Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2277

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
17/01624
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1157
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:796
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opzettelijk niet voldoen aan wettelijke verplichting door getuige door opgeroepen en verschenen als getuige in “Passsageproces” op meerdere tz. te weigeren antwoorden te geven op aan hem gestelde vragen en zich te beroepen op verschoningsrecht (voortgezette handeling), art. 192.1 Sr. 1. Heeft verdachte gehandeld in strijd met “wettelijke verplichting” a.b.i. art. 192.1 Sr door in hoedanigheid van getuige geen antwoord te geven op aan hem gestelde vragen of komt aan hem beroep op verschoningsrecht a.b.i. art. 219 Sv toe? 2. Opzet.

Ad 1. Hof heeft, zonder miskenning van art. 219 Sv, tot uitgangspunt genomen dat getuige slechts dan op de voet van die bepaling een beroep kan doen op verschoningsrecht indien - mede in het licht van hetgeen door getuige ter toelichting daarop is aangevoerd - aannemelijk is dat getuige door de beantwoording van de gestelde vraag ofwel zichzelf ofwel een van de in art. 219 Sv bedoelde andere personen blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling. Hof heeft vastgesteld dat verdachte tijdens tz. in h.b. in een strafzaak tegen anderen als getuige werd gehoord over een strafbaar feit ter zake waarvan hij reeds onherroepelijk was veroordeeld. Hof heeft geoordeeld dat mede gelet hierop verdachte tijdens zijn verhoor als getuige geen (algeheel) beroep toekwam op verschoningsrecht a.b.i. art. 219 Sv, aangezien niet aannemelijk is dat aan de vereisten van die bepaling was voldaan. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, ook gelet op hetgeen in strafzaak tegen verdachte ttz. in h.b. door raadsman van verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Het daarop gebaseerde oordeel dat verdachte, door tijdens zijn verhoor als getuige te weigeren antwoord te geven op aan hem gestelde of te stellen vragen, in strijd heeft gehandeld met een wettelijke verplichting a.b.i. art. 192.1 Sr, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 2. Voor bewezenverklaring van het tlgd. handelen in strijd met art. 192.1 Sr is vereist dat verdachte met (voorwaardelijk) opzet handelt in strijd met de wettelijke verplichtingen die i.h.a. voor getuigen gelden, waaronder de verplichting een verklaring af te leggen. Opvatting dat opzet van verdachte ook erop gericht moet zijn zich ten onrechte te beroepen op verschoningsrecht, is onjuist. Volgt verwerping. Samenhang met 17/01629.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/21
NJ 2019/25
RvdW 2019/56
SR-Updates.nl 2018-0439
NBSTRAF 2019/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/01624

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2017, nummer 23/001760-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 3 waar het in deze zaak om gaat als volgt samengevat:

"De verdachte is in 2011 onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer] in 2006 tot een gevangenisstraf van twaalf jaar en zes maanden. De onderhavige zaak heeft betrekking op de rol van de verdachte als getuige in de strafzaken die gezamenlijk worden aangeduid als het 'Passageproces'. Tijdens meerdere terechtzittingen heeft de verdachte, opgeroepen en verschenen als getuige, geweigerd te antwoorden op hem gestelde vragen en zich beroepen op zijn verschoningsrecht. In deze en de samenhangende zaak is hij veroordeeld wegens de weigering als getuige antwoord te geven op vragen als bedoeld in art. 192 Sr."

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.
hij op 14 mei 2014 in de gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op aan hem gestelde vragen en zich daarbij ten onrechte beroepen op een verschoningsrecht;

2.

hij op 2 juni 2014 in de gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op aan hem gestelde vragen en zich daarbij ten onrechte beroepen op een verschoningsrecht."

2.3.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 mei 2014 van het gerechtshof Amsterdam, Afdeling strafrecht, zittingslocatie Justitieel Complex Schiphol, in de strafzaken tegen [betrokkene 1] (23-000648-13), [betrokkene 2] (23-000646-13), [betrokkene 3] (23-000672-13), [betrokkene 4] (23-000707-13), [betrokkene 5] (23-000647-13) en [betrokkene 6] (23-000643-13), vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffiers.

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - in:

De voorzitter deelt mede dat vandaag het verhoor van [verdachte] zal plaatsvinden. De voorzitter stelt vast dat deze getuige is verschenen.

De voorzitter doet de getuige [verdachte] voor zich verschijnen. De getuige wordt bijgestaan door mr. N. Harlequin, advocate te Den Haag, die achterin de zittingszaal heeft plaatsgenomen.

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

De getuige [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , zonder beroep, verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op vragen van het hof:

Het klopt dat mijn strafzaak inmiddels onherroepelijk is. Ik heb uiteindelijk 12 jaar en zes maanden gevangenisstraf opgelegd gekregen.

Ik wil graag direct tot de kern komen. U vraagt mij of ik mij heb voorbereid op dit verhoor, bijvoorbeeld door nog stukken uit mijn dossier te lezen of met andere mensen te spreken. Dat is vertrouwelijk, ik geef daar geen antwoord op. Ik zal mij vandaag ten aanzien van alle vragen die worden gesteld op mijn verschoningsrecht beroepen. Ik ben van mening dat dit recht mij toekomt.

U vraagt mij wat op dit moment mijn stemming en gevoel is. Ik voel niks op dit moment. Het is wel ongemakkelijk om hier te zijn, maar ik kan daar niet meer over zeggen.

Ten aanzien van vragen over de verklaringen van [betrokkene 9] beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

U vraagt mij uit te leggen waarom ik van mening ben dat mij een beroep op het verschoningsrecht toekomt, aangezien mijn strafzaak inmiddels onherroepelijk is. Ook ten aanzien van die vraag beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Ik kan ook niet aangeven of er andere drempels zijn die maken dat ik vandaag niet wens te verklaren. Het is niet nodig de zitting te onderbreken voor overleg met mijn advocaat, omdat nader overleg met mijn advocaat mijn standpunt niet zal doen wijzigen.

De advocaat-generaal deelt mede - zakelijk weergegeven - dat de getuige geen verschoningsrecht toekomt en dat hij in beginsel verplicht is vragen die hem worden gesteld naar waarheid te beantwoorden. Indien de getuige goede redenen heeft om vandaag niet te willen verklaren, dan dient hij deze kenbaar te maken. De advocaat-generaal wijst de getuige er op dat hij thans voorwaardelijk in vrijheid is gesteld en dat het goed mogelijk is dat zijn opstelling voor de getuige negatieve gevolgen heeft. Hij suggereert dat het wellicht een goed idee is dat de getuige gelegenheid krijgt om hierover nader met zijn advocaat te overleggen.

Indien de getuige vervolgens nog steeds weigert antwoord te geven op vragen die hem worden gesteld, kan hij in gijzeling worden genomen.

De voorzitter deelt mede dat het onderzoek wordt onderbroken, ten einde de getuige de gelegenheid te bieden overleg te voeren met zijn advocaat.

Na hervatting van het onderbroken onderzoek verklaart de getuige [verdachte] - zakelijk weergegeven - het volgende.

Op een vraag van het hof:

Ik heb overleg gehad met mijn advocaat, maar dat heeft nergens toe geleid. Ik zal mij ten aanzien van alle vragen die worden gesteld beroepen op mijn verschoningsrecht en ben niet bereid nader toe te lichten op grond waarvan ik meen dat dat verschoningsrecht mij toekomt.

Op een vraag van de advocaat-generaal:

Op de vraag of de afgelopen tijd iets is voorgevallen ten aanzien van mij of bijvoorbeeld een van mijn familieleden, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het van oordeel is dat de getuige zonder wettige grond weigert de gestelde vragen te beantwoorden en dat, nu dit voor het onderzoek dringend noodzakelijk is, wordt bevolen dat de getuige [verdachte] voor ten hoogste dertig dagen in gijzeling wordt genomen en dat de getuige op de terechtzitting van 2 juni 2014, te 9.30 uur, wederom zal dienen te verschijnen teneinde nader te worden gehoord omtrent zijn bereidheid om antwoord te geven op vragen en een datum voor een nader verhoor te bepalen.

De getuige [verdachte] wordt uit de zittingszaal weggeleid.

2. Een gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2014 van het gerechtshof Amsterdam, Afdeling strafrecht, zittingslocatie Justitieel Complex Schiphol, in de strafzaken tegen o.a. [betrokkene 1] (23-000648-13), [betrokkene 2] (23-000646-13), [betrokkene 3] (23-000672-13), [betrokkene 6] (23-000643-13), [betrokkene 4] (23-000707-13) en [betrokkene 5] (23-000647-13), vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffiers.

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - in:

De voorzitter merkt op dat ter terechtzitting van heden het verhoor van de getuige [verdachte] aan de orde zal zijn. De voorzitter stelt vast dat de getuige ter terechtzitting is verschenen.

De voorzitter doet de getuige [verdachte] voor zich verschijnen. De getuige wordt bijgestaan door mr. [N.] Harlequin, advocate te Den Haag.

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

De getuige [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in Krimpen aan den IJssel, zonder beroep, verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik zal mij, net als ter terechtzitting van 14 mei 2014, ten aanzien van alle vragen beroepen op mijn verschoningsrecht. Ik wens hierop geen enkele nadere toelichting te geven, ook niet na achtereenvolgens uw uiteenzetting van mijn rechten en plichten als getuige en uw aandringen.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige geen verschoningsrecht toekomt en de getuige nog steeds niet aan zijn verplichtingen voldoet. Voorts merkt de advocaat-generaal op dat de officier van justitie zal worden gevraagd een strafrechtelijke vervolging in te stellen wegens het als getuige opzettelijk niet voldoen aan een wettelijke verplichting die hij als zodanig te vervullen heeft. Ten slotte deelt de advocaat-generaal mede dat indien de getuige blijft weigeren de gestelde vragen te beantwoorden, dit gevolgen kan hebben voor zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Mr. [S.L.J.] Janssen vraagt de getuige of hij zich beroept op zijn verschoningsrecht, op de grond dat hij zich anders mogelijk schuldig maakt aan meineed. De getuige beroept zich op zijn verschoningsrecht.

3. Een geschrift, te weten een kopie van een brief van mr. F. Posthumus, advocaat-generaal, van 15 juli 2014, gericht aan het Arrondissementsparket Noord-Holland.

Dit geschrift houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - in:

Wij hebben eerder contact gehad over de mogelijke vervolging van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980. Binnen de megazaak Passage is de moord op [slachtoffer] en de aanloop naar de moord, een van de zaken. In Passage staan daarvoor terecht [betrokkene 6] , [betrokkene 5] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . [verdachte] is rechtsgeldig als getuige opgeroepen in het hoger beroep in Passage. Hij is opgeroepen voor de zitting van 14 mei 2014.

4. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2017.

Deze verklaring houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - in:

Ik heb een dagvaarding om te getuigen gekregen, terwijl ik voor die zaak vast zat in het Paleis van Justitie in Den Haag. Daar heb ik een keer een dagvaarding in mijn handen gedrukt gekregen."

2.3.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Opzet

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet opzettelijk niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting die de verdachte als getuige had te vervullen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat alleen het welbewust claimen van een verschoningsrecht, dat men klaarblijkelijk niet toekomt, misschien tot strafwaardigheid kan leiden. De rechtsfiguur van het voorwaardelijk opzet past in de optiek van de raadsman niet bij de delictsomschrijving van artikel 192 Sr.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 mei 2014 blijkt dat de verdachte - nadat hij had verklaard geen bloed- of aanverwant van de verdachten in het Passage-proces te zijn - er door het hof op is gewezen dat zijn strafzaak inmiddels onherroepelijk was en is hem tegen die achtergrond gevraagd uit te leggen waarom hij van mening was dat hem een beroep op een verschoningsrecht toekwam, welke uitleg de verdachte niet heeft gegeven. De advocaat-generaal heeft vervolgens medegedeeld dat de verdachte in zijn visie geen verschoningsrecht toekwam en heeft gewezen op de verschillende negatieve gevolgen die de opstelling van de verdachte zou kunnen hebben. Het onderzoek ter terechtzitting is hierna onderbroken teneinde de verdachte de gelegenheid te bieden overleg met zijn advocaat te voeren. De verdachte heeft na hervatting van dat onderzoek medegedeeld dat hij overleg heeft gehad met zijn advocaat, maar dat hij zich ten aanzien van alle vragen die hem zouden worden gesteld zou beroepen op een verschoningsrecht. De voorzitter heeft hierop als beslissing van het hof medegedeeld dat de verdachte (toen) als getuige zonder wettige grond weigerde de gestelde vragen te beantwoorden, waarna de verdachte in gijzeling is genomen en op 2 juni 2014 opnieuw is gehoord. Uit het proces-verbaal van die laatste terechtzitting blijkt dat de verdachte heeft medegedeeld dat hij zich ten aanzien van alle vragen die hem zouden worden gesteld zou beroepen op een verschoningsrecht en dat hij hierop geen enkele toelichting wenste te geven, ook niet nadat (kennelijk door het hof) daar nader op is aangedrongen en de rechten en plichten van de verdachte als getuige uiteen waren gezet.

Op grond hiervan komt het hof tot het oordeel dat de verdachte op de terechtzitting van 14 mei 2014 welbewust en met zogenoemd 'vol opzet' heeft gehandeld, door, na er op te zijn gewezen dat zijn strafzaak inmiddels onherroepelijk was en in weerwil van de mededelingen van de advocaat-generaal, niet te voldoen aan zijn wettelijke plicht de hem gestelde vragen te beantwoorden. Een en ander geldt a fortiori voor de handelwijze van de verdachte op de terechtzitting van 2 juni 2014. Het verweer faalt reeds om die redenen.

Verschoningsrecht

Verweer verdachte en diens raadsman

Anders dan op de terechtzittingen in het Passage-proces van 14 mei en 2 juni 2014 heeft de verdachte op de terechtzitting in de onderhavige zaak van 6 februari 2017 toegelicht waarom hij vond dat hem op de twee eerstgenoemde data een beroep op een verschoningsrecht toekwam. Met zijn raadsman heeft hij, samengevat, het volgende naar voren gebracht:

(a) [betrokkene 7] wordt (naar het hof begrijpt: in de zaak naar aanleiding van het onderzoek 'Vandros') het verwijt gemaakt dat hij zich met "één of meer anderen" schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. De verdachte sluit niet uit dat hij ook nog als verdachte van dat feit kan worden aangemerkt. In ieder geval is waarschijnlijk dat hij in die zaak wordt opgeroepen als getuige;

(b) de zuster van de verdachte, [betrokkene 8] , had een relatie met [betrokkene 6] en is gedurende het onderzoek naar de moord op [slachtoffer] ook als verdachte aangehouden geweest. Het is de verdachte niet bekend hoe de strafzaak tegen zijn zus, met wie hij goed contact heeft, is afgelopen;

(c) ten tijde van de terechtzittingen in het Passage-proces van 14 mei en 2 juni 2014 had de verdachte al een aanzienlijk aantal verklaringen afgelegd, waaronder (onder ede) als getuige. Wat de verdachte bij die verschillende gelegenheden heeft verklaard en hoe dat is geverbaliseerd weet hij niet meer. Er bestond een kans dat hij bij het afleggen van een nieuwe verklaring andere antwoorden zou geven dan voorheen. De verdachte zou zich door het afleggen van een verklaring dus kunnen blootstellen aan het gevaar voor een vervolging wegens meineed. Dat risico wilde hij met een beroep het verschoningsrecht uitsluiten;

(d) meer in het algemeen kan worden gezegd dat de situatie waarin de verdachte zich bevond complex was. Zelfs hij kon de gevolgen niet overzien die het afleggen van een verklaring voor zichzelf of een ander konden hebben. Onder de gegeven omstandigheden mocht niet van hem worden gevergd dat hij zijn verschoningsrecht per gestelde vraag zou toelichten.

De verdachte heeft benadrukt niet vanwege angst voor zijn eigen veiligheid tot zijn weigeringen te verklaren te zijn gekomen.

De raadsman heeft in het verlengde van een en ander het bewijsverweer gevoerd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Oordeel van het hof

Het hof stelt allereerst vast dat zich ten tijde van het ten laste gelegde geen situatie voordeed als bedoeld in artikel 217 Sv. De verdachte werd immers niet gehoord in de zaak tegen een familielid, echtgenoot of geregistreerd partner. De situatie als bedoeld in artikel 218 Sv was evenmin aan de orde.

Aangaande het verschoningsrecht dat is opgenomen in artikel 219 Sv wordt het volgende overwogen.

Anders dan de advocaat-generaal heeft geïmpliceerd is het hof van oordeel dat het te ver voert om van de getuige die zich op een op artikel 219 Sv gestoeld verschoningsrecht wil beroepen in alle gevallen te verlangen dat hij inzicht in de achtergrond en motieven daarvan geeft. Voldoende is dat aannemelijk is geworden dat de getuige zichzelf, een familielid, een echtgenoot of een geregistreerd partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling blootstelt. In voorkomend geval kan ook zonder een toelichting van de getuige zo'n gevaar aannemelijk zijn. In andere gevallen is dat gevaar minder evident en is een dergelijke toelichting wel benodigd om het beroep op het verschoningsrecht te kunnen toetsen. Wanneer, zoals in deze zaak, deze toets door de rechter wordt verricht in het kader van de beoordeling van een op artikel 192 Sr toegesneden tenlastelegging, zal hij op basis van de informatie die ten tijde van die beoordeling beschikbaar is moeten nagaan of aannemelijk is dat genoemd gevaar op het moment dat de verdachte geroepen was als getuige een verklaring af te leggen aanwezig was. Die informatie kan mede bestaan uit de toelichting die een verdachte in een later stadium alsnog op een in de hoedanigheid van getuige gedaan beroep op een verschoningsrecht heeft gegeven.

Verder is het hof van oordeel dat redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 219 Sv in een situatie als de onderhavige, waarin - anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van Hoge Raad 15 juni 1993 (NJ 1994/37) - een gewezen verdachte als getuige wordt gehoord over een strafbaar feit ter zake waarvan hij reeds onherroepelijk is veroordeeld, meebrengt dat het in dat artikel neergelegde verschoningsrecht in beginsel slechts dan kan worden ingeroepen als aannemelijk is dat de beantwoording van één of meer bepaalde vragen het gevaar op een strafrechtelijke veroordeling van de getuige voor een ander feit in het leven roept. Daarnaast kan met vrucht een beroep op dat artikel worden gedaan als aannemelijk is dat een getuige door het beantwoorden van één of meer bepaalde vragen personen met wie hij in nauwe relatie staat aan het gevaar op een strafrechtelijke veroordeling blootstelt. Een algemeen beroep op een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Sv behoort dus in beide gevallen in beginsel niet tot de mogelijkheden.

In dit geval heeft de verdachte op de terechtzittingen van 14 mei en 2 juni 2014 een algemeen beroep op een verschoningsrecht gedaan en te kennen gegeven geen enkele gestelde of te stellen vraag te willen beantwoorden. Gelet op hetgeen zojuist is overwogen kwam de verdachte - die diende te worden gehoord over hetgeen hij wist over de moord op [slachtoffer] , een feit ter zake waarvan hij al onherroepelijk was afgestraft - een dergelijk algemeen verschoningsrecht niet op de voet van artikel 219 Sv toe. Het hof ziet geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden. Dat het, zoals de verdachte en de raadsman bij herhaling hebben aangevoerd, hier gaat om complexe strafzaken (zie ook onder (d) hiervoor), noopt ook niet tot een andere conclusie en in elk geval niet op basis van hetgeen in dat verband naar voren is gebracht. Daarbij is betrokken dat de verdachte tijdens zijn verhoren als getuige op

14 mei en 2 juni 2014 is bijgestaan door zijn raadsvrouw.

Reeds om deze redenen faalt het verweer in al zijn onderdelen. In het verlengde van het voorgaande hecht het hof er echter nog aan het volgende op te merken.

Ad (a)

Hetgeen door en namens de verdachte met betrekking tot de tegen [betrokkene 7] geëntameerde strafzaak naar voren is gebracht mist doel, reeds omdat laatstgenoemde eerst op 13 december 2014 is aangehouden. Ten tijde van de terechtzittingen van 14 mei en 2 juni 2014 kon aan het brede publiek, waaronder ook de verdachte moet worden geschaard, nog niet bekend zijn dat en waarvoor [betrokkene 7] zou worden vervolgd.

Ad (b)

Op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2017 is komen vast te staan dat de zuster van de verdachte aangemerkt is geweest als verdachte van medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer] . Hoewel de strafzaak tegen haar op 29 november 2007 onvoorwaardelijk blijkt te zijn geseponeerd, zou nieuwe, haar belastende informatie alsnog tot het instellen van strafvervolging kunnen leiden. Echter, de verdachte kon - gelet op het vooroverwogene - het verschoningsrecht alleen inroepen met betrekking tot vragen die in directe of indirecte zin betrekking hadden op zijn zuster.

Ad (c)

De stelling van de verdachte dat hij zich op 14 mei en 2 juni 2014 met vrucht op een verschoningsrecht kon beroepen, omdat hij zich, door het afleggen van een verklaring die mogelijk in meerdere of mindere mate zou afwijken van eerder door hem afgelegde verklaringen, blootstelde aan het risico op een vervolging voor meineed kan niet als juist worden aanvaard. Immers, bij elk verhoor van een beëdigde getuige die op een eerder moment is verhoord bestaat de kans dat die getuige een verklaring aflegt die in meerdere of mindere mate afwijkt van een eerdere verklaring. Het menselijk geheugen is immers niet onfeilbaar. Zo lang er echter geen aanleiding is om te veronderstellen dat een getuige nu of indertijd opzettelijk onwaarheid heeft gesproken, is de kans op strafvervolging voor meineed onvoldoende reëel. Daarbij komt dat een getuige die iets niet meer (scherp) voor de geest kan halen, hiervan tijdens het verhoor melding kan maken.

Conclusie

Het bewijsverweer wordt in al zijn onderdelen verworpen."

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij als getuige had te vervullen.

3.2.1.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 192 Sr. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende uitdrukking 'wettelijke verplichting' is klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 192, eerste lid, Sr. Deze bepaling luidt:

"1. Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig te vervullen heeft, wordt gestraft:

1°. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie;

2°. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie."

3.2.2.

Art. 219 Sv luidt:

"De getuige kan zich verschoonen van het beantwoorden eener hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een zijner bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in den tweeden of derden graad of zijn echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner aan het gevaar eener strafrechtelijke veroordeeling zou blootstellen."

3.3.1.

Het middel komt onder meer op tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte in strijd met een wettelijke plicht heeft gehandeld door in de hoedanigheid van getuige geen antwoord te geven op aan hem gestelde vragen. Het betoogt daartoe dat de verdachte, op het moment dat hij in een strafzaak tegen andere verdachten als getuige werd gehoord, een beroep toekwam op het verschoningsrecht als bedoeld in art. 219 Sv.

3.3.2.

Het Hof heeft, zonder miskenning van art. 219 Sv, tot uitgangspunt genomen dat een getuige slechts dan op de voet van die bepaling een beroep kan doen op het verschoningsrecht indien - mede in het licht van hetgeen door de getuige ter toelichting daarop is aangevoerd - aannemelijk is dat de getuige door de beantwoording van de gestelde vraag ofwel zichzelf ofwel een van de in art. 219 Sv bedoelde andere personen blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling.

3.3.3.

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte tijdens de terechtzittingen in hoger beroep van 14 mei 2014 en 2 juni 2014 in een strafzaak tegen anderen als getuige werd gehoord over een strafbaar feit ter zake waarvan hij reeds onherroepelijk was veroordeeld. Het Hof heeft geoordeeld dat mede gelet hierop de verdachte tijdens zijn verhoor als getuige geen (algeheel) beroep toekwam op het verschoningsrecht als bedoeld in art. 219 Sv, aangezien niet aannemelijk is dat aan de vereisten van die bepaling was voldaan. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, ook gelet op hetgeen in de strafzaak tegen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman van de verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk.

Het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte, door tijdens zijn verhoor als getuige te weigeren antwoord te geven op aan hem gestelde of te stellen vragen, in strijd heeft gehandeld met een wettelijke verplichting in de zin van art. 192, eerste lid, Sr, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.

3.4.

Het middel klaagt voorts dat de bewezenverklaring wat betreft het opzet ontoereikend is gemotiveerd.

3.5.

Voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde handelen in strijd met art. 192, eerste lid, Sr is vereist dat de verdachte met (voorwaardelijk) opzet handelt in strijd met de wettelijke verplichtingen die in het algemeen voor getuigen gelden, waaronder de verplichting een verklaring af te leggen. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het opzet van de verdachte ook erop gericht moet zijn zich ten onrechte te beroepen op een verschoningsrecht, is die opvatting onjuist. Het middel is ook in zoverre tevergeefs voorgesteld.

4 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2018.