Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2248

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2018
Datum publicatie
04-12-2018
Zaaknummer
17/03277
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1168
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:1592
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Medeplegen poging opzettelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr), openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr), poging zware mishandeling, meermalen gepleegd (art. 302.1 Sr), beschadiging, meermalen gepleegd (art. 350.1 Sr) en doorrijden na ongeval, meermalen gepleegd (art. 7.1 WVW 1994). Hoewel Hof gevangenisstraf van 2 jaren gerechtvaardigd acht, heeft Hof geen gevangenisstraf opgelegd, nu verdachte na begaan onderhavige feiten t.z.v. medeplegen moord (niet onherroepelijk) is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Samenloopregeling buiten toepassing nu eerdere straf niet onherroepelijke levenslange gevangenisstraf is? Art. 57 en 63 Sr. Opvatting dat art. 63 Sr rechter niet verplicht toepassing te geven aan samenloopregeling van art. 57 Sr in het geval dat verdachte, nadat hem levenslange gevangenisstraf is opgelegd maar desbetreffende uitspraak (nog) niet in kracht van gewijsde is gegaan, schuldig wordt verklaard aan misdrijf of overtreding voor die strafoplegging begaan, is onjuist, omdat voor toepassing van art. 63 Sr niet van belang is of eerdere veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan (vgl. ECLI:NL:HR:1977:AB7122). Evenmin is toepassing van art. 63 Sr daarvan afhankelijk of bij eerdere veroordeling tijdelijke dan wel levenslange gevangenisstraf is opgelegd. HR merkt op dat thans wetsvoorstel "herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken" aanhangig is. Dit wetsvoorstel strekt er o.m. toe dat toepassing van regeling van art. 63 Sr wordt beperkt tot het geval waarin verdachte "onherroepelijk" tot straf is veroordeeld. Volgt verwerping. Samenhang met 17/04673.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/17
RvdW 2019/12
NJ 2019/12
SR-Updates.nl 2018-0437 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NBSTRAF 2019/15
NbSr 2019/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/03277

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 juni 2017, nummer 22/002327-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de beslissing van het Hof omtrent de strafoplegging getuigt van een onjuiste uitleg van art. 63 Sr.

2.2.1.

Het Hof heeft het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van een poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven", "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", "poging tot zware mishandeling", "poging tot zware mishandeling", "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan en ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd" en "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte ter zake daarvan strafbaar verklaard, maar verstaan dat geen gevangenisstraf meer kan worden opgelegd. Het Hof heeft in dit verband het volgende overwogen:

"Bij de vraag of aan de verdachte straf dient te worden opgelegd heeft het hof gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

(...)

Gezien de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden alleszins gerechtvaardigd is.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu er tussen het instellen van het hoger beroep door de officier van justitie op 28 mei 2014 en het wijzen van dit arrest op 7 juni 2017 een periode van meer dan 24 maanden is gelegen. Gelet op deze termijnoverschrijding is het hof van oordeel dat in plaats van voormelde straf een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren gerechtvaardigd is.

Het hof heeft echter ook acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte bij (niet onherroepelijk) vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2015 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Nu de verdachte, zoals vermeld, bij vonnis van 1 mei 2015 en aldus na het begaan van de thans bewezen verklaarde feiten, is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf is het hof gehouden rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt in dezen met zich mee dat de hiervoor genoemde straf niet kan worden opgelegd. Het hof komt mitsdien niet toe aan het opleggen van voormelde gevangenisstraf."

2.2.2.

Bij de stukken van het geding bevindt zich het de verdachte betreffende uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 8 mei 2017. Dat houdt in dat de verdachte na de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde misdrijven, begaan in het jaar 2012, bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 1 mei 2015 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf ter zake van onder meer - kort gezegd - het medeplegen van moord, meermalen gepleegd. Het uittreksel vermeldt verder dat het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 1 mei 2015 niet onherroepelijk is, omdat door de verdachte op 6 mei 2015 hoger beroep is ingesteld.

2.3.1.

Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof zijn hiervoor onder 2.2.1 weergegeven overwegingen gegrond op onder meer art. 57 en 63 Sr.

2.3.2.

Deze bepalingen luiden als volgt:

- art. 57 Sr:

"1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.

2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum."

- art. 63 Sr:

"Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing."

2.4.

Het middel berust in de kern op de opvatting dat art. 63 Sr de rechter niet verplicht toepassing te geven aan de samenloopregeling van art. 57 Sr in het geval dat de verdachte, nadat hem een levenslange gevangenisstraf is opgelegd maar de desbetreffende uitspraak (nog) niet in kracht van gewijsde is gegaan, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging begaan. Die opvatting is onjuist, omdat voor de toepassing van art. 63 Sr niet van belang is of de eerdere veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan (vgl. HR 1 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7122). Evenmin is de toepassing van art. 63 Sr daarvan afhankelijk of bij de eerdere veroordeling een tijdelijke dan wel een levenslange gevangenisstraf is opgelegd.

2.5.

Het middel faalt.

2.6.

Opmerking verdient dat bij het parlement thans het wetsvoorstel "herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken" aanhangig is (vgl. Kamerstukken I 2017/18, 34 126, A). Dit wetsvoorstel strekt er onder meer toe dat de toepassing van de regeling van art. 63 Sr wordt beperkt tot het geval waarin de verdachte "onherroepelijk" tot straf is veroordeeld.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2018.