Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2262

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
17/05035
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1170, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:3852, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Procesrecht. Aansprakelijkheid aannemer voor instorting pand? Constructiefout? Inhoud NEN-normen. Beroep op garantie. Proceskosten in incidenteel appel. Voorwaarde waaronder incidenteel cassatieberoep is ingesteld. Samenhang met 17/05033.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/12
NJ 2019/21
RvdW 2019/44
JBPR 2019/16 met annotatie van Bosschaart, Y.
TBR 2019/144 met annotatie van J.N. Zeelenberg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 december 2018

Eerste Kamer

17/05035

EV/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J. van der Beek,

t e g e n

1. [verweerster 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [verweerster 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweersters]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak 366351/HA ZA 07-924 van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2007, 16 juli 2008,
8 april 2009, 17 juni 2009, 14 december 2011, 27 juni 2012 (hersteld bij vonnis van 19 september 2012) alsmede de rolbeslissing van 7 oktober 2009;

b. de arresten in de zaak 200.114.938/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 augustus 2013, 24 mei 2016, 25 juli 2017 en de rolbeslissing van 17 maart 2015.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 25 juli 2017 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. [verweersters] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verweersters] mede door mr. L.V. van Gardingen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [eiseres] is eigenaar van een bedrijfspand te [vestigingsplaats] (hierna: het bedrijfspand).

  • -

    ii) [verweerster 1] is aannemer. Zij heeft in 1998 de bouw van het bedrijfspand aangenomen. [verweerster 2] heeft zich naast [verweerster 1] hoofdelijk aansprakelijk gesteld jegens [eiseres] .

  • -

    iii) [eiseres] heeft het bedrijfspand bij enkele verzekeraars (hierna: de verzekeraars) verzekerd door middel van een zogeheten Nederlandse Beurspolis voor Uitgebreide Gevaren (hierna: de polis).

  • -

    iv) In de polis is schade door constructiefouten van dekking uitgesloten.

  • -

    v) Het bedrijfspand is in november 2005 ingestort nadat extreme sneeuwval was opgetreden.

  • -

    vi) De verzekeraars hebben uitkering onder de polis geweigerd op de grond dat de instorting het gevolg zou zijn van een constructiefout.

3.2

[eiseres] vordert in de onderhavige procedure primair van de verzekeraars uitkering onder de verzekeringspolis en subsidiair hoofdelijke veroordeling van [verweersters] tot betaling van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de vordering tegen de verzekeraars afgewezen en [verweersters] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd, de verzekeraars tot uitkering veroordeeld en de vorderingen van [eiseres] tegen [verweersters] afgewezen.

3.3

De onderhavige zaak betreft de vordering van [eiseres] tegen [verweersters] In het samenhangende cassatieberoep van de verzekeraars in hun zaak tegen [eiseres] wordt eveneens heden uitspraak gedaan (ECLI:NL:HR:2018:2261).

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het bewijs dat het pand is ingestort door een constructiefout, niet is geleverd.
De klachten van dit onderdeel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.2.1

Onderdeel 2 wijst onder meer erop dat [eiseres] heeft gesteld dat, ook indien geen sprake zou zijn van een constructiefout, [verweersters] aansprakelijk zijn voor de schade op grond van een in de aannemingsovereenkomst opgenomen garantie. Volgens het onderdeel heeft het hof verzuimd deze essentiële stelling van [eiseres] te behandelen, althans heeft het hof zijn oordeel dat [verweersters] niet aansprakelijk zijn in het licht van die stelling onvoldoende gemotiveerd.

4.2.2

Deze klacht slaagt. Het hof heeft zijn oordeel in rov. 2.27 dat [verweersters] jegens [eiseres] niet aansprakelijk zijn, uitsluitend gegrond op zijn oordeel dat een constructiefout niet is komen vast te staan. Het heeft niet, dan wel niet voldoende kenbaar, de hiervoor in 4.2.1 vermelde stelling van [eiseres] in zijn oordeel betrokken.

4.2.3

De overige klachten van onderdeel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.3.1

Onderdeel 3 is gericht tegen de door het hof uitgesproken proceskostenveroordeling van [eiseres] in het incidentele hoger beroep. Het onderdeel betoogt dat die veroordeling onjuist is op de grond dat [eiseres] door de rechtbank in het gelijk was gesteld en in het incidenteel hoger beroep alleen verweer heeft gevoerd.

4.3.2

Het onderdeel faalt. Het betoogt op zichzelf terecht dat indien [eiseres] , die door de rechtbank in het gelijk was gesteld, in de vorm van een incidenteel hoger beroep verweer heeft gevoerd, deze omstandigheid niet ertoe mag leiden dat verwerping van haar verweren [eiseres] op een kostenveroordeling komt te staan (zie onder meer HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9966, rov. 3.2 en HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233, rov. 3.8). Het onderdeel miskent echter dat [eiseres] in het incidentele hoger beroep haar eis heeft vermeerderd. Daarmee streefde [eiseres] een andere uitkomst van de procedure na dan het dictum van het eindvonnis van de rechtbank inhield, en is dus geen sprake van het enkel voeren van verweer zoals bedoeld in de hiervoor genoemde arresten.

4.4

Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep leidt tot vernietiging van het arrest van het hof. In strikte zin is aan die voorwaarde voldaan. De Hoge Raad ziet echter aanleiding om het incidentele beroep zo uit te leggen dat de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld. Het middel richt zich uitsluitend tegen de uitleg die het hof heeft gegeven aan het begrip ‘constructiefouten’, en de slagende klacht van het principale beroep betreft een geschilpunt dat hiermee geen verband houdt.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 juli 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweersters] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 6.665,60 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident
E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren
A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, C.E. du Perron en
H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 14 december 2018.