergelijk beroep slechts kan slagen, indien vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing hier ten lande zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat op enig moment concrete toezeggingen van niet-vervolging ter zake de ten laste gelegde feiten zijn gedaan aan de verdachte. Voorts is het hof, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder A. tot en met A.1.3 is overwogen, van oordeel dat verdachte aan de Liberiaanse amnestieregeling geen gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij door het Nederlandse openbaar ministerie niet (verder) zou worden vervolgd.

(...)

A.7 Conclusie

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt het hof de verweren van de raadsvrouw waarin een beroep is gedaan op de Liberiaanse amnestieregeling en strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in haar strafvervolging."

5 Beoordeling van het dertigste middel

5.1.

Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte vanwege een in Liberia verleende amnestie. Het betoogt daartoe dat in Liberia op 7 augustus 2003 een amnestiewet is goedgekeurd waarin aan alle personen amnestie wordt verleend ten aanzien van zowel civiele als strafrechtelijke procedures wegens handelingen en misdaden die zij hebben begaan tijdens de Liberiaanse burgeroorlog, en dat deze amnestiewet aan een vervolging van de verdachte in Nederland ter zake van de tenlastegelegde delicten in de weg staat.

5.2.

De in het middel opgeworpen vraag of de Liberiaanse amnestieregeling aan de vervolging van de verdachte in Nederland in de weg staat, dient mede te worden bezien tegen de achtergrond van de positieve verplichtingen die - onder meer ingevolge artikel 2 en 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) - op staten rusten tot bescherming van het recht op leven en tot voorkoming van een onmenselijke behandeling. Die verdragsverplichtingen betreffen onder meer het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek en het openstellen van de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging en bestraffing.

Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) valt af te leiden dat het niet uitgesloten is dat in een uitzonderlijk geval - ondanks de bovengenoemde verdragsverplichtingen - het verlenen van amnestie voor (oorlogs)misdrijven toelaatbaar is, bijvoorbeeld indien sprake is (geweest) van een verzoeningsproces en/of een vorm van compensatie voor slachtoffers. (Vgl. onder andere de uitspraak van het EHRM van 27 mei 2014, nr. 4455/10 (Marguš tegen Kroatië), rov. 139 in verbinding met rov. 127.) Zoals ook uit die rechtspraak naar voren komt, vloeit evenwel uit het internationale recht voort dat niet snel wordt aangenomen dat van een vervolging kan worden afgezien vanwege een amnestie (vgl. onder andere
rov. 124 tot en met 140 van de bovengenoemde uitspraak en de uitspraak van het EHRM van 17 maart 2009, nr. 13113/03
(Ould Dah tegen Frankrijk)).

5.3.

Blijkens zijn hiervoor onder 4 weergegeven overwegingen, heeft het Hof - in cassatie onbestreden - onder meer het volgende vastgesteld. Op 7 augustus 2003 heeft de toenmalige president van Liberia, C. Taylor, een amnestieregeling goedgekeurd. Het betrof de 'act to grant immunity from both civil and criminal proceedings against all persons within the jurisdiction of the Republic of Liberia from acts and crimes committed during the civil war from December 1989 to August 2003', de Liberiaanse amnestieregeling.

Kort daarna, op 11 augustus 2003, is Taylor afgetreden als president en heeft hij Liberia verlaten. Op 18 augustus 2003 is in Liberia een vredesakkoord tot stand gekomen waarbij is voorzien in de instelling van een overgangsregering die aandacht moest schenken aan een algemene amnestieregeling. In het vredesakkoord is voorts uitdrukkelijk gekozen voor de oprichting van een Waarheids- en Verzoeningscommissie, de Truth and Reconciliation Commission (TRC) geheten. In de 'TRC-act of Liberia' van 10 juni 2005 waarbij de TRC werd ingesteld, is bepaald dat de TRC niet bevoegd is aanbevelingen te doen strekkende tot amnestie ter zake van oorlogsmisdrijven zoals aan de verdachte tenlastegelegd. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de overgangsregering kennelijk heeft besloten om niet over te gaan tot een 'general amnesty' en dat noch in het vredesakkoord, noch in de TRC-act, noch in een nadien verschenen TRC-rapport de Liberiaanse amnestieregeling wordt genoemd.

5.4.

Het Hof heeft onder A.1.2 het standpunt van de verdediging dat naar Liberiaans recht de amnestieregeling van 7 augustus 2003 ook na het vredesakkoord en het instellen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie gelding heeft behouden, niet gehonoreerd. Voor zover het middel klaagt dat het Hof aldus een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het Liberiaanse recht, faalt het. De juistheid van dat oordeel kan immers in cassatie niet worden getoetst omdat de Hoge Raad ingevolge artikel 79 Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO) niet kan treden in de uitleg van het recht van vreemde staten.

5.5.1.

In de kern komt voorts het oordeel van het Hof onder A.1.3, zoals hiervoor weergegeven onder 4, hierop neer dat de enkele, door de verdediging gestelde omstandigheid dat volgens de Liberiaanse amnestieregeling van 7 augustus 2003 aan verdachten in Liberia amnestie is verleend, niet aan strafvervolging in Nederland van de verdachte voor de onderhavige zeer ernstige internationale misdaden in de weg staat. Bij dat oordeel heeft het Hof mede de uit artikel 2 en 3 EVRM voortvloeiende verdragsverplichtingen betrokken, die met zich brengen dat bij verdenking van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, een effectief (strafrechtelijk) onderzoek moet worden ingesteld en dat zo nodig voor dergelijke misdrijven moet worden vervolgd.

5.5.2.

Mede gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld met betrekking tot de omstandigheden waaronder de amnestieregeling tot stand is gekomen, zoals weergegeven in 5.3, en in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.2, heeft het Hof aldus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting het verweer op toereikende gronden verworpen.

5.6.

Het middel faalt ook in zoverre.

6 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Het gaat hier immers om in cassatie naar voren gebrachte bezwaren tegen oordelen van het Hof over kwesties waarop het Hof een duidelijk en juist antwoord heeft gegeven of om stellingen die in wezen een herhaling zijn van wat bij het Hof is aangevoerd en waarover het Hof een feitelijke beslissing heeft gegeven die niet onbegrijpelijk is en die toereikend is gemotiveerd. Over al deze klachten heeft de Advocaat-Generaal bovendien in zijn conclusie uitgebreid en gedetailleerd uiteengezet waarom zij niet tot vernietiging van het arrest van het Hof kunnen leiden.

7 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, V. van den Brink, A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018.