Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2266

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
18/00936
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Betalingsonmacht griffierecht; relevante periode met betrekking tot inkomen en vermogen (HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-12-2018
V-N Vandaag 2018/2677
FutD 2018-3218
V-N 2018/66.15 met annotatie van Redactie
NLF 2019/0017 met annotatie van Nicoline Bergman
BNB 2019/15
NTFR 2019/223 met annotatie van mr. J.W. Bosman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 december 2018

Nr. 18/00936

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 22 januari 2018, nr. AWB 17/73, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de klacht

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft met betrekking tot een aantal bij de Rechtbank ingestelde beroepen om vrijstelling van griffierecht verzocht met een beroep op betalingsonmacht. In de zaak waarop dit beroep in cassatie betrekking heeft (bij de Rechtbank nummer 17/73) heeft hij dat gedaan bij brief gedateerd 25 januari 2017, door de Rechtbank ontvangen op 26 januari 2017. Bij brief van 18 april 2017 is het beroep op betalingsonmacht afgewezen met vermelding van vier nummers, waaronder 17/73. Blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden correspondentie tussen de Rechtbank en belanghebbende berust deze afwijzing op het oordeel dat belanghebbende onvoldoende gegevens heeft verstrekt over zijn inkomen in een periode die eindigde met de maand november 2016.

2.1.2.

Bij een krachtens artikel 8:54 Awb gedane uitspraak is het door belanghebbende ingestelde beroep met nummer 17/73 niet-ontvankelijk verklaard wegens onbetaald zijn gebleven van het griffierecht. Een tegen deze uitspraak gericht verzet is ongegrond verklaard.

2.2.

In cassatie wordt over de uitspraak op het verzet en de daaraan voorafgaande niet-ontvankelijkverklaring van het beroep geklaagd met de stelling dat het beroep op betalingsonmacht ten onrechte is afgewezen.

2.3.1.

Een beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het griffierecht wordt beoordeeld, zoals vastgesteld in het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354, op basis van de hoogte van het inkomen en het vermogen in de periode die aanvangt nadat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort.

2.3.2.

Kennelijk is de Rechtbank bij het doen van uitspraak inzake het onder nummer 17/73 aanhangige beroep en bij de beslissing op het tegen die uitspraak gedane verzet telkens ervan uitgegaan dat de afwijzing van het beroep op betalingsonmacht bij brief van 18 april 2017 mede die zaak betrof. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt evenwel niet dat aan die afwijzing van het beroep op betalingsonmacht een onderzoek ten grondslag heeft gelegen naar belanghebbendes inkomen en vermogen in de zojuist bedoelde periode waarin het griffierecht inzake het onder nummer 17/73 aanhangige beroep moest worden voldaan.

2.3.3.

De klacht is terecht voorgesteld. Na verwijzing moet opnieuw op het verzet worden beslist.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet, en

verwijst het geding naar de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2018.