Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2106

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/05700
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1055, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Bestuursrecht. Vervroegde onteigening. Heeft de Kroon het onteigeningsverzoek getoetst aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/1268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2018

Eerste Kamer

17/05700

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.P. van den Berg,

t e g e n

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat),
zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C/05/327084 HZ ZA 17-433 van de rechtbank Gelderland van 8 november 2017.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat en mede door mr. S.J.M. Bouwman.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3 Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 16 november 2018.