Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2194

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
17/04386
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:605
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:7670, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verkrachting door echtgenoot in eigen slaapkamer, terwijl verdachte toegang woning was ontzegd en aangeefster zich niet heeft verzet tegen seksuele handelingen teneinde verdachte gunstig te stemmen en erger te voorkomen. Uitleg bestanddeel ‘dwingt’ a.b.i. art. 242 Sr. Heeft verdachte bewust aanmerkelijke kans aanvaard dat seksuele handelingen tegen wil aangeefster plaatsvonden? Blijkens bewijsvoering heeft Hof vastgesteld dat verdachte 's nachts, nadat hij zich enkele uren had schuilgehouden in andere kamer, plotseling slaapkamer van aangeefster heeft betreden, terwijl aan hem toegang tot die woning was ontzegd. Verdachte heeft aangeefster gewekt en op dat moment stuk ducttape afgescheurd, waarna hij haar telefoon heeft verstopt om te voorkomen dat zij politie zou bellen en hij haar heeft belet slaapkamer te verlaten. Tijdens zijn aanwezigheid in slaapkamer was zijn gedrag onvoorspelbaar, had hij stemmingswisselingen en waren zijn uitlatingen zorgwekkend en moeilijk te peilen. Daardoor kwam hij als gevaarlijk en bedreigend op aangeefster over en wekte hij angst bij haar. Zij heeft op hem ingepraat en vervolgens seks met hem gehad. Tijdens seksuele handelingen heeft verdachte polsen van aangeefster vastgegrepen op het moment dat zij diens hand probeerde weg te duwen en heeft hij haar hoofd naar zijn penis geduwd. Aan deze f&o heeft Hof gevolgtrekking verbonden dat aangeefster zich door bewezenverklaarde gedragingen en handelingen van verdachte gedwongen heeft gevoeld tot ondergaan en verrichten van seksuele handelingen, teneinde hem gunstig te stemmen en zo erger te voorkomen. De term "dwingt" in art. 242 Sr dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is voldaan indien (voorwaardelijk) opzet van verdachte mede omvat dat hij iemand handelingen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of haar wil. Hof heeft, gelet op zijn overweging dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat seksuele handelingen tegen wil van aangeefster plaatsvonden, geoordeeld dat verdachte met zodanig opzet heeft gehandeld. Daarin ligt besloten dat Hof met zijn overweging dat verdachte heeft "kunnen en moeten begrijpen" dat hij een zodanig bedreigende situatie heeft gecreëerd dat aangeefster zich gedwongen voelde seksuele handelingen te verrichten en te ondergaan, niet tot uitdrukking heeft gebracht dat dit "kunnen en moeten begrijpen" reeds voldoende is voor bewijs van opzet, maar slechts - zij het in minder gelukkig gekozen bewoordingen - heeft gereageerd op namens verdachte gevoerd verweer. ‘s Hofs oordeel dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bewezenverklaarde seksuele handelingen tegen wil van aangeefster hebben plaatsgevonden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk gelet op hetgeen Hof blijkens zijn bewijsvoering heeft vastgesteld, waaronder omstandigheid dat verdachte aangeefster opzettelijk heeft gebracht in bedreigende situatie waaraan zij zich niet kon onttrekken en waarin seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Aan begrijpelijkheid van dat oordeel doet niet af dat aangeefster zich niet tegen al de bewezenverklaarde gedragingen en handelingen van verdachte heeft verzet. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2311
RvdW 2018/1319
TPWS 2019/22
SR-Updates.nl 2018-0422 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NBSTRAF 2019/10
NJ 2019/241 met annotatie van N. Rozemond
NbSr 2019/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 november 2018

Strafkamer

nr. S 17/04386

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 31 augustus 2017, nummer 21/000911-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:

"hij op 12 juli 2016 te Harreveld, gemeente Oost Gelre , door geweld en feitelijkheden en door bedreiging met geweld, een persoon, te weten [slachtoffer] , (zijnde de echtgenote van verdachte), heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte

- één van zijn vingers in haar anus gebracht, en

- zijn penis in haar mond gebracht, en

- in haar mond geëjaculeerd, en

- getracht zijn penis in haar vagina te brengen, en

- haar vagina gelikt,

terwijl dat geweld en die feitelijkheden en die bedreiging met geweld er in hebben bestaan dat verdachte

- de woning heeft betreden waarin [slachtoffer] zich bevond, terwijl hem de toegang tot die woning in het kader van een Veiligheidsplan was ontzegd, en

- die [slachtoffer] omstreeks 04:30 uur 's nachts op haar slaapkamer heeft overrompeld waarbij die [slachtoffer] zag dat verdachte kennelijk een rol ducttape had meegenomen, en

- die [slachtoffer] heeft verboden haar mobiele telefoon te pakken en

- die [slachtoffer] heeft toegevoegd de woorden "We gaan nu praten, het is jij of ik, ik heb er genoeg van" of woorden van soortgelijke strekking, en

- die [slachtoffer] heeft verboden op te staan van haar bed en haar heeft toegevoegd de woorden "Nee, blijf, je mag niet weg" of woorden van soortgelijke strekking, en

- die [slachtoffer] heeft toegevoegd de woorden "Ik wil niet dat iemand anders je aanraakt, je bent van mij" of woorden van soortgelijke strekking, en

- de pols van die [slachtoffer] heeft vastgegrepen op het moment dat zij hem weg wilde duwen, en

- het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn penis heeft geduwd."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op p. 27-39 van het voornoemde proces-verbaal, genummerd PL0600-2016343435-1) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] :

Ik heb eergisteren, maandag 11 juli 2016, gewerkt. Rond een uur of 21:30 uur à 22:00 uur ging ik naar een vriend. Omstreeks 23:45 uur à 24:00 uur kwam ik weer thuis. Ik heb toen met mijn oudste kinderen gekletst en ben naar bed gegaan. Ik heb het licht uitgedaan en viel in slaap. Ineens werd ik wakker doordat de slaapkamerdeur open ging. Mijn eerste gedachte was dat ik dacht dat het mijn oudste zoon was, maar ik besefte aan het silhouet dat het hem niet was. Ik besefte mij ineens dat het [verdachte] was. Hij hoorde daar niet te zijn. Ik voelde mij warm en koud tegelijk. Ik voelde mij bedreigd omdat [verdachte] eerder bedreigingen naar mij heeft geuit. Alle alarmbellen gingen mij bij af, ik bevroor bijna. Ik weet dat ik zei: "Wat doe jij hier?" Ik stak mijn arm uit naar het nachtkastje. Ik zocht naar mijn telefoon, maar die was weg. Ik zei: "Waar is mijn telefoon?" Hij zei: "Ja, die heb ik gepakt. Die krijg je niet, anders bel je de politie." Ik heb meerdere keren gevraagd wat hij wilde. Hij zei dat we moesten praten. Ik probeerde zo normaal mogelijk over te komen terwijl ik mij anders voelde. Ik zei tegen hem dat hij mij moest bellen of mailen als hij met mij wilde praten. Hij ging voor me op bed zitten en zei: "Er moet nu een einde aan deze situatie komen. Het is of jij of ik. Het gaat nu gebeuren. Ik kan niet zo langer, ik heb niets meer, ik voel mij zo slecht." Later had hij het over zelfmoord.

Ik sliep alleen met een onderbroek aan. Ik trok mijn ochtendjas aan en wilde opstaan. [verdachte] verplaatste zich en ging aan de andere kant van het bed naast mij zitten. Ik wilde opstaan, maar hij duwde mij weer op bed. Ik zei: "Ik wil hier niet zijn. Ik wil weg uit deze slaapkamer." Ik zei het zo zakelijk mogelijk. Hij zei: "Nee, dat mag niet." [verdachte] zat op het bed tussen mij en de slaapkamerdeur in. Als ik weg wilde lopen, moest ik lang hem heen. Het is heel smal, nog geen halve meter.

Ik probeerde nog twee à drie keer op te staan. Voor mij was het duidelijk dat ik niet weg mocht, ik moest blijven. Ik ging weer terug op het bed naar de plek waar ik sliep. Ik voelde mijn hart tekeer gaan, mijn handen trilden.

Hij vertelde hoe slecht hij zich voelde, dat hij niks meer heeft en dat wij niet mee hoefden te werken aan het Veiligheidsplan. Hij zei steeds dat we niet mee hoefden te werken. Ik zei dat onze kinderen in een pleeggezin zouden komen als wij ons er niet aan zouden houden. Ik hoorde mijzelf dingen zeggen om hem maar gerust te stellen, dat ik dit zelf ook niet zo gewild heb en dat het zeker niet mijn keuze was. Dit was van mijn kant een toneelstuk. Ik was continu aan het bedenken hoe ik kon vluchten en waar ik naartoe kon.

Hij heeft meerdere keren herhaald: "Het is nu afgelopen. Het moet nu afgelopen zijn." Hij kwam op mij over alsof hij geestelijk niet helemaal gezond was, absoluut gevaarlijk, alsof hij het allemaal beter weet dan iedereen en het recht in eigen handen mag nemen.

Ik probeerde op zijn geweten in te spelen. Hij bleef maar volhouden dat het niet anders kon. Hij wisselde heel erg van stemming. Het ene moment was het alsof hij mij geloofde en rustiger werd, het andere moment leek hij het idee te hebben dat ik maar wat zei om hem rustig te krijgen. Op een gegeven moment gaf hij mij een soort afscheidsknuffel, waarbij ik op mijn rug lag en hij met zijn benen aan beide kanten op mijn heupen lag. Hij zei iets van: "Het kan niet anders, het moet zo." Ik probeerde hem het gevoel te geven dat ik hem troostte, dat ik wel om hem gaf. Vervolgens kwamen wij naast elkaar te liggen, met de gezichten naar elkaar toe. Hij omarmde mij en gaf mij een knuffel. Ik vond het vreselijk, maar ik ging maar op de automatische piloot en knuffelde terug en aaide hem troostend over zijn rug. We hebben toen met elkaar gesproken. Ik weet niet meer wat we gezegd hebben.

Kort daarop begon hij mij te strelen bij mijn benen onder mijn ochtendjas. Hij zei: "Ik wil niemand anders. Ik houd van je lichaam. Ik wil geen andere vrouw." Hij ging mij stevig aaien en het duurde niet lang voor hij zijn hand tussen mijn benen deed. Ik voelde dat hij seks met mij wilde hebben. Hij masseerde mijn clitoris en ging met zijn vingers erin. Ik ging erin mee. Aan de ene kant dacht dat ik het fijn was als hij zou denken dat ik aan zijn kant stond. Het voelde als een uitweg, ik vocht totaal niet tegen. Hij ging vrij snel met zijn hoofd tussen mijn benen en ging mij likken. Hij ging met zijn vingers in mijn vagina en anus. Toen hij anaal met zijn vinger naar binnen ging, probeerde ik zijn hand weg te duwen. Hij pakte toen mijn linkerpols vast en probeerde te voorkomen dat ik dat deed. Hij ging maar door met zijn vingers in mijn anus.

Op een bepaald moment heeft hij zich uitgekleed. Hij ging naast mij liggen en weer met zijn hand tussen mijn benen. Hij ging op mij liggen en probeerde in mij te komen. Dat lukte niet, omdat hij geen erectie had. Hij ging links naast mij liggen, pakte mijn hand en hij wilde dat ik hem ging masturberen. Ik deed dat. Later duwde hij mijn hoofd omlaag en moest ik hem afzuigen. Ik heb dat ook gedaan. Ik zei nog: "Het hoeft nu niet", maar hij duwde mijn hoofd stevig omlaag. Hij ging ongeveer tien minuten door totdat hij klaarkwam in mijn mond. Ik slikte het door. Ik dacht: gatver, ik wil dit niet doorslikken. Iets anders doen zou echter verdacht gedrag opleveren. Vroeger deed ik dat ook, daarom nu ook.

Daarna bleven we praten. Ik dacht dat hij gerust gesteld was, maar hij wisselde weer van stemming van zei: "En toch gaat dit gebeuren, er moet verandering komen. Het moet nu, jij of ik. Of jij pleegt zelfmoord of ik. Het is beter dat jij het doet, jij bent de zwakste." Ik zag rechts van mij op de grond ducttape liggen. Ik dacht ook een stanleymes te zien, maar dat bleek later een papier, twee pennen en dus een rol ducttape. Toen ik dat zag in combinatie met zijn gedrag, voelde ik doodsangsten. Ik wilde weg, maar ik mocht niet weg. Ik zei tegen hem dat ik zo'n droge mond had.

Hij is toen water voor mij gaan halen. Ik ben snel opgestaan, zoeken naar iets om mij te verdedigen. Ik kon niets vinden. Het kan zijn dat dat was vóórdat hij seks met mij wilde. Later heb ik nog een keer om water gevraagd. Ik heb toen zijn telefoon gezocht en die gevonden in zijn broekzak. Ik probeerde 112 te bellen, maar ik kon de belfunctie niet vinden, misschien omdat ik zo gestrest was. Hij kwam terug, ik deed de deken over de telefoon. Vrij kort daarna ging mijn wekker af op mijn telefoon. Dat was precies om 06:30 uur. Ik zag dat [verdachte] mijn telefoon oppakte onder het bed vandaan en deze op een stapel tijdschriften naast het bed gooide. Hij bleef maar praten over van alles.

Uiteindelijk zijn wij naar beneden gegaan om een kop thee te drinken. Ik durfde niet te vluchten, want ik was dat bang dat hij dan gelijk achter mij aan zou komen. Ik was bang dat hij mij terug in huis zou trekken en dan was het ook voorbij. Toen [verdachte] naar buiten ging in de achtertuin om te roken, heb ik om 07:39 uur snel [betrokkene 1] geappt. Daarna, om 07:54 uur, heb ik [betrokkene 2] (de gezinsvoogd) en [betrokkene 3] geappt. Ik was heel bang dat [verdachte] weer binnen zou komen. Ik stond te trillen en had een hoge hartslag. [verdachte] is na verloop van tijd naar boven gegaan. Ik hoorde water stromen in de badkamer en durfde toen de politie te bellen. Dat was om 08:26 uur. Ongeveer drie minuten later kwam [verdachte] beneden. Ik moest plassen. Ik ben op het toilet gaat zitten met de deur open, want dan kon ik de politie zien als ze zouden komen. Ik hoorde de stevige stappen van [verdachte] . Aan zijn manier van lopen hoorde ik dat hij gefocust ergens naar toeliep. Ik dacht dat hij naar mij toe liep. Het waren geen vriendelijke voetstappen. Ik ben toen via de voordeur naar buiten gerend. Op nog geen tien meter van mijn voordeur zag ik een vriendelijke politieagent. Op dat moment begon ik hard te huilen.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden (als bijlage op p. 24-26 van het voornoemde proces-verbaal, genummerd PL0600-2016343435-14) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verslag van het informatief gesprek met [slachtoffer] :

Toen het Veiligheidsplan een feit was konden moeder en de kinderen weer terug naar huis. Vader mocht niet in en rondom de woning verblijven en de kinderen mocht hij alleen onder begeleiding van hulpverlening zien.

Die nacht omstreeks 04:30 uur zag zij iemand naast haar bed staan. Zij zag dat het haar ex-man was. Zij schrok en werd doodsbang. Zij zag volgens haar een rol ducttape naast het bed liggen. Hij zei vervolgens: "We gaan nu praten, het is jij of ik, ik heb er genoeg van". Zij probeerde rustig te blijven en wilde opstaan. Hij drukte haar vervolgens terug en zei: "Nee blijf, je mag niet weg." Hij begon haar aan te raken. Hij zei: "Ik wil niet dat iemand anders je aanraakt. Je bent van mij."

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal en de daarbij behorende bijlage (Whatsapp-gesprek) (als bijlage op 53-62 van het proces-verbaal, genummerd PL0600-2016343435-21) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3] :

Op dinsdagochtend 12 juli 2016 heeft [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) mij geappt. Die berichten zal ik naar jullie doorsturen. Ik heb nog getracht met haar te bellen, maar ik kreeg haar niet aan de telefoon. Ook de gezinsvoogd kon ik niet bereiken. Ik heb toen de politie gebeld. Ik moest haar adres eerst nog opzoeken, want ik was niet meer actief betrokken bij deze casus.

[slachtoffer] 07:54 uur: [verdachte] is in mijn huis

[slachtoffer] 07:54 uur: Bel de politie

[slachtoffer] 07:54 uur: Ik durf niet te bellen

[slachtoffer] 07:54 uur: Hij rookt buiten

[betrokkene 3] 08:04 uur: Hoi [slachtoffer] is [verdachte] er nog?

[betrokkene 3] 08:11 uur: Moet ik bellen?

[betrokkene 3] 08:16 uur: Ik heb gebeld met de politie.

[slachtoffer] 08:20 uur: Trhij is nu buiten aan het roken

[slachtoffer] 08:21 uur: Zegt dat het of hij is

[slachtoffer] 08:21 uur: Of ik

[slachtoffer] 08:21 uur: Doodgaan

[slachtoffer] 08:21 uur: Gerusgestelf

[slachtoffer] 08:21 uur: Uren lang

[slachtoffer] 08:21 uur: Straks vedder praten

[slachtoffer] 08:21 uur: Hij drnkt dat het goed komt

[slachtoffer] 08:21 uur: Mij hart gaat trkeer

[betrokkene 3] 08:23 uur: Politie is onderweg

[slachtoffer] 08:38 uur: Waar zijn ze

[slachtoffer] 08:38 uur: ??????

[betrokkene 3] 08:39 uur: Ze hebben 5 min geleden aan gegeven dat een wagen onderweg is. Ze kunnen er elk moment zijn verwacht ik.

[betrokkene 3] 08:39 uur: Is [verdachte] nog buiten?

[slachtoffer] 08:40 uur: Binnen

[slachtoffer] 08:40 uur: Woonkamer

[slachtoffer] 08:40 uur: Hij probeert de deuren opskot fe

doen

[slachtoffer] 08:40 uur: Het gaat mis

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 92-94 van het proces-verbaal, genummerd PL0600-2016343435-4) voor zover inhoudende
- zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant(en):

Op dinsdag 12 juli 2016 omstreeks 08:20 uur kregen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , een melding binnen onze regionale Meldkamer of wij ons wilden begeven naar [a-straat 1] .

Om 08:40 uur waren wij ter plaatse. Ik, [verbalisant 1] , liep naar de voordeur van het perceel welke is gelegen aan de rechter zijkant van het perceel. Op dat moment werd de voordeur geopend en zag ik, [verbalisant 1] , een vrouwspersoon gekleed in een donkerkleurige badjas de woning uitrennen. Ik, [verbalisant 1] , zag dat ze er angstig en verschrikt uitzag.

Ik, [verbalisant 2] , zag dat die vrouw erg in de war was. Ik hoorde dat zij riep:

"Waar bleven jullie? Ik had dood kunnen zijn. Het was ik of hij, zijn voorkeur zou zijn dat ik het zou worden. Ik heb drie uur op het hem in moeten praten." Ik,

[verbalisant 2] , zag dat die vrouw begon te huilen. Ik vroeg haar wat er precies was gebeurd. Zij vertelde mij dat:

- haar ex, [verdachte] gisteren omstreeks 23:00 uur door één van de kinderen was binnen gelaten;

- zij op dat moment niet thuis was;

- zij omstreeks 04:30 uur wakker werd en merkte dat er iemand op haar bed naast haar zat;

- zij zag dat het [verdachte] was;

- zij meende dat er naast haar bed een stanleymes lag;

- zij later zag dat dit ducttape was;

- dat naast die ducttape een pen en papier lag;

- dat die ducttape uit de garage moest komen en meegenomen was door [verdachte] ;

- dat [verdachte] haar vertelde dat het hij of zij zou worden;

- dat hij haar vertelde dat het beter zou zijn dat zij het zou worden;

- dat [verdachte] hiermee bedoelde dat zij dood moest;

- dat zij doodsbang was voor [verdachte] en drie uur lang op hem heeft ingepraat;

- dat zij uit angst seks met [verdachte] heeft gehad;

- dat zij het niet had overleefd als zij zou tegenwerken;

- dat zij op een zeker moment een vluchtplan had bedacht;

- dat de politie er was toen zij naar de buren wilde vluchten.

5. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 17 augustus 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

U houdt mij voor het Veiligheidsplan en geeft aan dat daaruit blijkt dat ik daar helemaal niet mocht zijn. Die afspraken zijn inderdaad gemaakt, maar die zijn door mij onder dwang gemaakt.

U houdt mij voor dat [slachtoffer] er die avond niet was, maar dat zij later die avond wel thuis kwam. Ik ben inderdaad in de kinderkamer gebleven toen zij thuis kwam en ik ben bewust stil gebleven.

U houdt mij voor dat ik 's nachts rond vier uur, half vijf haar kamer binnen ben gegaan met papier, pennen en ducttape en haar telefoon heb verstopt. Dat klopt en ik heb haar telefoon onder het bed gelegd. U vraagt mij of dat niet verstoppen is. Oké, dat is verstoppen.

U houdt mij voor dat het op enig moment tot seks kwam en dat ik daarvan heb gezegd dat de omschrijvingen op de tenlastelegging van de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden wel kloppen. Dat zou ik dat toch nog graag een keer willen horen. U houdt mij voor wat er op de tenlastelegging staat. Daar ben ik het niet geheel mee eens; ik heb niet getracht dat te doen, want zij vroeg mij dat te doen. Ik heb het wel geprobeerd, maar dat was op haar verzoek. Die andere aspecten kloppen in principe wel.

U houdt mij voor dat zichtbaar een stukje tape op het bed zat en vraagt mij wanneer ik dat heb afgescheurd. Ik denk dat ik het heb afgescheurd op het moment dat ik haar wakker maakte."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, omdat het dossier geen steunbewijs voor de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen bevat. Verdachte zou slechts haar kamer zijn binnengegaan om te praten en aangeefster zou vervolgens zelf het initiatief hebben genomen tot seksueel contact. De verklaringen van derden die zich in het dossier bevinden, zeggen niets uit eigen waarneming over het feit of de seksuele handelingen al dan niet onder dwang zijn ondergaan. Het is voor verdachte in elk geval niet kenbaar geweest dat aangeefster geen seks wilde, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden en verdachte dat wist.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende. Verdachte is tegen het afgesproken veiligheidsplan in en buiten medeweten van aangeefster de woning binnengegaan toen zij niet thuis was. Hij heeft zich vervolgens schuil gehouden op de slaapkamer van de kinderen toen zij thuis kwam. Hij is 's nachts om ongeveer 4.30 uur, terwijl aangeefster sliep, plotseling haar kamer binnengegaan en heeft haar belet de slaapkamer te verlaten. Hij heeft - zo verklaart hij ook zelf - daaraan voorafgaand haar telefoon verstopt onder het bed om te voorkomen dat zij de politie zou bellen. Verder had verdachte toen hij de slaapkamer van aangeefster betrad ducttape bij zich en scheurde hij een stuk ducttape van de rol af op het moment dat hij aangeefster wekte. Het gedrag van verdachte was onvoorspelbaar, hij had stemmingswisselingen en zijn uitlatingen waren zorgwekkend en moeilijk te peilen. Zo heeft verdachte volgens aangeefster verklaard: 'En toch gaat dit gebeuren. Er moet nu verandering komen.' en 'Of jij pleegt zelfmoord of ik. Het is beter dat jij het doet, jij bent de zwakste.'

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte moeten begrijpen dat hij, door de hiervoor beschreven gedragingen en handelingen, een zeer bedreigende situatie heeft gecreëerd waarin aangeefster zich gedwongen heeft gevoeld om hem door middel van eerst een gesprek en vervolgens seks, tot kalmte te brengen. Anders dan rechtbank heeft overwogen en door de raadsvrouw is betoogd, merkt het hof op dat niet vereist is dat van verzet van de zijde van het slachtoffer is gebleken (Hoge Raad 31 mei 2011, LJN BQ2491). Evenmin volgt het hof de rechtbank in haar overweging dat de aanvankelijk aanwezige dwingende setting door het met het gesprek tussen aangeefster en verdachte gemoeide tijdsverloop meer naar de achtergrond was verdwenen. De beleving van de setting door verdachte doet niet ter zake. Dat aangeefster tijdens de seks geen andere handelingen verrichtte dan zij gebruikelijk deed - en mogelijk zelfs is begonnen -, is het naar het oordeel van het hof evenmin relevant. Aangeefster heeft zich in de geschetste bedreigende situatie waarin zij zich bevond gedwongen gevoeld te handelen zoals zij gedaan heeft, louter om verdachte gunstig te stemmen en zo erger te voorkomen. Dat heeft verdachte kunnen en moeten begrijpen.

De verklaringen van aangeefster dat sprake is geweest van dwang vinden in voldoende mate steun in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van [betrokkene 3] en de daarbij behorende WhatsApp-gesprekken. [slachtoffer] heeft die ochtend
- zodra zij kon - per WhatsApp [betrokkene 3] verzocht de politie voor haar te bellen. Uit de berichten valt haar emotionele toestand van dat moment af te leiden, mede gelet op de inhoud en typefouten die zich daarin bevinden. Ook de verklaringen van verdachte zelf bieden voldoende steun voor de verklaringen van aangeefster.

Voorts relateert verbalisant [verbalisant 1] over het aantreffen van aangeefster. Hij zag aangeefster, die er angstig en verschrikt uitzag, in een donkerkleurige badjas de woning uit rennen. Zij heeft hem gevraagd waar ze bleven en onder meer verklaard dat ze dood had kunnen zijn, dat het zij was of hij, dat er een voorkeur was dat zij het zou zijn, dat ze drie uur op verdachte in heeft moeten praten en uit angst seks met hem heeft gehad. Verbalisant [verbalisant 2] constateerde vervolgens dat aangeefster begon te huilen.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden waaronder het seksueel contact heeft plaatsgevonden, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte - gepaard gaande met enig geweld - opzettelijk een feitelijke situatie heeft gecreëerd waarin hij [slachtoffer] heeft gedwongen tot (het ondergaan van) seksuele handelingen, in die zin dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de seksuele handelingen tegen de wil van het slachtoffer plaatsvonden.

Het hof verwerpt het verweer."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt blijkens de toelichting over het oordeel van het Hof dat de verdachte "bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de seksuele handelingen tegen de wil van het slachtoffer plaatsvonden".

3.2.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof het volgende vastgesteld. De verdachte heeft 's nachts, nadat hij zich enkele uren had schuilgehouden in een andere kamer, plotseling de slaapkamer van [slachtoffer] betreden, terwijl aan hem in het kader van een Veiligheidsplan de toegang tot die woning was ontzegd. Daarop heeft hij [slachtoffer] gewekt en op dat moment een stuk ducttape afgescheurd, waarna de verdachte haar telefoon heeft verstopt om te voorkomen dat zij de politie zou bellen en heeft hij haar belet die slaapkamer te verlaten. Tijdens zijn aanwezigheid in die slaapkamer was het gedrag van de verdachte onvoorspelbaar, had hij stemmingswisselingen, en waren zijn uitlatingen zoals weergegeven in de bewezenverklaring zorgwekkend en moeilijk te peilen. Daardoor kwam hij als gevaarlijk en bedreigend op [slachtoffer] over en wekte hij angst bij haar. Zij heeft op hem ingepraat en vervolgens seks met hem gehad. Tijdens de bewezenverklaarde seksuele handelingen heeft de verdachte de polsen van [slachtoffer] vastgegrepen op het moment dat zij diens hand probeerde weg te duwen en heeft hij haar hoofd naar zijn penis geduwd. Aan deze feiten en omstandigheden heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat [slachtoffer] zich door de bewezenverklaarde gedragingen en handelingen van de verdachte gedwongen heeft gevoeld tot het ondergaan en verrichten van seksuele handelingen, teneinde hem gunstig te stemmen en zo erger te voorkomen.

3.3.

De term "dwingt" in art. 242 Sr dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij iemand handelingen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of haar wil. Het Hof heeft, gelet op de onder 2.3 weergegeven overweging dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de seksuele handelingen tegen de wil van het slachtoffer plaatsvonden, geoordeeld dat de verdachte met zodanig opzet heeft gehandeld. Daarin ligt besloten dat het Hof met zijn overweging dat de verdachte heeft "kunnen en moeten begrijpen" dat hij een zodanig bedreigende situatie heeft gecreëerd dat [slachtoffer] zich gedwongen voelde seksuele handelingen te verrichten en te ondergaan, niet tot uitdrukking heeft gebracht dat dit "kunnen en moeten begrijpen" reeds voldoende is voor het bewijs van het opzet, maar slechts - zij het in minder gelukkig gekozen bewoordingen - heeft gereageerd op een namens de verdachte gevoerd verweer.

3.4.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de bewezenverklaarde seksuele handelingen tegen de wil van [slachtoffer] hebben plaatsgevonden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk gelet op hetgeen het Hof blijkens zijn hiervoor onder 3.2 samengevatte bewijsvoering heeft vastgesteld, waaronder de omstandigheid dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gebracht in de bedreigende situatie waaraan zij zich niet kon onttrekken en waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Aan de begrijpelijkheid van dat oordeel doet niet af dat [slachtoffer] zich niet tegen al de bewezenverklaarde gedragingen en handelingen van de verdachte heeft verzet.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, J.C.A.M. Claassens, M.T. Boerlage en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018.