Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2158

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
17/03980
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:922
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Veroordeling partner van voormalige minister-president Curaçao voor o.m medeplegen witwassen, art. 435c.1.a SrNA. Bewijsklacht m.b.t. vraag of verdachte en haar mededader "wisten of begrepen" dat geldbedragen waarvan zij herkomst hebben verhuld "afkomstig waren uit enig misdrijf". Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte van geldbedragen herkomst heeft verhuld, terwijl zij en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Daarbij is Hof ervan uitgegaan dat niet is bewezen dat verdachte bekend was met specifieke aard van dat misdrijf - te weten: ambtelijke omkoping van haar mededader en A - waardoor geld is verkregen. Wel heeft Hof bewezen geacht dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat geld uit enig misdrijf afkomstig was. Hof heeft in aanmerking genomen dat het ging om grote geldbedragen, dat verdachte wist dat deze bedragen afkomstig waren van A, dat verdachte niet wilde dat geld op haar Curaçaose rekening zou worden gestort, dat verdachte geld op haar Amerikaanse rekening heeft laten storten, dat verdachte geld vervolgens met mededader op heimelijke wijze legaal aanzien heeft gegeven en dat noch uit boekhouding van haar mededader noch uit die van door hem opgerichte politieke partij kon blijken dat er gelden waren ontvangen van A. ‘s Hofs oordeel dat uit deze omstandigheden volgt dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op haar rekening ontvangen geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat verdachte ervan uitging dat die (uit misdrijf afkomstige) geldbedragen strekten ter ondersteuning van politieke activiteiten van haar mededader, doet daaraan niet af. Volgt verwerping. Samenhang met 17/03977 A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 november 2018

Strafkamer

nr. S 17/03980 A

SG/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 21 juli 2017, nummer H 39/16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben G.G.J.A. Knoops en J.A. Baaijens, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman G.G.J.A. Knoops heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het vierde middel

2.1.

Het middel klaagt over het bewezenverklaarde witwassen voor zover het Hof onder 2 heeft bewezenverklaard dat de verdachte en haar mededader "wisten of begrepen" dat de geldbedragen waarvan zij de herkomst hebben verhuld "afkomstig waren uit enig misdrijf".

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 november 2011 te Curaçao en Curaçao in de toenmalige Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander van geldbedragen van

- 15.000 USD en

- 10.000 USD en

- 50.000 USD en

- 50.000 USD en

- 53.422 USD en

- 20.000 USD,

de herkomst heeft verhuld, terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de verdachte, op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende:

Ik heb [betrokkene 1] (het Hof begrijpt: [betrokkene 1] ) leren kennen via [medeverdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ). [medeverdachte] vroeg in de periode maart-mei 2010 of een donatie van [betrokkene 1] op mijn Citibank-rekening mocht worden gestort. Ik ben ermee akkoord gegaan dat de donatie op mijn rekening zou worden gestort en ik heb daartoe mijn bankgegevens aan [medeverdachte] gegeven. Ik zou een gedeelte van de flinke bedragen die ik had voorgefinancierd door de donatie van [betrokkene 1] terugbetaald krijgen.

In mei 2010 ontving ik de eerste overboeking en in juni 2010 de tweede. Na de eerste overboeking in mei 2010 heb ik een geldbedrag van 15.000 USD overgeboekt naar [C] Ltd. De creditcard schuld van [C] zou met de donaties van [betrokkene 1] worden afgelost. In juni 2010 waren [medeverdachte] en ik een paar dagen in Miami. Ik heb daar een aantal cheques gekocht. Een gedeelte daarvan, ter waarde van 100.000 USD, is gekocht op naam van [A] . Dit werd gedaan om mijn schuld af te lossen die ik bij [A] had gemaakt. Dit heb ik zo met [medeverdachte] afgesproken. Dit bedrag heb ik laten storten op de bankrekening van [A] . Dit bedrag is in mindering gebracht op de persoonlijke schuld die ik bij [A] had. Op dezelfde dag dat ik de cheques op naam van [A] heb gekocht, heb ik ook een cheque gekocht op naam van [medeverdachte] . Ik wist van [medeverdachte] dat een gedeelte van de donatie daarnaartoe moest. Op 14 juni 2010 kwam het tweede gedeelte van de donatie van [betrokkene 1] op mijn rekening. Ik heb toen opnieuw een cheque gekocht op naam van [medeverdachte].

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 12 juni 2017, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat [medeverdachte] aan mij heeft gevraagd of er bepaalde bedragen op mijn rekening in de USA konden worden gestort. Ik vond dat goed. Ik wilde niet dat het op mijn privérekening in Curaçao zou worden gestort. Hij heeft mij de hoogte van de bedragen genoemd. De betalingen waren afkomstig van een ander bedrijf, maar ik wist dat het geld afkomstig was van [betrokkene 1] . Het was bedoeld voor de campagne. Ik had begrip voor zijn wens om de betalingen niet aan [medeverdachte] te doen, maar via mijn rekening, zodat het anoniem zou blijven. [medeverdachte] en ik hebben in Amerika het geld met cheques van mijn bankrekening opgenomen, dat is makkelijker, vooral als het om grotere bedragen gaat. Je toont je paspoort en je pas aan de balie en dan kan je het geld meteen opnemen. Ik kan met die rekening ook internetbankieren, maar dat is gecompliceerder, met name bij bedragen van meer dan 10.000 dollar. De betaling wordt dan namelijk eerst ongeveer een week aangehouden. Je moet redenen geven en dan gaan ze je bellen en moet je je identificeren.

3. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] , op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende:

Ik ken [betrokkene 1] al jaren. Begin mei 2010 bood [betrokkene 1] me aan om donaties te doen. [betrokkene 1] wilde niet dat dit publiekelijk bekend werd. Overeengekomen is dat de donatie(s) van [betrokkene 1] zou(den) worden gestort op de rekening van [verdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte [verdachte] ). [verdachte] wist dat er geld van [betrokkene 1] binnen zou komen op haar rekening. Zij ging hiermee akkoord. Ik heb de bankgegevens van [verdachte] aan [betrokkene 1] doorgegeven. Op mijn laptop, alsmede op mijn externe harde schijf, zijn digitale bestanden/facturen aangetroffen. De Sony laptop was van mij. De harde schijf die bij [A] is aangetroffen, is ook van mij. Ik heb [verdachte] gevraagd die harde schijf voor mij te bewaren. Ik heb begrepen dat zij die op haar werk heeft bewaard. Op een gegeven moment [is/zijn een van] de aangetroffen (digitale) facturen naar mij toegestuurd door [betrokkene 1] , naar ik mij kan herinneren via [onder meer] e-mail. [betrokkene 1] heeft de donatie in twee keer gegeven. Een eerste keer heeft hij in mei 2010 een bedrag overgemaakt en in juni 2010 heeft hij nogmaals een bijdrage overgemaakt. Er zijn bedragen overgemaakt naar [C] Ltd. Ik ben begunstigde van [C] Ltd. We waren in juni 2010 een paar dagen in Miami (het Hof begrijpt: in de Verenigde Staten van Amerika). [verdachte] heeft daar twee cheques op naam van [A] en twee op naam van [medeverdachte] gekocht. Er is voor 100.000 dollars aan cheques op naam van [A] gekocht. Die twee bedragen (via cheques) zijn op de rekening van [A] gestort en in mindering gebracht op de persoonlijke schuld van [verdachte] aan [A] . Van de op naam van de [medeverdachte] gekochte cheques is een groot gedeelte op mijn MCB-rekening gestort.

4. Een ambtsedig proces-verbaal "vermoeden valsheid en geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] ", gesloten op 11 februari 2015, PV-nummer 187086 (zaakdossier), voor zover inhoudende:

(p. 18) Op 27 augustus 2010 richt verdachte [medeverdachte] de politieke partij Movementu Futuro Korsou (MFK) op. Op 10 oktober 2010, bij de totstandkoming van het land Curaçao, is verdachte [medeverdachte] minister-president van dat land. Deze functie heeft hij bekleed tot eind september 2012.

(p. 24) Verdachte [verdachte] is bestuurder en directeur van de vennootschap [A] NV op Curaçao. Deze vennootschap drijft een onderneming in brandstoffen en aanverwante zaken.

(p. 53) Citibank heeft de informatie verstrekt dat op 14 mei 2010 op een Citibankrekening op naam van verdachte [verdachte] een bedrag van USD 140.000,00, afkomstig van [B] Limited via de Banca Popolare di Milano is ontvangen.

(p. 54-55) Vanaf de Citibankrekening van verdachte [verdachte] zijn de volgende geldstromen op gang gekomen:

- op 17 mei 2010 is USD 15.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;

- op 14 juni 2010 is USD 10.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;

- op 11 juni 2010 is door middel van drie cheques een bedrag van de Citibankrekening contant opgenomen. Het betreft twee cheques van elk USD 50.000,00 en één cheque van USD 20.000,00;

- op 14 juni 2010 is door middel van een cheque een bedrag van USD 53.422,00 van de Citibankrekening contant opgenomen.

(p. 58-60) [C] Ltd. is gevestigd op de Marshall Islands en heeft een bankrekening bij de UBS AG te Genève. Alle door de RST verkregen bankafschriften van die bank zijn geadresseerd aan " [C] Ltd, BP Geneve", zonder nadere adresaanduiding.

(p. 66-67) Op 15 juni 2010 is een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Op 16 juni 2010 is opnieuw een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de vordering die [A] op verdachte [verdachte] heeft.

(p. 81-82) Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek Italië is een CD-rom verkregen, met excelbestanden erop, waaruit naar voren is gekomen dat vanaf een bankrekening die [B] aanhoudt bij Banca Populare di Milano twee betalingen zijn verricht naar [verdachte] bij de Citibank in Amerika, waaronder een bedrag van € 61.240,71 op 10 juni 2010.

Informatie van Citibank USA houdt in dat op 14 juni 2010 USD 73.422,00 door de Banca Populare di Milano is gestort op de rekening van [verdachte] , met als opdrachtgever [B] Limited.

(p. 85) De twee cheques met een totaalbedrag van USD 73.422,00 zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank te Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [medeverdachte] ."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de rekening van de verdachte bij Citibank in Amerika op 14 mei 2010 USD 140.000,00 is ontvangen, afkomstig van [B] . Op 17 mei 2010 is USD 15.000,00 overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening van [C] Limited, een op de Marshall Islands gevestigde rechtspersoon, waarvan de medeverdachte [medeverdachte] de begunstigde is. De bankafschriften van deze bankrekening vermelden noch de naam, noch het adres van de verdachte.

Op 11 juni 2010 hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] USD 120.000,00 van de Citibankrekening contant opgenomen en cheques gekocht van het opgenomen bedrag. Op 14 juni 2010 is op de Amerikaanse bankrekening nog USD 73.422,00 ontvangen, ook afkomstig van [B] .

Op 14 juni 2010 is vanaf de Amerikaanse bankrekening nog USD 15.00,000 overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening en nog USD 53.422,00 contant opgenomen en van het opgenomen bedrag is een cheque gekocht.

Twee van de in totaal vier cheques zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank in Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [medeverdachte] . De andere twee hebben op respectievelijk 15 juni 2010 en 16 juni 2010 geleid tot bijschrijvingen op een bankrekening van [A] bij de MCB Bank in Curaçao.

Deze gang van zaken heeft tot gevolg gehad dat noch uit de boekhouding van de MFK, noch uit die van [medeverdachte] , noch uit die van
[C] Limited, noch uit die van [A] , noch uit die van [medeverdachte] kon blijken dat er gelden ontvangen waren van [betrokkene 1] of van [B] (uit de administratie van de verdachte kon dat slechts blijken als men ermee bekend was dat zij de Amerikaanse bankrekening had). De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 1] niet wilde dat publiekelijk bekend zou worden dat hij bedragen doneerde en de verdachte heeft verklaard dat haar dat bekend was.

Uit het voorgaande, in samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gezamenlijk de herkomst hebben verhuld van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen. Het betoog van de raadsman dat de geldtransacties transparant zijn geweest, vindt hierin zijn weerlegging. Zijn stelling dat pas sprake is van witwassen als het geld 'verdwijnt', vindt geen steun in de wet of jurisprudentie en wordt door het Hof verworpen. De omschreven gedragingen gaan ook verder dan het enkel houden van uit eigen misdrijf afkomstige gelden. Dat het geld op eigen rekeningen is gestort en de cheques zijn verantwoord in de administratie van [A] doet daaraan niet af.

Niet is bewezen dat de verdachte bekend was met de specifieke aard van het misdrijf waardoor het geld is verkregen. Wel is bewezen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dat wist of begreep, in die zin dat zij minst genomen welbewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard, dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. Redengevend hiervoor is dat het om grote bedragen geld ging, dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] anoniem wilde blijven, dat zij niet wilde dat het geld op haar Curaçaose rekening zou worden gestort, dat zij het geld op haar Amerikaanse rekening heeft laten storten en dat zij het geld later met de medeverdachte op heimelijke wijze een legaal aanzien heeft gegeven."

2.3.

Art. 435c, eerste lid aanhef en onder a, SrNA luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:

"1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden:

a.

hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf."

2.4.

Het Hof heeft onder 2 bewezenverklaard dat de verdachte van geldbedragen de herkomst heeft verhuld, terwijl zij en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat niet is bewezen dat de verdachte bekend was met de specifieke aard van dat misdrijf - te weten: de ambtelijke omkoping van haar mededader en partner [medeverdachte] door [betrokkene 1] - waardoor het geld is verkregen. Wel heeft het Hof bewezen geacht dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. In dat verband heeft het Hof in aanmerking genomen dat het ging om grote geldbedragen en dat de verdachte wist dat deze bedragen afkomstig waren van [betrokkene 1] , die anoniem wilde blijven. Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat de verdachte niet wilde dat het geld op haar Curaçaose rekening zou worden gestort, dat de verdachte het geld op haar Amerikaanse rekening heeft laten storten en dat de verdachte het geld vervolgens met haar mededader op heimelijke wijze een legaal aanzien heeft gegeven. Met betrekking tot dit laatste heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte na de ontvangst van de betalingen op haar rekening een groot aantal betalingen en andere financiële transacties heeft uitgevoerd, die tezamen tot gevolg hadden dat de gelden ter beschikking bleven van de verdachte, haar mededader en/of bij hen betrokken rechtspersonen terwijl noch uit de boekhouding van haar mededader, noch uit die van de door hem opgerichte politieke partij MFK, noch uit die van enige andere bij deze transacties betrokken rechtspersoon kon blijken dat er gelden waren ontvangen van [betrokkene 1] of diens onderneming [B] . In dat verband heeft het Hof ten slotte nog vastgesteld dat uitsluitend indien men ermee bekend was dat de verdachte beschikte over voornoemde Amerikaanse bankrekening, uit haar eigen administratie kon blijken dat de gelden afkomstig waren van [betrokkene 1] of [B] . Het oordeel van het Hof dat uit deze omstandigheden volgt dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de op haar rekening ontvangen geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de verdachte ervan uitging dat die (uit misdrijf afkomstige) geldbedragen strekten ter ondersteuning van de politieke activiteiten van haar mededader, doet daaraan niet af.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018.