Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2095

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
16/02722
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1140
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Tussenarrest herziening n.a.v. aanvraag AG bij HR. Rosmalense flatmoord. Doodslag op vriendin door met mes haar keel door te snijden, art. 287 Sr. TBS met dwangverpleging na ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Aangevoerd wordt dat bevindingen deskundigen C en D, die wijzen op zelfdoding door slachtoffer, deskundigenberichten betreffen waarmee Hof niet bekend kon zijn en die onverenigbaar zijn met bewezenverklaring, die nagenoeg uitsluitend is gebaseerd op conclusies deskundigen A en B. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:605 m.b.t. toepasselijke uitgangspunten en regels die in elke herzieningszaak worden gehanteerd. Daarin is onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2016:736 o.m. ingegaan op de eisen die gelden indien aanvraag zich beroept op een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht. Daaraan voegt HR met het oog op de onderhavige zaak nog toe dat sinds ECLI:NL:HR:2008:BA1024 aan de omstandigheid dat een deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige. Een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het desbetreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van de deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, is niet z.m. toereikend voor herziening. Voor de beoordeling van zo een aanvraag is derhalve van belang waarin het verschil van inzicht zijn grond vindt. De aanvraag dient daaromtrent, aan de hand van de in het beoordelingskader genoemde factoren, een toelichting te bevatten. In dat verband kan van belang zijn de reactie van een deskundige die in de strafzaak heeft verklaard, op het inzicht van de deskundige waarop de herzieningsaanvraag steunt. Herzieningsaanvraag berust erop dat de bewezenverklaring van doodslag nagenoeg uitsluitend is gebaseerd op de conclusies van bloedspoorpatroondeskundige A en de bevindingen van forensisch geneeskundige B. Hun cruciale conclusies worden tegengesproken door bloedspoorpatroondeskundige C en forensisch patholoog D. Hun rapportages verhouden zich - aldus de aanvraag - slecht met de bewezenverklaring van doodslag en met name de rapportages van C wijzen sterk in de richting van het scenario van zelfdoding door het slachtoffer. Aanvraag berust op de stelling dat de bevindingen van C en D deskundigeninzichten betreffen waarmee Hof niet bekend kon zijn en die onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring van doodslag. Aanvraag bevat evenwel onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of en in hoeverre die bevindingen kunnen gelden als nova. Aanvraag miskent dat aan de omstandigheid dat deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van andere deskundige, en dat dit betekent dat een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het desbetreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, niet z.m. toereikend is voor herziening. Dientengevolge kan een reactie van deskundigen die in deze strafzaak hebben gerapporteerd, reeds bij de beoordeling van de aanvraag van belang zijn. HR stipt nog aan dat in aanvraag niet is vermeld of de plaats op de broek (voor- of achterzijde) van gewezen verdachte waar bloed van slachtoffer is aangetroffen van belang is geacht voor de beoordeling van de aan de aanvraag ten grondslag gelegde stelling. Voorts merkt HR op dat aanvraag niet steunt op de mogelijke waandenkbeelden van slachtoffer, terwijl deze mededeling mogelijk van belang kan zijn i.v.m. het scenario dat slachtoffer zichzelf het dodelijke letsel heeft toegebracht. HR stelt met toepassing van art. 469.1 Sv de stukken in handen van AG teneinde nader onderzoek te verrichten en zo nodig mede o.g.v. de resultaten daarvan aanvraag aan te passen. Vervolg op: ECLI:NL:HR:2008:BF0832.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2169
RvdW 2018/1282
NBSTRAF 2018/387
SR-Updates.nl 2019-0031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2018

Strafkamer

nr. S 16/02722 H

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 juni 2007, nummer 20/000104-05, gewezen in de strafzaak tegen:

[veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1.1.

Het Hof heeft in hoger beroep ten laste van de gewezen verdachte bewezenverklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan 1. "doodslag" en 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", hem te dier zake niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging, met last dat hij ter beschikking wordt gesteld en bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

1.2.

Het tegen deze veroordeling ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0832.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Het Hof heeft - voor zover in herziening van belang - ten laste van de gewezen verdachte als feit 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 10 april 2000 te Hintham, gemeente 's Hertogenbosch, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van die Van den Hoogen met een mes doorgesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het door [verbalisant 1] , agent van politie regio Brabant Noord, en [verbalisant 2] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2000, nummer
PL2110/00-625568.001 (pagina 36 tot en met 41 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 10 april 2000, omstreeks 11.10 uur, verzocht de regionale meldkamer van politie Brabant Noord ons te gaan naar de [a-straat] te Hintham, gemeente 's-Hertogenbosch. Via 112 had een persoon gebeld en verteld dat hij zijn vriendin met doorgesneden keel had aangetroffen. Omstreeks 11.20 uur kwamen wij ter plaatse. Wij zagen dat het genoemde adres in een flatgebouw was gelegen. Bij huisnummer 231 zagen wij dat de voordeur naar binnen toe open stond. Wij zagen dat de voordeur en deurstijlen geen braaksporen of andere bijzonderheden vertoonden. Wij zagen vanuit de voordeur een halletje van ongeveer twee bij een meter groot. Wij zagen op de grond een persoon onder een papieren laken liggen. Wij zagen dat deze persoon met het hoofd naar de voordeur lag, met beide armen aan de linkerzijde. Wij zagen dat onder dit laken een plas van bloed van ongeveer een meter bij een meter lag. Verder zagen wij bij de voeten van de persoon een grote hoeveelheid bloed.

De ambulancebroeder verklaarde dat toen zij aankwamen de voordeur gesloten was en dat die bij aanbellen was geopend door een man. Dit was de man waarbij zijn collega nu in de woonkamer zat. De ambulancebroeder vertelde dat de man de partner van het slachtoffer was.

Hij verklaarde dat de man had gezegd dat hij zijn partner om 11.00 uur had gevonden. De man bevestigde dit.

Verder verklaarde de ambulancebroeder dat het slachtoffer een vrouw betrof en dat zij overleden was. Vervolgens verklaarde hij dat hij had gezien dat er bij het slachtoffer een mes lag.

Omstreeks 11.35 uur kwam de huisarts P. Marincic ter plaatse. De huisarts verklaarde na onderzoek dat de doodsoorzaak de slagaderlijke bloeding in de hals was.

2. Het door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 10 april 2000, nummer PL2110/00-625568.003 (pagina 43 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 10 april 2000 omstreeks 17.20 uur kwamen twee medewerkers van begrafenisonderneming St. Jan in de woning [a-straat] te Hintham, gemeente 's-Hertogenbosch. Het stoffelijk overschot welke in de woning lag werd door de twee medewerkers naar het mortuarium van het Carolusziekenhuis te 's-Hertogenbosch gereden.

3. Het door [verbalisant 6] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, en [verbalisant 7] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van confrontatie d.d. 12 april 2000, nummer PL2110/00-625568.006 (pagina 55 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 11 april 2000 confronteerden wij [betrokkene 1] , in het mortuarium van het Carolusziekenhuis te 's-Hertogenbosch met het levenloze lichaam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , dat op 10 april 2000 werd aangetroffen in perceel [a-straat] te Hintham in de gemeente 's-Hertogenbosch.

De man verklaarde: "Het levenloze lichaam dat jullie mij zojuist toonden, is het lichaam van mijn dochter Regina van den Hoogen."

4. Het door R. Torenbeek, arts en patholoog, opgemaakte sectieverslag d.d. 30 mei 2000, nummer 2000-171/T037 (pagina 49 tot en met 54 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 11 april heeft ondergetekende in het ziekenhuis te 's-Hertogenbosch de schouw verricht van het lijk van [slachtoffer] , dood aangetroffen op 10 april 2000 te Hintham, [a-straat] 213, teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood.

Bij de sectie op het lichaam is het navolgende gebleken.

- Er was een halssnede met een lengte van 16 cm, met linkerpunt 3 cm links van het midden en de rechterpunt rechts zij-achterwaarts in de hals.

- De rechter gemeenschappelijke halsslagader was geheel gekliefd.

- Er waren geen zogenaamde aarzelingssnedes.

De bevindingen zijn het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch klievend geweld, zoals kan worden opgeleverd door een snijbeweging met een scherp voorwerp, bijvoorbeeld een mes.

Conclusie: Bij [slachtoffer] is een halssnede gebleken waarbij de rechter gemeenschappelijke halsslagader geheel was gekliefd. Op grond hiervan kan dermate veel bloed verloren zijn gegaan dat het overlijden hierdoor verklaard kan worden.

5. De verklaring van A. Maes, als patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 16 maart 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het is niet waarschijnlijk dat [slachtoffer] zelf de snede heeft toegebracht.

6. Het door drs. S.J.M. Schieveld, forensisch geneeskundige, opgemaakte rapport d.d. 10 oktober 2003 (pagina 130 tot en met 144 van het doorgenummerde aanvullend einddossier, nummer PL2110/00-010600A), voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op grond van de verkregen informatie over deze zaak en de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

3. Op de foto's is zichtbaar en uit het sectierapport blijkt dat er maar één snede is gemaakt. Hierbij zijn meerdere weefsellagen doorgesneden. Uit het onderzoek van de foto's wordt duidelijk dat op basis van de schaafverwondingen aan het begin en het einde van de snee kan worden geconcludeerd dat de snee van links naar rechts is toegebracht. Er zijn namelijk kleine krassen links en grote krassen rechts van de wond, veroorzaakt doordat het mes uit de wond over de huid naar boven is gehaald. De wond aan de hals is dus veroorzaakt door een enkelvoudige, krachtige, snijdende beweging van links naar rechts, zonder aanwijzingen voor herhaaldelijk snijden of hakken. Indien het mes met minder kracht was gehanteerd dan waren er minder weefsellagen in één keer doorgesneden en had het uiterlijk van de verwonding er niet zo glad uitgezien.

4. De bevindingen onder 3 worden bevestigd in het sectierapport. De inwendige verwondingen zoals daarin beschreven, komen eveneens overeen met het snijden door de hals van links naar rechts.

5. In de hals, noch elders op het lichaam, zijn proef of aarzelingsnedes zichtbaar, die worden geassocieerd met zelfmoord.

7. De bijna horizontale oriëntatie van de wond is ongebruikelijk bij zelfverwonding. Uit de literatuur blijkt dat de snedes bij zelfmoord meestal schuin verlopen van hoog naar laag, beginnend onder de kaakhoek tot aan de voorzijde van de hals; bij rechtshandigen is dat van linksboven naar rechtsvoor, bij linkshandigen is dat van rechtsboven naar linksvoor.

8. Gezien de richting van de snede en de hoek die het mes heeft gemaakt is deze verwonding moeilijk door het slachtoffer zelf toe te brengen. Dit zou een bijzonder onhandige stand en beweging van de arm vereisen, het is twijfelachtig of onder die omstandigheden voldoende kracht kan worden ontwikkeld om een dergelijke snede te veroorzaken.

9. Uit de informatie beschikbaar in de Databank en de berekeningen die daarmee zijn gemaakt, zowel als uit de literatuur, blijkt dat de keuze van een gang als locatie voor zelfmoord door middel van het doorsnijden van de hals, hoogst ongebruikelijk is. Meestal kiest men een locatie waar men zich op zijn gemak voelt, de slaapkamer bijvoorbeeld, of de badkamer voor de spiegel waar men een goed zicht heeft op de hals. Ongebruikelijk is eveneens de keuze van een broodmes als wapen bij suïcide en wederom hoogst ongebruikelijk is het feit dat het slachtoffer een vrouw is. Van het totale aantal slachtoffers (67) dat met doorgesneden keel in huis werd aangetroffen waren er 39 van het vrouwelijke geslacht. Niet één van deze vrouwen had de verwonding zelf toegebracht. Het doorsnijden van de keel wordt in de literatuur beschouwd als een gewelddadige methode van zelfmoord, die men, zoals met de meeste gewelddadige methodes, hoofdzakelijk ziet bij mannen.

De conclusies 3, 4, 5, 7, 8 en 9 ondersteunen de hypothese dat de verwonding in de hals niet door het slachtoffer zelf is veroorzaakt.

7. Het door [verbalisant 8] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 22 juni 2000, nummer PL2110/00-625568.030 (pagina 201 en 202 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 10 april 2000 te 12.40 uur werd door mij de verdachte [veroordeelde] aangehouden. Direct na de aanhouding werd door mij de door [veroordeelde] op dat moment gedragen kleding in verband met een ander in te stellen technisch sporenonderzoek in beslag genomen.

In beslag genomen werden:

- een zwarte lederen rechterschoen, volgnummer VE7, ABK 557;

- een zwarte lederen linkerschoen, volgnummer VE8, ABK 558;

- een herenpantalon, volgnummer VE12, ABK 562.

8. Het door M. Autar en ing. P. van den Hoven, opgemaakte rapport d.d. 28 november 2000, inhoudende bloed-, DNA- en vezelonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Hintham op 10 april 2000, zakelijk weergegeven:

1. Bloed- en DNA-onderzoek M. Autar

Onderzoeksmateriaal

Afkomstig van de verdachte [veroordeelde]

VE-7 ABK 557 een rechterschoen

VE8 ABK 558 een linkerschoen

VE12 ABK 562 een pantalon

Resultaten van het onderzoek naar bloed

Rechter schoen [ABK 557], vooraan op de zool bloedvlekken

Linker schoen [ABK 558], buitenzijde stiknaad bloedvlek

Pantalon [ABK 562], op de voorzijde van beide broekspijpen bloed

Conclusie

De DNA-profielen van het aangetroffen bloed zijn vergeleken met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] .

Het bloed aangetroffen op de pantalon [ABK 562] van de verdachte, op de rechter schoen [ABK 557] en op de linker schoen [ABK 558] kan afkomstig zijn van het slachtoffer [slachtoffer] . De kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit als die van bijvoorbeeld het onderzocht bloed op de pantalon [ABK 562] bedraagt minder dan één op de miljard.

9. Het door ing. R. Eikelenboom en M. Autar, opgemaakte rapport d.d. 22 oktober 2003, inhoudende een onderzoek naar biologische sporen, een bloedspoorpatroon- en een DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Hintham op 10 april 2000, zakelijk weergegeven:

1. Bloedspoorpatroononderzoek ing. R. Eikelenboom

1. Bloedspoorpatroononderzoek.

Op grond van de verkregen informatie, de observaties op de plaats delict en de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

Het slachtoffer bevond zich in de hal in de buurt van de kapstok op het moment dat de verwonding aan de hals is toegebracht. Het slachtoffer verplaatst zich of wordt verplaatst met de verwonding laag bij de vloer naar links in de richting van het voorportaal waar zij tegen de deur aan komt te liggen. In deze positie blijft zij bloedend liggen, waarbij een poelpatroon ontstaat en bloed uit de luchtwegen op de deur wordt geprojecteerd.

Aan de afwezigheid van arteriële bloedspatten op de bovenzijde van de broek en de bloedspoor-patronen op de linkerschoen van het slachtoffer valt af te leiden dat het slachtoffer in een gebogen houding stond op het moment dat de snede aan de hals werd toegebracht. Haar linkerschoen stond op dat moment min of meer haaks op de vloer. De rechterschoen van het slachtoffer stond recht op de vloer. Op grond van de vorm van de bloedspatten en het stroompatroon op de linkerschoen kan worden geconcludeerd dat het bloed uit de verwonding aan de hals op en naast deze schoen terecht is gekomen. De houding van het slachtoffer is zonder enige steun moeilijk te realiseren.

Indien de verdachte de broek en de schoenen aan heeft gehad tijdens dit incident kan op grond van de bloedsporen op deze kleding worden geconcludeerd dat hij ten tijde van het ontstaan van de bloedspatten in de buurt van het slachtoffer is geweest.

Gezien de verwonding van het slachtoffer kunnen de bloedspatten op de kleding van de verdachte worden verklaard aan de hand van:

1. bloed dat in bloed valt. Door het vallen van de ene bloeddruppel in de andere ontstaan kleine bloedspatjes die op de kleding van de verdachte terecht gekomen kunnen zijn.

2. Bloed dat uit de luchtwegen van het slachtoffer komt. Doordat bloed in de ademhalingswegen terecht komt ontstaat een hoestreflex waardoor bloed vermengd met lucht naar buiten wordt geprojecteerd. Hierbij ontstaan kleine bloedspatten waarin soms kleine luchtbellen zichtbaar zijn. De kleding van de verdachte is dan in de buurt van de bron geweest.

3. Een arteriële bloeding. Als het grote volume bloed dat bij een arteriële bloeding vrijkomt een object raakt ontstaat een aantal kleine spatten om dit raakvlak heen. Deze spatten kunnen op de kleding van verdachte terecht gekomen zijn.

De drie beschreven mechanismen impliceren dat het slachtoffer nog in leven was tijdens het ontstaan van de bloedspatten op de broek en de schoenen van de verdachte.

De houding van het slachtoffer, het patroon van weggeslingerd bloed en de overdrachtspatronen op de rechtermuur van de hal passen niet bij een scenario waarin het slachtoffer ongestoord de verwonding aan de hals toebrengt.

Het totale bloedsporenbeeld is strijdig met de stelling dat de verwonding aan de hals door het slachtoffer zelf is toegebracht. Het totale bloedsporenbeeld is wel verenigbaar met de stelling dat het letsel door een ander is toegebracht.

10. Een vertaling van het door A. Linacre, Senior Lecturer in Forensic Science, University of Strathclyde (United Kingdom), opgemaakte rapport d.d. 17 mei 2004, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Conclusies bij het rapport van Richard Eikelenboom.

Er is een rapport geschreven dat in detail patroon en distributie van bloed in fotografisch bewijsmateriaal weergeeft, ter overweging of de dood van
[slachtoffer] het gevolg was van zelfmoord of niet. De benadering van Richard Eikelenboom is gedaan om te bekijken of het bloedpatroon een van de twee tegengestelde hypotheses meer onderbouwt dan de andere. De beschouwing van het bewijs is juist.

11. Het door [verbalisant 3] , inspecteur van politie regio Brabant Noord, en [verbalisant 4] , brigadier van politie regio Brabant Noord, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen narijden en berekenen fietsroute d.d. 2 maart 2007, nummer 27-010292, voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op donderdag 8 februari 2007 werd door de voorzitter van het gerechtshof te 's Hertogenbosch aan de aanklager mr. J.W.P. Snijders verzocht om nogmaals de route te fietsen die [veroordeelde] naar eigen zeggen heeft gefietst.

Op dinsdag 27 februari 2007 werd door verbalisant Brands samen met de raadsman van [veroordeelde] , mr. P.W. van der Kruijs, de route [het hof begrijpt: de route die verdachte op 10 april 2000 tussen 09.00 uur en 11.00 zegt te hebben afgelegd] nagefietst.

Bij aankomst op de [a-straat] is gekeken op de digitale snelheids/afstandsmeter waarbij bleek dat er een afstand was afgelegde van 10.44 kilometer.

Deze rit heeft geduurd 53 minuten.

Gemiddelde snelheid: 11,8 km/h.

12. Het door [verbalisant 8] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 15 april 2000, nummer PL2110/00-625568 (pagina 112 en 113 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergegeven:

Ik ken [veroordeelde] . Op 10 april 2000, omstreeks 10.30 uur ging ik van huis weg. Bij de Graafseweg hoorde ik iemand roepen en ik zag [veroordeelde] op de fiets. [veroordeelde] riep meteen "mag ik met u oplopen". Dat vond ik goed. Hij vertelde me dat hij op weg was naar de Parade. Hij moest naar de Sint Jansstichting. Bij de kruising met de Van Grobbendoncklaan sprong hij op de fiets en reed door. Dit gesprek moet hebben plaatsgevonden rond 10.35 uur á 10.40 uur.

13. Het door [verbalisant 9] , brigadier van politie regio Brabant Noord, en [verbalisant 10] , brigadier van politie regio Brabant Noord, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 11 april 2000, nummer PL2110/00-625568 (pagina 114 en 115 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:

Ik ben als archivaris verbonden aan het bisdom
's-Hertogenbosch. Op 10 april 2000 is [veroordeelde] hier geweest. Ik denk dat [veroordeelde] tussen 10.00 en
10.30 uur is geweest. Ik heb tien minuten met hem in de leeszaal gezeten.

14. De verklaring van [betrokkene 3] , afgelegd bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's Hertogenbosch, d.d. 23 februari 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zal u nu vertellen over mijn herinneringen aan 10 april 2000. Op de bewuste dag is [veroordeelde] (het hof begrijpt: [veroordeelde] ) 's-ochtends bij mij gekomen. [veroordeelde] was opgeruimd. Het ging deze ochtend goed met hem. Hij had een heldere opgewekte blik in zijn ogen. Zijn kleren waren ook in orde, hij zag er netjes uit. [veroordeelde] vertelde me dat hij een goed weekend had gehad.

15. Het door [verbalisant 8] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, en [verbalisant 9] , brigadier van politie regio Brabant Noord, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 12 april 2000, nummer PL2110/00-625568 (pagina 98 en 99 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] , zakelijk weergegeven:

Ik ben als secretaresse werkzaam op het GGZ Oost-Brabant, locatie Coudewater. Afgelopen maandag [het hof begrijpt: 10 april 2000] kwam [veroordeelde] bij mij op de kamer. We hebben met elkaar staan praten. [veroordeelde] was rustig. Hij zei dat het allemaal goed met hem ging.

16. Het door [verbalisant 11] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, [verbalisant 12] , agent van politie regio Brabant Noord, en [verbalisant 3] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 11 april 2000, nummer PL2110/00-109756 (pagina 210 en 212 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik woon op het adres [a-straat] te Hintham. Op 10 april 2000 heb ik de woning verlaten.

Toen ik op 10 april 2000 omstreeks 11.00 uur thuis kwam trof ik mijn vriendin [slachtoffer] in de gang van de woning aan.

Toen ik op 10 april 2000 thuis kwam moest ik de toegangsdeur van het slot halen. Ik doe altijd de deur op slot als ik de woning verlaat. [slachtoffer] doet wanneer ze thuis is ook altijd de toegangsdeur op slot.

17. Het door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, en [verbalisant 13] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 11 april 2000, nummer PL2110/00-109756 (pagina 213 en 217 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Buiten mijn moeder om kan niemand een sleutel van mijn woning hebben. Ik ben nooit sleutels kwijtgeraakt.

We hebben ons de vaste gewoonte aangeleerd om bij zowel het verlaten als het binnen komen van de woning het slot op het nachtslot te draaien.

18. Het door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, [verbalisant 14] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, en [verbalisant 13] , hoofdagent van politie regio Brabant Noord, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed respectievelijk ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 11 april 2000, nummer PL2110/00-625568 (pagina 218 tot en met 224 van het doorgenummerde dossier, nummer
PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 10 april 2000 ben ik de woning uitgelopen en heb de deur achter me dicht gedaan. Ik heb de deur toen op het nachtslot gedraaid met de huissleutel. Ik doe dit altijd.

Ik ben naar Coudewater gefietst, via de normale doorgaande weg. Ik heb in het Oude Hoofdgebouw van Coudewater gesproken met [betrokkene 5] . Ik heb heel kort, ongeveer 2 minuten, met haar gesproken. Ik ben vervolgens in een cafeetje met de naam De Kopstoot geweest. Ik ben ongeveer 5 minuten in De Kopstoot geweest. Ik ben vervolgens met de fiets naar de Annakerk in Hintham gefietst. Ik heb bij de parochie van de Annakerk te Hintham aangebeld. Ik wilde spreken met [betrokkene 6] . Een man maakte open en vertelde dat men bezig was met een vergadering. Ik ben toen verder gefietst naar het Bisschoppelijk Paleis achter de Sint Jan aan de Parade in Den Bosch. Op de Graafseweg kwam ik [getuige 1] tegen. Ik heb met [getuige 1] heel kort gesproken. Ik ben vervolgens verder gefietst naar de St. Jan aan de Parade. Ik heb ongeveer 2 minuten met rector [betrokkene 2] gesproken. Ik ben daarna naar huis gereden. Ik ben via dezelfde route als op de heenweg terug gefietst.

19. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 15 juni 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben op 10 april 2000 ongeveer 2 minuten in het bisschoppelijke paleis geweest. Ik heb daar in de leeszaal op de tweede verdieping gesproken met [betrokkene 2] . Ik heb toen ook een kop koffie met [betrokkene 2] gedronken. Ik drink mijn koffie altijd erg snel op. Als ik fiets, fiets ik in de eerste versnelling. Ik kan de trappers wel snel bewegen, maar kan niet veel kracht zetten. Het fietsen in de eerste versnelling gaat goed.

Ik voelde me op 10 april 2000 goed.

Met betrekking tot de bewijsmiddelen 18 en 19, gezien in verband en samenhang met de onder nr. 13 genoemde verklaring van [betrokkene 2] merkt het hof het navolgende op. Door Pijnenburg wordt een aanwezigheid van 10 minuten van verdachte genoemd. Door verdachte zelf wordt een aanwezigheid van 2 minuten in de leeszaal van het bisschoppelijk paleis. Door de politie is bij het natrekken van het alibiverweer rekening gehouden met een verblijf van 10 minuten. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen leidt het hof af dat het verblijf in ieder geval niet langer dan 10 minuten heeft geduurd.

20. Het schrijven van prof. dr. A.J.M. Loonen, arts/klinisch farmacoloog, aan de heer F. Klompmaker, huisarts, d.d. 29 april 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben door de rechter-commissaris als deskundige benoemd in de zaak tegen [veroordeelde] , geb. [geboortedatum] 1957. Ik ontving een kopie van vragen, die u door de rechter-commissaris zijn gesteld en die u per brief op 19 april 2007 heeft beantwoord. In aanvulling daarop heb ik nog enkele specifieke vragen:

Was bij betrokkene in april 2000 ook sprake van negatieve symptomen (vervlakking, apathie, spraakarmoede, bewegingsarmoede, enzovoort)?

21. Het schrijven van de heer F. Klompmaker, huisarts, aan prof. dr. A.J.M. Loonen, arts/klinisch farmacoloog, d.d. 11 mei 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van uw vragen kan ik u het volgende mededelen. In april 2000 was er zoals gewoonlijk vervlakking van het affect, een matige apathie, geen spraakarmoede, betrokkene was meestal eerder verbaal ontremd, wel bewegingsarmoede."

2.2.2.

Het arrest van het Hof bevat verder de volgende bewijsoverwegingen:

"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot het (...) ten laste gelegde overweegt het hof het navolgende.

I. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

- Op 10 april 2000 omstreeks 11:10 uur wordt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk agent en hoofdagent van politie regio Brabant Noord, van de regionale meldkamer een melding ontvangen met het verzoek zich te begeven naar de woning gelegen aan de [a-straat] te Hintham, gemeente 's Hertogenbosch. Via het alarmnummer 112 had een persoon gebeld met de mededeling dat hij zijn vriendin met doorgesneden keel had aangetroffen.

- Ter plaatse treffen de genoemde verbalisanten in het halletje van de woning het levenloze lichaam van een vrouw. Dit blijkt te zijn [slachtoffer] .

- Uit het sectieverslag blijkt dat [slachtoffer] ten gevolge van massaal bloedverlies na de inwerking van uitwendig mechanisch klievend geweld, zoals kan worden opgeleverd door een snijbeweging met een scherp voorwerp, bijvoorbeeld een mes, is overleden. Er was een halssnede met een lengte van 16 centimeter, met de linker punt 3 centimeter links van het midden en de rechter punt rechts zijwaarts in de hals. De rechter gemeenschappelijke halsslagader was geheel doorkliefd. Er zijn geen zogenaamde aarzelingsneden geconstateerd.

- Blijkens de op 16 maart 2006 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de deskundige A. Maes, patholoog, is het niet waarschijnlijk dat [slachtoffer] de snede in haar hals zelf heeft toegebracht, hetgeen bevestiging vindt zowel in het rapport van drs. S.J.M. Schieveld, forensisch geneeskundige, d.d. 10 oktober 2003, waarin zij concludeert, dat de hypothese dat de verwonding in de hals niet door [slachtoffer] zelf is toegebracht, wordt ondersteund door de resultaten van het opsporingsonderzoek en statistische gegevens, als in het rapport van ing. R. Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003, waarin hij concludeert dat het totale bloedsporenbeeld verenigbaar is met de stelling dat het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel door een ander is toegebracht.

- De verklaring van verdachte, dat hij op 10 april 2000 rond 09:00 uur de genoemde woning heeft verlaten en bij thuiskomst rond 11:00 uur het levenloze lichaam van [slachtoffer] heeft aangetroffen en dat hij in de tussentijd wegens de door hem op die dag afgelegde route niet in de woning kan zijn geweest, is nagegaan. Door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk inspecteur en brigadier van regiopolitie Brabant Noord, is op 27 februari 2007 - in het bijzijn van de raadsman van verdachte - de route die verdachte op 10 april 2000 tussen 09:00 uur en 11:00 uur zegt te hebben afgelegd, nagefietst. Er is hierbij geen rekening gehouden met een korte wandeling die verdachte op
10 april 2000 heeft gemaakt met getuige [getuige 1] en met een door verdachte op die dag gevoerd gesprek in het Bisschoppelijk Paleis. Voornoemde verbalisanten hebben gerelateerd, dat de rit, waarbij met een gemiddelde snelheid van 11,8 km/h een afstand van 10.44 km werd afgelegd, in totaal 53 minuten heeft geduurd. Houdt men rekening met de hiervoor genoemde korte wandeling (5 minuten) en met het gesprek in het Bisschoppelijk Paleis (10 minuten) dan komt men op 1 uur en 8 minuten.

- Uit de op de broek en de schoenen van verdachte aangetroffen bloedsporen - welk bloed blijkens DNA-onderzoek van [slachtoffer] afkomstig is - kan blijkens het rapport van ing. R. Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003 worden geconcludeerd, dat verdachte ten tijde van het ontstaan van de bloedspatten in de buurt van het slachtoffer is geweest en voorts dat het slachtoffer nog in leven was op het moment dat die bloedspatten zijn ontstaan.

- Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij de vaste gewoonte hadden bij zowel het verlaten als het binnenkomen van de woning het slot van de voordeur op het nachtslot te draaien, dat de deur van de woning op 10 april 2000 bij zijn thuiskomst op slot zat, dat buiten zijn moeder om niemand een sleutel van de woning kan hebben en dat hij nimmer een huissleutel is kwijtgeraakt. Op 10 april 2000 zijn er aan de voordeur en deurstijlen van de genoemde woning geen braaksporen aangetroffen.

Uit de genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien en uit hetgeen overigens uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, leidt het hof af, dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

Op basis van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Dat uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen duidelijk motief voor het doden van [slachtoffer] naar voren is gekomen, doet daaraan niet af.

II. Verweren.

Alibi-verweer.

Van de zijde van de verdediging is kort gezegd aangevoerd, dat verdachte [slachtoffer] niet van het leven kan hebben beroofd, aangezien verdachte op 10 april 2000 blijkens zijn verklaring tussen 09:00 uur en 11:00 uur niet in de woning gelegen aan de [a-straat] te Hintham, gemeente 's Hertogenbosch, is geweest.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat de door verdachte op 10 april 2000 tussen 09:00 uur en 11:00 uur op de fiets afgelegde route zodanig lang heeft geduurd, dat verdachte het ten laste gelegde niet kan hebben gepleegd. Integendeel; uit de reconstructie van de door verdachte afgelegde route blijkt dat verdachte op 10 april 2000 tussen 09:00 uur en 11:00 uur ruimschoots de tijd heeft gehad [slachtoffer] van het leven te beroven.

Ter terechtzitting is door de verdediging een aantal argumenten genoemd - volgens de raadsman een losse greep - waaruit naar voren zou komen dat de hiervoor bedoelde fietstocht aanmerkelijk langer zou hebben geduurd dan uit de hiervoor bedoelde berekeningen naar voren komt. Zo zou onder meer het verblijf van verdachte bij het Bisschoppelijk Paleis veel langer hebben geduurd dan de door de politie in haar berekening meegenomen

10 minuten. De raadsman baseert zich hierbij op de inhoud van een door hem gevoerd telefoongesprek met de getuige [betrokkene 2] bij wie verdachte op bezoek is geweest. Deze mededeling is niet alleen niet nader onderbouwd, maar bovendien niet in overeenstemming met de verklaring van [betrokkene 2] zoals opgenomen in het proces-verbaal van politie, waarin deze verklaart dat het gesprek met verdachte hooguit 10 minuten heeft geduurd (blz. 114 van het doorgenummerd proces-verbaal) en ook in strijd met de verklaring van verdachte zoals eveneens weergegeven in het proces-verbaal van politie, waarin deze verklaart dat het gesprek ongeveer 2 minuten heeft geduurd (blz. 223 van het doorgenummerd proces-verbaal) welke verklaring door verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2007 is bevestigd. Voorts heeft de raadsman - opnieuw - naar voren gebracht dat verdachte niet snel kon fietsen vanwege zijn medicijngebruik. Aan het pleidooi is een e-mailbericht d.d. 7 juni 2007 van F. Klompmaker, de kennelijk door de raadsman benaderde huisarts van verdachte gehecht waarin wordt medegedeeld: "Bij [veroordeelde] was er altijd sprake van een opvallende bewegingsarmoede en stramheid". Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel snel de trappers kon bewegen maar geen kracht kon zetten, reden waarom hij altijd een kleine versnelling gebruikte. Daar staat tegenover dat aan de rapportage van de deskundige Loonen een afschrift van een aan de huisarts gerichte brief is gehecht, waarin onder meer wordt gevraagd of er in april 2000 sprake was van negatieve symptomen (vervlakking, apathie, spraakarmoede, bewegingsarmoede, enzovoorts) alsmede een afschrift van een door de huisarts ondertekend antwoordschrijven d.d. 11 mei 2007 met onder meer als inhoud: "in april 2000 was er zoals gewoonlijk vervlakking van het affect, een matige apathie, geen spraakarmoede, wel bewegingsarmoede". Voor het overige worden door de raadsman met name niet nader onderbouwde veronderstellingen naar voren gebracht. Een - naar ervaringsregels - betrekkelijk langzame fietssnelheid van ongeveer 12 kilometer per uur komt het hof niet irreëel voor.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Verweer met betrekking tot de deskundigheid van ing. R. Eikelenboom.

Van de zijde van de verdediging is voorts kort gezegd aangevoerd, dat het rapport van ing. R. Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003, alsmede de door deze deskundige ter zake afgelegde verklaringen, van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu Eikelenboom - gelet op diens geringe ter zake doende opleiding - niet kan worden aangemerkt als bloedspatdeskundige.

Het hof beschikt over een curriculum vitae inhoudende de door de deskundige ter zake opgedane kennis en ervaring. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de specifieke deskundigheid van de deskundige op het hier bedoelde terrein. Dit oordeel vindt zijn bevestiging in de hierna nog nader te noemen rapportage van A. Linacre, Senior Lecturer in Forensic Science, University of Strathclyde (United Kingdom).

Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Verweer met betrekking tot de betrouwbaarheid van ing. R. Eikelenboom en van diens onderzoek.

Door de raadsman is de betrouwbaarheid van de deskundige en van diens onderzoek ter discussie gesteld omdat de deskundige gehuwd blijkt te zijn met een andere deskundige die in deze zaak rapport heeft uitgebracht, te weten drs. S.J.M. Schieveld.

Ondanks het feit dat het hof het betreurt dat pas in een laat stadium kenbaar is geworden dat Schieveld, die eerder dan Eikelenboom in de onderhavige zaak heeft gerapporteerd, in relationele verhouding staat tot Eikelenboom, doet deze omstandigheid naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van het rapport van Eikelenboom en de door hem ter zake onder ede afgelegde verklaringen.

Het hof merkt op dat het genoemde door ing. R. Eikelenboom opgemaakte rapport bevestiging vindt in de overige bewijsmiddelen, waaronder begrepen de op 16 maart 2006 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde deskundigenverklaring van de patholoog A. Maes en het oordeel van A. Linacre, Senior Lecturer in Forensic Science, met betrekking tot de beschouwing van het bewijs door Eikelenboom.

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat naar het oordeel van het hof de omstandigheid dat Eikelenboom voorafgaand aan het opmaken van zijn definitieve rapport, in het kader van een "peer review" (bespreking/beoordeling door vakgenoten) ter zake andere deskundigen, onder wie Linacre, heeft geraadpleegd, de betrouwbaarheid van het genoemde rapport van Eikelenboom en de door hem ter zake afgelegde verklaringen, anders dan door de verdediging is betoogd, ten goede komt.

Gelet op het vorenstaande acht het hof zich voldoende voorgelicht en acht het hof het niet noodzakelijk een traumatoloog of enige andere deskundige ter zake te horen. Het hof wijst derhalve het voorwaardelijk hiertoe gedane verzoek van de verdediging af.

Wellicht ten overvloede overweegt het hof voorts dat het te betreuren is dat in de onderhavige zaak geen contra-expertise door een deskundige die niet eerder ter zake werd benaderd heeft kunnen plaatsvinden, zoals door de verdediging is verzocht, nu Eikelenboom de hem bekende bloedsporendeskundigen voorafgaand aan het opmaken van zijn rapport ter zake heeft benaderd en voorts omdat zijn onderzoek voorwerp is geweest van "peer review", terwijl kennelijk andere deskundigen op dit specifieke gebied niet voorhanden waren c.q. zijn.

Naar het oordeel van het hof doet het ontbreken van een dergelijke contra-expertise echter niet af aan de betrouwbaarheid van het rapport van Eikelenboom noch aan diens ter zake afgelegde verklaringen. Tevens doet naar het oordeel van het hof de omstandigheid dat Linacre voorafgaand aan het door hem opgemaakte rapport ter zake contact heeft gehad met Eikelenboom, niet af aan de betrouwbaarheid van het rapport van Linacre.

Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer.

Verweer met betrekking tot de fysieke (on-)mogelijkheden van verdachte om een mes te hanteren op een wijze zoals dit noodzakelijkerwijs uit de verklaringen van de verschillende deskundigen naar voren komt.

Van de zijde van de verdediging is bij pleidooi - voor het eerst tijdens de gehele procedure - nog kort gezegd aangevoerd, dat het feitelijk onmogelijk is dat verdachte het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel, te weten een rechte halssnede met een lengte van 16 centimeter, heeft toegebracht, aangezien verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een tremor ten gevolge van medicijngebruik.

Op een vraag van de voorzitter uit welke feiten en omstandigheden de raadsman dit afleidde deelde de raadsman mede dat hij van familieleden vernomen had dat verdachte last had van een tremor en nauwelijks een kopje koffie kon vasthouden.

Na de terechtzitting van 11 juni 2007, waar genoemd verweer is gevoerd, en voorafgaand aan de terechtzitting van 15 juni 2007, welke terechtzitting bestemd was voor een mogelijke repliek van de zijde van het openbaar ministerie, dupliek van de zijde van verdachte en het laatste woord van verdachte, heeft de raadsman aan het hof een schriftelijk stuk doen toekomen, ondertekend door de sociaal psychiatrisch verpleegkundige
[betrokkene 8] , d.d. 12 juni 2007 waarin onder meer wordt medegedeeld: " [veroordeelde] is al jaren bij mij in behandeling. Patiënt heeft al jaren last van tremoren aan handen, benen, ademhaling, spieren etc de tardieve: dystonia dyskiinesie acathisie" en "Deze symptomen doen zich vaak voor bij langdurig gebruik van Cisordinol, wat patiënt al jaren gebruikt. Deze hebben een belemmerende invloed op zijn motoriek, het is voor hem dan moeilijk snelle vloeiende bewegingen te maken, deze zijn bijna niet voorstelbaar bij zijn dosis Cisordinol".

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een tremor. Zoals reeds eerder besproken antwoordt F. Klompmaker, huisarts van verdachte, in zijn brief van 19 april 2004 op de vraag van prof. dr. A.J.M. Loonen, arts/klinisch farmacoloog, of bij verdachte in april 2000 ook sprake was van negatieve symptomen (vervlakking, apathie, spraakarmoede, bewegingsarmoede, enzovoorts) dat er in april 2000 bij verdachte sprake was van vervlakking van het affect, een matige apathie en bewegingsarmoede, dat er geen sprake was van spraakarmoede en dat verdachte meestal eerder verbaal ontremd was. Klompmaker spreekt in zijn genoemde schrijven niet over een tremor. Het hof gaat er van uit dat nu in een briefwisseling tussen de huisarts en de deskundige Loonen niet gesproken wordt over tremoren deze tremoren ook niet hebben bestaan en zeker niet in die mate als door de sociaal-psyciatrisch verpleegkundige genoemd. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich op 10 april 2000 goed voelde, hetgeen bevestiging vindt in de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , die hebben verklaard dat het die dag met verdachte goed ging. Op grond hiervan gaat het hof er van uit dat er zich bij verdachte op 10 april 2000 geen bijzondere beperkingen hebben voorgedaan welke afwijken van de door de huisarts in zijn brief genoemde beperkingen.

Het hof schuift het door de raadsman van verdachte overgelegd schrijven van [betrokkene 8] , sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, d.d. 12 juni 2007 terzijde, nu het hof niet is gebleken dat [betrokkene 8] als deskundige kan worden aangemerkt op het gebied van tremoren en de mogelijkheden om met tremoren al dan niet bepaalde handelingen te verrichten.

Het hof beschouwt het ten deze door de raadsman in zo een laat stadium naar voren gebrachte als een zo onvoldoende onderbouwde hypothese dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Het hof heeft het een en ander in ogenschouw genomen in samenhang en verband met de overige feiten en omstandigheden, welke uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, waaronder de onwaarschijnlijkheid dat [slachtoffer] zichzelf het dodelijke letsel heeft toegebracht, de onwaarschijnlijkheid dat een onbekende derde deze verwondingen heeft toegebracht en het feit dat op de kleding van verdachte bloedspatten zijn aangetroffen welke naar het oordeel van de deskundige zijn veroorzaakt op een moment dat [slachtoffer] nog in leven was.

Gelet op het vorenstaande acht het hof het niet noodzakelijk drie familieleden van verdachte te horen omtrent de aanwezigheid van een tremor bij verdachte op en omstreeks 10 april 2000.

Het hof wijst derhalve het voorwaardelijk hiertoe gedane verzoek van de verdediging af.

Overige bewijsverweren.

Het hof is van oordeel dat de overige door de verdediging gevoerde verweren, die - zo begrijpt het hof - in onderlinge samenhang dienen te leiden tot vrijspraak van verdachte van het ten laste gelegde - waaronder begrepen de stelling van de verdediging dat [slachtoffer] zichzelf van het leven zou hebben beroofd -, worden weersproken door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Wellicht ten overvloede merkt het hof tot slot het navolgende op. Door de raadsman is in zijn pleidooi uitvoerig stilgestaan bij de rapportage(s) van de technisch rechercheurs [rechercheurs] .

Nu de inhoud van deze rapportage(s) niet voor het bewijs zal worden gebruikt kan een nadere bespreking van het door de raadsman in zijn pleidooi te dien aanzien naar voren gebrachte buiten beschouwing blijven."

3 Het procesverloop

3.1.

Na het onherroepelijk worden van het arrest van het Hof als gevolg van de verwerping van het daartegen gerichte cassatieberoep heeft de raadsman van de gewezen verdachte, P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch, zich bij op 24 mei 2016 ingekomen brief gewend tot de Hoge Raad en tot de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad houdende zowel een verzoek aan de Hoge Raad tot herziening als een verzoek aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad tot het op de voet van art. 461 Sv verrichten van nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor de herziening. Bij brief van 6 juni 2016 heeft de raadsman de Hoge Raad desgevraagd bericht dat zijn brief dient te worden beschouwd als een verzoek aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad tot het verrichten van nader onderzoek als voormeld.

3.2.1.

In de genoemde brief van mei 2016 heeft de raadsman een viertal nieuwe gegevens naar voren gebracht. De brief houdt dienaangaande het volgende in:

"(1) Het rapport Stad/vKoppen toont aan dat dat de bewijsmotivering van het hof omtrent het alibi van [veroordeelde] op verkeerde gegevens was gebaseerd.

(2) Het forensisch onderzoek van deskundige Eikelenboom waarop het hof zich heeft gebaseerd bevat een aantal fundamentele fouten. Dit betreft zowel feitelijke onjuistheden, bijvoorbeeld met betrekking tot het mechanisme van de zogenaamde "coronasplash", als incorrecte redeneerstappen, bijvoorbeeld met betrekking tot het bloedspoor op de schoenzool van [slachtoffer] . In de rapportages van Stad/vKoppen en Alkemade wordt aangetoond dat deze fouten Eikelenboom tot onjuiste conclusie(s) hebben gebracht.

(3) Ditzelfde geldt voor het forensisch onderzoek van deskundige Schieveld. Onder andere beroept zij zich op verouderde literatuur en interpreteert zij het sectierapport fundamenteel onjuist. Ook dit wordt aangetoond door bijgevoegd rapportages en de brief van Torenbeek, destijds de patholoog-anatoom van het NFI.

(4) Dr Loonen, een huisarts met wie het slachtoffer kort voor haar dood nog had gesproken, heeft onlangs een verklaring afgelegd waaruit blijkt dat [slachtoffer] leed aan waandenkbeelden die haar een duidelijk motief kunnen hebben gegeven om zichzelf te verwonden in/aan haar hals. Dit sterk ontlastende gegeven was destijds niet bekend bij rechtbank en hof."

3.2.2.

Als bijlagen bij de brief zijn onder meer gevoegd:

( a) een schrijven van 6 maart 2016 van de hiervoor onder 2.2.1 sub 4 reeds genoemde arts en patholoog R. Torenbeek;

( b) een e-mailwisseling uit januari 2016 van de raadsman met de huisarts A.C.A.M. Loonen;

( c) een rapport van 23 februari 2016 van dr. F.J.M. Alkemade, getiteld 'Een Bayesiaanse visie op de dood van [slachtoffer] . Deskundigenrapport in de zaak [veroordeelde] . Op verzoek van de familie [veroordeelde] en raadsman mr. van der Kruijs'.

3.2.3.

Omtrent het hiervoor onder 3.2.1 sub (1) genoemde rapport houdt de na te noemen vordering van de Advocaat-Generaal het volgende in:

"Een rapport dat door de raadsman wordt betiteld 'het rapport Stad/Van Koppen' trof ik als zodanig niet aan bij de door de raadsman toegezonden stukken. Naar ik begrijp doelt de raadsman met dit rapport op een publicatie die is verschenen in de reeks
'Project Gerede Twijfel' van de Vrije Universiteit Amsterdam, waarvan prof. P.J. van Koppen de directeur/redacteur is, te weten: D. Stad &
P.J. van Koppen, Het likkende hondje. Het onderscheid tussen moord en zelfmoord, Den Haag: Boom Criminologie 2015. De hele casus is in dit boek besproken. De bewijsvoering is van kritisch commentaar voorzien. Een exemplaar van deze publicatie heb ik zelf aan het dossier toegevoegd. Ik verwijs daarnaar."

3.3.

Bij brief van 6 oktober 2016 heeft de Advocaat-Generaal het schrijven van de raadsman, tezamen met het strafdossier, in handen gesteld van de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS) met het verzoek op de voet van art. 462 Sv advies uit te brengen over de wenselijkheid van nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor de herziening van het arrest van het Hof.

3.4.1.

De ACAS heeft op 23 maart 2017 door tussenkomst van de landelijk forensisch officier van justitie vragen gesteld aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het antwoord op die vragen van het NFI van 13 april 2017 gaf de ACAS aanleiding het NFI te verzoeken om nader forensisch onderzoek te verrichten, mede op basis van foto's uit het dossier en een schouw/reconstructie die in deze zaak in 2005 is uitgevoerd.

3.4.2.

Dit verzoek heeft geleid tot onder meer:

(1) een rapport van 4 mei 2018 van de bloedspoorpatroondeskundige ing. M.J. van der Scheer, bevattende de resultaten van bloedspoorpatroononderzoek, en

(2) een rapport van 2 mei 2018 van de forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe.

3.4.3.

Mede op basis van deze rapportages heeft de ACAS op 25 juni 2018 de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad geadviseerd nader onderzoek te laten doen. Dit heeft geleid tot een NFI-rapport van 18 september 2018 van ing. M.J. van der Scheer en dr. Y. van de Wal met betrekking tot het verrichte aanvullend sporenonderzoek.

4 De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is gedaan door de Advocaat-Generaal D.J.C. Aben. Zijn daartoe ingediende vordering, die aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uitmaakt, strekt tot herziening van het arrest van het Hof wat betreft feit 1 en tot verwijzing van de strafzaak naar een Gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak in zoverre zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als voorzien in art. 472, tweede lid, Sv.

5 Aan de beoordeling van de herzieningsaanvraag voorafgaande beschouwingen

5.1.

In art. 457 Sv is bepaald dat de Hoge Raad in de daar vermelde gevallen op aanvraag van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad dan wel van de gewezen verdachte ten voordele van laatstgenoemde een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling kan herzien. Ingevolge art. 460 Sv dient de Procureur-Generaal een herzieningsaanvraag in door middel van een schriftelijke vordering en dient de gewezen verdachte een herzieningsaanvraag in door middel van een door zijn raadsman ondertekende schriftelijke aanvraag (hierna: verzoekschrift). De toepassing van de uitgangspunten en regels die in herzieningszaken worden gehanteerd, is niet afhankelijk van de wijze waarop de aanvraag tot herziening - bij vordering dan wel bij verzoekschrift - is ingediend.

5.2.

Wat betreft die toepassing van de uitgangspunten en regels die in herzieningszaken worden gehanteerd, roept de Hoge Raad het in HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:605 geschetste beoordelingskader in herinnering.

A. Uitgangspunt van het Nederlandse recht is dat een veroordeling die door de Nederlandse strafrechter is uitgesproken, na het verstrijken van de termijnen voor het instellen van gewone rechtsmiddelen en eventueel na het daadwerkelijk benut zijn van die rechtsmiddelen, onherroepelijk wordt. Slechts onder bijzondere omstandigheden is een inbreuk op die onherroepelijkheid mogelijk, namelijk ingeval een aanvraag tot herziening van een dergelijke veroordelende uitspraak wordt ingediend en na onderzoek gegrond wordt bevonden. Dat is in het eerste lid, aanhef en onder c, van art. 457 Sv aldus tot uitdrukking gebracht dat als grondslag voor een herziening slechts kan dienen een gegeven - het zogeheten novum - dat bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en dat het ernstige vermoeden wekt dat, ware het bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot toepassing van een minder zware strafbepaling, waaronder moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt; daaronder valt niet de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie. De aanwending van het buitengewone rechtsmiddel van herziening kan daarom slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot heropening van een strafproces dat met een onherroepelijke rechterlijke beslissing was afgerond.

B. De aard van het onderhavige rechtsmiddel brengt mee dat de aangevoerde grond voor herziening niet reeds bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is immers geen sprake van een novum maar van een gegeven dat de rechter die de veroordeling uitsprak, in zijn oordeel heeft kunnen betrekken.

C. De enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek dan wel het onderzoek op de terechtzitting niet volledig is geweest, levert evenmin een grond voor herziening op. Dit is slechts anders indien de in herziening overgelegde gegevens grond vormen voor het oordeel dat - voor zover hier van belang - het Hof de gewezen verdachte zou hebben vrijgesproken van het tenlastegelegde indien het destijds bekend was geweest met die nieuwe gegevens. Een en ander geldt ook indien - zoals in het onderhavige geval - de in art. 462 Sv bedoelde ACAS na het onherroepelijk worden van de veroordeling een onderzoek heeft ingesteld. De betwisting van de juistheid en volledigheid van dat onderzoek, zowel wat betreft de wijze waarop het is verricht als wat betreft de resultaten, kan op zichzelf geen grond voor herziening vormen.

D. Ingevolge het tweede lid van art. 460 Sv dient een verzoekschrift de gronden te vermelden waarop de aanvraag rust, met bijvoeging van de bescheiden waaruit van die gronden kan blijken. De aanvrager kan dus niet volstaan met het aanvoeren van een novum met het doel dat de Hoge Raad daarnaar een nader onderzoek zal (doen) verrichten. Het is de aanvrager - dus de gewezen verdachte dan wel de Procureur-Generaal - die tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een van de in art. 457, eerste lid onder c, Sv genoemde beslissingen zou zijn gekomen indien hij ten tijde van de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van hetgeen in herziening naar voren is gebracht.

E. Mede op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van het huidige art. 457 Sv moet worden aangenomen dat een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een novum en daardoor grond kan zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak, indien

• de desbetreffende kwestie tijdens de strafprocedure nog niet aan het oordeel van een deskundige was voorgelegd, dan wel

• in de desbetreffende strafzaak al wel onderzoek was verricht door een deskundige, maar sprake is van een nieuwe deskundige die ofwel vanuit een ander vakgebied ofwel op grond van andere onderzoeksmethoden tot nieuwe conclusies komt, dan wel

• een nieuwe deskundige op grond van dezelfde feiten tot andere inzichten komt doordat het eerdere deskundigenoordeel is gebaseerd op onjuiste of onvolledige feitelijke veronderstellingen of doordat er nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zijn op het desbetreffende vakgebied.

De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, is niet voldoende om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken.

F. De Hoge Raad heeft onder meer in zijn arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736 bepaald dat ingeval een als nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht wordt gepresenteerd, de herzieningsaanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport zodanige informatie dient te bevatten dat de inhoud van dit inzicht en de nieuwheid daarvan op waarde kunnen worden geschat, en dat die informatie betrekking moet hebben op onder meer (i) de kennis en ervaring van de deskundige op het desbetreffende vakgebied, en (ii) de onderbouwing van de 'nieuwheid' van het inzicht van de deskundige wat betreft de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige steunt op hetzij (a) ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende wetenschappelijke ontdekkingen of inzichten, hetzij (b) een beoordeling van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende feiten of omstandigheden, hetzij (c) een ander deskundig oordeel omtrent de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting reeds bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op ten tijde van dat onderzoek ter terechtzitting reeds bekende feiten en omstandigheden, en voorts de vraag hoe het inzicht van de deskundige zich verhoudt tot eerdere inzichten van diezelfde en/of andere deskundigen zoals die uit het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier naar voren komen.

5.3.

Daaraan kan met het oog op de onderhavige zaak nog worden toegevoegd dat volgens vaste rechtspraak van de
Hoge Raad sedert HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024 aan de omstandigheid dat een deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige. Een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het desbetreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van de deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, is niet zonder meer toereikend voor herziening. Voor de beoordeling van zo een aanvraag is derhalve van belang waarin het verschil van inzicht zijn grond vindt. De aanvraag dient daaromtrent, aan de hand van in 5.2 onder E en F genoemde factoren, een toelichting te bevatten. In dat verband kan van belang zijn de reactie van een deskundige die in de strafzaak heeft verklaard, op het inzicht van de deskundige waarop de herzieningsaanvraag steunt.

6 Beoordeling van de aanvraag

6.1.

De aanvraag komt hierop neer dat de bewezenverklaring van feit 1 nagenoeg uitsluitend is gebaseerd op de conclusies van de bloedspoorpatroondeskundige ing. R. Eikelenboom en de bevindingen van de forensisch geneeskundige drs. S.J.M. Schieveld en dat hun cruciale conclusies worden tegengesproken door de bloedspoorpatroondeskundige Van der Scheer, respectievelijk de forensisch patholoog Soerdjbalie-Maikoe. Hun rapportages verhouden zich - aldus de aanvraag - slecht met de bewezenverklaring van doodslag en met name de rapportages van Van der Scheer wijzen sterk in de richting van het scenario van zelfdoding door het slachtoffer.

6.2.1.

De aanvraag berust op de stelling dat de bevindingen van Van der Scheer en Soerdjbalie-Maikoe deskundigeninzichten betreffen waarmee het Hof niet bekend kon zijn en die onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring van feit 1.

6.2.2.

De aanvraag bevat in het licht van hetgeen hiervoor onder 5.2 sub E en F is vooropgesteld, evenwel onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of en in hoeverre die bevindingen kunnen gelden als nova.

6.2.3.

Bij de stelling dat de bevindingen van Van der Scheer en Soerdjbalie-Maikoe deskundigeninzichten betreffen waarmee het Hof niet bekend kon zijn en die onverenigbaar met de bewezenverklaring van feit 1, is in de aanvraag de volgende kanttekening geplaatst:

"Een waarschuwing is nog wel op z'n plaats. Doordat de meest recente rapportages in deze zaak zijn opgemaakt door Van der Scheer en Soerdjbalie, en zij dus als laatsten hebben 'gesproken', kan gemakkelijk de gedachte postvatten dat zij in dit dispuut zonder meer het gelijk aan hun zijde hebben, en Eikelenboom en Schieveld niet. Een gewogen oordeel hierover vereist een weerwoord van hun zijde. Ik meen echter dat dit binnen de onderhavige procedure tot herziening van het bestreden arrest niet noodzakelijk is. Het oordeel over deze kwestie laat ik geheel aan het gerechtshof waarnaar de zaak m.i. moet worden verwezen."

6.2.4.

Aldus miskent de aanvraag wat onder 5.3 is vooropgesteld, te weten dat aan de omstandigheid dat een deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een
- van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige, en dat dit betekent dat een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het desbetreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van de deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, niet zonder meer toereikend is voor herziening. Dientengevolge kan een reactie van de deskundigen die in deze strafzaak hebben gerapporteerd, reeds bij de beoordeling van de aanvraag van belang zijn.

6.2.5.

Voorts stipt de Hoge Raad aan dat het door het Hof tot het bewijs gebezigde rapport van het verrichte bloed-,
DNA- en vezelonderzoek (bewijsmiddel 8) inhoudt dat het op de voorzijde van de inbeslaggenomen broek van de gewezen verdachte aangetroffen bloed - kort gezegd - afkomstig is van het slachtoffer, maar dat het hiervoor onder 3.4.3 vermelde rapport van 18 september 2018 (p. 3) inhoudt dat de destijds vermelde bloedspatjes zich niet op de voor- maar op de achterzijde bevinden. In de aanvraag is niet vermeld of deze omstandigheid van belang is geacht voor de beoordeling van de aan de aanvraag ten grondslag gelegde stelling.

6.3.1.

Opmerking verdient dat de aanvraag niet steunt op de door de raadsman in zijn onder 3.2.1 genoemde brief onder (4) naar voren gebrachte waandenkbeelden van het slachtoffer, waartoe beroep is gedaan op de e-mailwisseling tussen de raadsman en de huisarts A.C.A.M. Loonen, onder meer inhoudende:

"In 2000 was ik huisarts in Hintham (...). Korte tijd voor dat [slachtoffer] dood gevonden werd, (die bij mij niet bekend was), werd ik in de weekeinde dienst opgeroepen om een visite af te leggen. In de flat van [de gewezen verdachte] aangekomen, deed [slachtoffer] een dringend beroep op mij om in de hals te laten snijden, "want daar zat iets wat eruit moet". Als ik me goed herinner wees zij naar de rechter kant van haar hals. Geruststelling kwam niet goed over. (...)

Eigenlijk deed [slachtoffer] een beroep op mij om in de hals te snijden. Zij kwam op mij gestoord over en ik dacht aan een waanidee, omdat bij onderzoek niets bijzonders te voelen was."

6.3.2.

Deze mededeling kan mogelijk van belang zijn in verband met het scenario dat het slachtoffer zichzelf het dodelijke letsel heeft toegebracht, maar staat (in de aanvraag) op zichzelf.

7 Slotsom

7.1.

De Hoge Raad is van oordeel dat het voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is dat

(i) de deskundigen Eikelenboom en Schieveld in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de rapporten van Van der Scheer en Soerdjbalie-Maikoe waarop de herzieningsaanvraag is gebaseerd;

(ii) nader onderzoek wordt gedaan naar de onder 6.3.1 genoemde waandenkbeelden van het slachtoffer.

7.2.

De Hoge Raad stelt met toepassing van art. 469, eerste lid, Sv de stukken in handen van de Advocaat-Generaal teneinde het onder 7.1 omschreven onderzoek te verrichten en zonodig mede op grond van de resultaten daarvan de aanvraag aan te vullen.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

stelt de stukken in handen van de Advocaat-Generaal ter fine als hiervoor onder 7.1 vermeld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, M.J. Borgers, M.T. Boerlage en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2018.