Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2219

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
17/06103
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:2859, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1027, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Appelprocesrecht. Partneralimentatie (art. 1:157 BW). Nihilstelling alimentatie op een termijn van drie jaar; verdiencapaciteit alimentatiegerechtigde; motiveringseisen. Buiten de grieven treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2260
PFR-Updates.nl 2018-0296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 november 2018

Eerste Kamer

17/06103

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,

t e g e n

[de man] ,
wonende te [plaats] , Canada,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/09/501632/FA RK 15-9631 en C/09/511187 FA RK 16-3767 van de rechtbank Den Haag van 29 september 2016;

b. de beschikking in de zaak 200.206.041/01 van het gerechtshof Den Haag van 27 september 2017.

De beschikking van het hof is aan deze de beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Partijen zijn gehuwd op 22 september 1995 te Rotterdam.

  • -

    ii) Bij beschikking van 29 september 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 10 februari 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1

Voor zover in cassatie van belang, heeft de vrouw verzocht om vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 13.142,-- per maand. De man heeft de rechtbank bij zelfstandig verzoek primair verzocht de duur van de door hem te betalen partneralimentatie tot uiterlijk 1 juli 2019 te beperken, althans tot een zodanige periode als de rechtbank juist acht. Subsidiair heeft de man de rechtbank verzocht te bepalen dat op de vrouw een inspanningsverplichting rust om voor 1 juli 2019 volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien bij gebreke waarvan de alimentatie met ingang van 1 juli 2019 op nihil wordt gesteld.

3.2.2

De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gedurende een periode van vijf jaren aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 4.875,-- per maand.

3.2.3

De man heeft in hoger beroep zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij heeft verzocht de limitering, althans nihilstelling te laten ingaan na het verstrijken van een termijn van drie maanden nadat het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, dan wel een door het hof in redelijkheid vast te stellen datum.

3.2.4

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw voor de periode van 10 februari 2017 tot 27 september 2020 bepaald op € 4.875,-- bruto per maand en met ingang van 27 september 2020 op nihil.

Wat betreft de hoogte van het bedrag van € 4.875,-- heeft het hof overwogen dat de totale behoefte van de vrouw afgerond € 6.392,-- netto per maand bedraagt (rov. 32), dat de vrouw thans een bruto jaarinkomen van € 81.472,06 verdient (rov. 36) en dat de vrouw met een partneralimentatie van € 58.500,-- bruto per jaar, derhalve met een totaal bruto jaarinkomen van € 140.242,--, kan voorzien in haar huwelijksgerelateerde behoefte van € 6.392,-- netto per maand (rov. 37).

Wat betreft de nihilstelling met ingang van 27 september 2020 heeft het hof overwogen:

“43. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft de studies Geneeskunde en Beleids- en bestuurswetenschappen beide cum laude afgerond. Na haar studies is zij in 1996 gepromoveerd en heeft zij acht jaar gewerkt als universitair hoofddocent (senior epidemioloog). De man heeft onweersproken gesteld dat de vrouw 75 (internationale) publicaties op haar naam heeft staan en meerdere promovendi heeft begeleid. Daarnaast heeft zij de Nederlandse volksgezondheidsprijs gewonnen. Vanaf 2005 is de vrouw als bestuurder in de gezondheidszorg werkzaam. Voor het werk van de man zijn partijen verhuisd naar Canada en de vrouw heeft daarvoor haar baan als directeur opgegeven. Zij heeft toen twee jaren niet in Nederland gewoond, maar nog wel werkzaamheden verricht voor de corporation van de man. Inmiddels is de vrouw al weer drie jaren in Nederland en sinds 8 september 2014 werkzaam bij een onderzoeksinstituut. Sinds haar indiensttreding is haar inkomen aanzienlijk gestegen. Inmiddels heeft zij een inkomen van € 81.472,- bruto per jaar. Weliswaar stelt de vrouw dat zij thans niet verder kan groeien in salaris, maar gezien haar uitstekende curriculum vitae en haar netwerk is het hof op dat punt een andere visie toegedaan. Naar het oordeel van het hof zijn de opleidingsmogelijkheden van de vrouw en haar kansen op de arbeidsmarkt, ondanks haar verblijf in Canada en haar daling van het inkomen, niet negatief beïnvloed door het huwelijk. Het hof verwacht dan ook dat de verdiencapaciteit van de vrouw binnen drie jaren na heden aldus zal zijn dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het inkomen van de vrouw, zonodig in een andere baan, in de toekomst nog zal stijgen. Anders dan de vrouw meent, is geen sprake van een recht op alimentatie gedurende twaalf jaren, maar kan er slechts een aanspraak zijn op alimentatie indien sprake is van behoefte aan de zijde van de alimentatiegerechtigde en draagkracht aan de zijde van de alimentatieplichtige. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw zich zal inspannen haar inkomen de komende drie jaren op een zodanig niveau te brengen dat zij daardoor over drie jaren in haar eigen behoefte kan voorzien. Met ingang van die datum zal het hof dan ook de alimentatie op nihil stellen. Dat de chronische ziekte van de vrouw haar parten speelt bij het verwerven van (arbeids)inkomsten, zoals de vrouw stelt, is het hof niet gebleken.”

3.3.1

De onderdelen 2.6 en 2.7 van het middel zijn gericht tegen de beslissing om de bijdrage in het levensonderhoud met ingang van 27 september 2020 op nihil te stellen.
De onderdelen klagen dat de verwachting van het hof dat de vrouw (zich zal inspannen haar inkomen de komende drie jaren op een zodanig niveau te brengen dat zij daardoor) binnen drie jaren in haar eigen behoefte zal kunnen voorzien, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Onderdeel 2.7 wijst er in dit verband onder meer op dat de vrouw heeft aangevoerd, en de man niet heeft betwist, dat het hoogste bruto jaarsalaris dat de vrouw heeft genoten voor het vertrek van partijen naar Canada ongeveer € 100.000,-- bruto heeft bedragen.

3.3.2

Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt het volgende vooropgesteld. Voor beslissingen waarmee de alimentatieverplichting (al dan niet op termijn) op nihil wordt vastgesteld op grond van omstandigheden die voor wijziging vatbaar zijn (‘tijdelijke nihilstelling’), gelden, anders dan voor beslissingen waarbij die verplichting op nihil wordt gesteld of wordt beëindigd op grond van omstandigheden waarvoor dat niet geldt (definitieve nihilstelling of beëindiging), geen hoge motiveringseisen (HR 15 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3236, rov. 3.4.2). De reden voor dit verschil is dat een tijdelijke nihilstelling, anders dan een definitieve beëindiging, voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW in aanmerking komt wanneer de omstandigheden veranderen of een verwachte verandering juist uitblijft. Wel moet ook een beslissing tot tijdelijke nihilstelling ten minste zodanig worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in het geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken (vgl. HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, rov. 3.5 en HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, rov. 4.2).

3.3.3

Gelet op het hiervoor in 3.3.2 overwogene, heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De nihilstelling door het hof van de partneralimentatie op een termijn van drie jaar is gestoeld op de verwachting van het hof dat de vrouw binnen drie jaren in haar eigen behoefte zal kunnen voorzien. Die verwachting houdt daarmee in dat de vrouw haar huidige inkomen van € 81.472,06 bruto per jaar binnen drie jaar zal kunnen verhogen naar € 140.242,-- bruto per jaar. Laatstgenoemd bedrag acht het hof blijkens zijn rov. 37 immers nodig om in de behoefte van de vrouw te voorzien. Mede in het licht van de door de man niet betwiste stelling dat de vrouw tot op heden nooit meer dan € 100.000,-- bruto heeft verdiend op basis van een voltijds dienstverband, valt echter zonder nadere motivering niet in te zien dat hetgeen het hof overweegt over de opleiding, ervaring en kansen op de arbeidsmarkt van de vrouw, de verwachting van het hof kan rechtvaardigen met betrekking tot deze omvang van een inkomensstijging van de vrouw over een periode van drie jaar. De onderdelen 2.6 en 2.7 zijn dus terecht voorgesteld.

3.4

Onderdeel 2.10 bevat de klacht dat het hof met het door hem in rov. 43 gegeven oordeel bovendien buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is getreden. Het onderdeel betoogt dat de man in hoger beroep geen grief heeft aangevoerd tegen de vaststelling door de rechtbank van de hoogte van de verdiencapaciteit van de vrouw, inhoudende dat de vrouw in staat moest worden geacht om binnen vijf jaren een inkomen te genereren van € 90.000,-- tot € 100.000,-- bruto per jaar.

Deze klacht slaagt. De gedingstukken laten geen andere lezing toe dan dat het debat van partijen betrekking heeft op de vraag of de vrouw in staat is terug te keren naar haar voormalige salarisniveau. De man heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn verzoek tot limitering, althans nihilstelling vanaf het verstrijken van een termijn van drie maanden nadat het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, althans van een door het hof in redelijkheid te bepalen termijn, niet aangevoerd dat de vrouw vanaf enig moment meer dan haar voormalige salaris van ongeveer € 100.000,-- bruto per jaar zal kunnen verdienen en aldus zelf volledig in haar eigen behoefte zal kunnen voorzien. Met zijn desbetreffende oordeel is het hof dan ook buiten de grieven van de man getreden.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 september 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 30 november 2018.