Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2308

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
18/01666
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1039, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:1134, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

artikel 32bd Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2014), artikel 10f Uitvoeringsbesluit loonbelasting (tekst 2014). Crisisheffing. Op 31 maart 2014 niet meer bestaande inhoudingsplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-12-2018
V-N Vandaag 2018/2733
FutD 2018-3266 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/2877 met annotatie van mr. D. Westerman
V-N 2018/67.8 met annotatie van Redactie
NLF 2019/0064 met annotatie van Frouke Verberk
BNB 2019/54 met annotatie van J.P. BOER
NTFRB 2020/42 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 december 2018

Nr. 18/01666

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2018, nr. 16/03558, op het hoger beroep van voorheen [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/1066) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak maart 2014 opgelegde naheffingsaanslag in de loonheffing. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 september 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1039).

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. Nu deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende exploiteerde een tandartspraktijk. Op 18 december 2013 is in het Handelsregister geregistreerd dat belanghebbende als ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 15 december 2013.

2.1.2.

Belanghebbende heeft in 2013 aan haar enige werknemer (hierna: de werknemer) een salaris uitbetaald dat hoger was dan € 150.000. Zij heeft geen aangifte loonheffing gedaan voor de pseudo-eindheffing hoog loon (hierna: crisisheffing) van artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2014, hierna: Wet LB). Met dagtekening 8 juli 2014 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag voor die crisisheffing opgelegd van € 12.230.

2.2.

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende kan worden aangemerkt als inhoudingsplichtige voor de crisisheffing, of dat daaraan in de weg staat dat zij op 31 maart 2014, het tijdstip waarop het loon voor die heffing wordt geacht te zijn genoten, niet meer bestond.

2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet als inhoudingsplichtige kan worden beschouwd omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Die grondslag kan ook niet worden gevonden in de uitbreiding van het begrip inhoudingsplichtige in artikel 10f, lid 2, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2014, hierna: Uitvoeringsbesluit), omdat de besluitgever daarmee buiten de aan hem gegeven delegatiebevoegdheid is getreden, aldus het Hof.

2.4.

Tegen het in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof richt zich het middel, dat betoogt dat artikel 10f, lid 2, Uitvoeringsbesluit is ingevoerd ter voorkoming van de mogelijkheid om de crisisheffing te ontgaan en ook betrekking heeft op de situatie van belanghebbende.

2.5.1.

Artikel 6, lid 1, Wet LB bepaalt welke (rechts)personen inhoudingsplichtig zijn voor de loonbelasting. Voor de crisisheffing, die alleen wordt geheven over loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, is inhoudingsplichtig degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan (artikel 6, lid 1, letter a, Wet LB) van wie het loon, in het aan de heffing voorafgaande kalenderjaar, meer heeft bedragen dan € 150.000. Voor de crisisheffing van het jaar 2014, waar het in deze zaak om gaat, wordt dat loon aangemerkt als te zijn genoten op 31 maart 2014 (artikel 32bd, lid 1, Wet LB).

2.5.2.

Een rechtspersoon tot wie geen personen in dienstbetrekking staan nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan, kan niet op grond van artikel 6, lid 1, Wet LB worden aangemerkt als inhoudingsplichtige.

2.5.3.

In artikel 10f, lid 2, Uitvoeringsbesluit was bepaald dat een gewezen inhoudingsplichtige die op 31 maart van het kalenderjaar niet meer inhoudingsplichtig is, de crisisheffing verschuldigd is over het in het voorafgaande kalenderjaar betaalde loon. Het middel werpt de vraag op of deze bepaling aldus kan worden uitgelegd dat ook de gewezen inhoudingsplichtige, die op het inhoudingstijdstip (in dit geval 31 maart 2014) geen bestaande rechtspersoon is tot wie personen in dienstbetrekking staan, als inhoudingsplichtige kan worden aangemerkt. Bevestigende beantwoording van die vraag zou een verruiming van het begrip inhoudingsplichtige ten opzichte van artikel 6 Wet LB zijn, omdat, zoals in 2.5.2 is overwogen, volgens dat artikel een niet bestaande rechtspersoon tot wie geen personen in dienstbetrekking staan, niet inhoudingsplichtig kan zijn.

2.5.4.

Artikel 32bd, lid 3, Wet LB bepaalde dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot hetgeen voor de crisisheffing van het eerste lid van dat artikel in aanmerking wordt genomen als loon dat de inhoudingsplichtige in het voorafgaande kalenderjaar aan de werknemer heeft verstrekt. Uit de voor dit artikellid gekozen bewoordingen volgt dat de nadere regels alleen betrekking kunnen hebben op een invulling van het begrip ‘door de inhoudingsplichtige verstrekt loon’. Uit die bewoordingen kan niet worden afgeleid dat die nadere regels ook kunnen leiden tot een verruiming van het begrip inhoudingsplichtige.

Ook uit de parlementaire geschiedenis van dit artikellid, aangehaald in de onderdelen 6.7 tot en met 6.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, kan niet worden afgeleid dat de wetgever een delegatiebepaling met een ruimere betekenis voor ogen heeft gestaan dan uit de tekst van artikel 32bd, lid 3, Wet LB volgt.

Over het invoeren van een ruimer begrip inhoudingsplichtige dan is neergelegd in artikel 6 Wet LB is in deze parlementaire geschiedenis niet gerept. Weliswaar heeft de Staatssecretaris van Financiën de mogelijkheid dat via het Uitvoeringsbesluit te doen aan de orde gesteld bij de behandeling van de wet in de Eerste Kamer, maar tot een aanpassing van artikel 32bd, lid 3, Wet LB heeft dit niet geleid.

2.5.5.

Aan artikel 32bd, lid 3, Wet LB kon dus niet de bevoegdheid worden ontleend bij ministerieel besluit te bepalen dat een niet meer bestaande rechtspersoon tot wie geen personen in dienstbetrekking staan, desalniettemin als inhoudingsplichtige kan worden aangemerkt. Die bevoegdheid kan ook niet op een andere wettelijke bepaling worden gebaseerd.

2.6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er geen wettelijke basis is om belanghebbende, die op het inhoudingstijdstip is aan te merken als een niet bestaande rechtspersoon tot wie geen personen in dienstbetrekking staan, te doen herleven als inhoudingsplichtige voor de crisisheffing voor het jaar 2014.

Daaraan doet, anders dan in de toelichting op het middel kennelijk wordt verondersteld, niet af dat de houdstermaatschappij van belanghebbende, nadat belanghebbende was opgehouden te bestaan, nog loon aan de werknemer heeft betaald voor soortgelijke werkzaamheden als deze tevoren in dienstbetrekking bij belanghebbende had verricht, aangezien die omstandigheid geen inhoudingsplicht voor belanghebbende kan scheppen.

Het middel faalt.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1503 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2018.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.