Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2094

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
17/00856
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1280
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bedreiging door met bijl slaande bewegingen te maken naar ander, die n.a.v. eerder incident op ramen van woning verdachte heeft gebonkt, art. 285.1 Sr. Beroep op noodweer, art. 41.1 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. belang van consistente feitelijke vaststellingen bij beoordeling van beroep op noodweer en subsidiariteitseis. Hof heeft geoordeeld dat het gebonk op de ramen en het geschreeuw van A geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding oplevert (en ook geen reële dreiging daarvan), waartegen verdachte zich zou moeten verdedigen. Gelet op wat namens verdachte is aangevoerd ter onderbouwing van de aanranding - waarvan Hof de juistheid deels in het midden heeft gelaten - is dit oordeel niet z.m. begrijpelijk. V.zv. Hof daarnaast aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd dat voor verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond omdat verdachte ook een andere keuze had kunnen maken, bijv. de politie bellen, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd, nu Hof niet heeft doen blijken te hebben onderzocht of dit van verdachte ook kon worden gevergd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2161
NJ 2018/457
RvdW 2018/1280
TPWS 2019/17
SR-Updates.nl 2018-0409 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2018

Strafkamer

nr. S 17/00856

IV/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 februari 2017, nummer 21/005665-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Schreudering, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt ten aanzien van feit 2 over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 22 september 2013 te Tiel [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je kapot" en/of: "Ik sla je hartstikke dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en heeft hij, verdachte, ten overstaan van en zichtbaar voor [betrokkene 1] een bijl getoond en heeft hij, verdachte, met een bijl in de hand slaande bewegingen gemaakt naar of in de richting van het lichaam van [betrokkene 1] en is hij, verdachte, met een bijl in zijn hand achter [betrokkene 1] aangerend."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover hier van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 4 en 5 van het proces-verbaal, genummerd PL0800 2013102131) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Tussen zondag 22 september 2013 te 15:00 uur en zondag 22 september 2013 te 15:10 uur werd op de locatie, zoals vermeld bij plaats delict, het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

(...)

Mijn moeder woont op de [a-straat] 4 te Tiel. De woning van mijn moeder betreft een koopwoning. Rechts naast de woning, gezien vanaf de straat ligt een pad. Dit pad is van mijn moeder. Mijn moeder moet het recht van overpad verlenen aan een aantal genoemde percelen. Twee deuren verder, op huisnummer 8, woont [verdachte] . Huisnummer 8 is een van de genoemde percelen waarover mijn moeder recht van overpad moet verlenen. Sinds vorig jaar mei zijn er problemen met deze [verdachte] .

(...)

Mijn zus vertelde dat zij was gebeld door mijn moeder. Mijn moeder had haar gebeld dat [verdachte] bezig was om het hek uit onze tuin te slopen. Ook zou hij mijn moeder hebben bedreigd.

(...)

Daar aangekomen zag ik dat het hek in mijn moeders voortuin was gesloopt. Tevens zag ik dat mijn moeder erg overstuur was.

Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] vanuit zijn woning naar mij toe kwam rennen. Ik stond op dat moment voor de woning van mijn moeder op de stoep. Ik zag dat [verdachte] een bijl in zijn rechterhand omhoog geheven vasthield. Ik hoorde dat hij riep: "Ik maak je kapot!".

(...)

Ik hoorde dat hij schreeuwde dat hij mij hartstikke dood zou slaan. Ik heb vervolgens tegen hem gezegd dat hij dit dan maar moest doen. Nog geen vijf seconden hierna zag ik dat [verdachte] mij onderhands een klap met de bijl gaf. Ik voelde hiervan direct pijn. Ik zag dat dit met de scherpe kant van de bijl was. Ik voelde dat hij mij raakte op mijn linker elleboog. Door deze slag heb ik een snee op mijn elleboog. Vervolgens ben ik naar de voortuin van mijn moeder gelopen. Ik heb uit de voortuin een stuk hout van het gesloopte hekje gepakt.

(...)

Ik heb [verdachte] vervolgens een klap met het stuk hout gegeven.

(...)

Ik zag dat [verdachte] met de bijl achter mij aan kwam rennen. Ik ben vervolgens weggerend in de richting van de Bevrijdingslaan. Toen ik achterom keek, zag ik dat [verdachte] nog steeds achter mij aan kwam.

(...)

Ik ben hem vervolgens om de nek gevlogen.

(...)

[betrokkene 2] is vervolgens tussen [verdachte] en mij gekomen en riep dat we moesten stoppen. Ook heeft hij de bijl van [verdachte] afgepakt.

(...)

Ik was echt bang dat [verdachte] mij met de bijl mijn hoofd in wilde slaan.

(...)

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 10 en 11 van het proces-verbaal, genummerd PL0800 2013102131) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3] :

Op zondag 22 september 2013, omstreeks 14:30 uur, kwam [verdachte] , wonende aan de [a-straat] 8 te Tiel, bij mij aan de deur.

(...)

Nadat ik de voordeur van mijn woning dicht had gedaan, hoorde ik gerommel, dat afkomstig was van buiten. Ik hoorde dat er iets gebeurde buiten. Ik kon alleen niet zien wat. Ik zag dat er planken van mijn hekwerk kennelijk opzettelijk vernield waren en dat deze weer in mijn voortuin werden gegooid. Ik zag dat [verdachte] de planken van het hekwerk in mijn tuin gooide.

(...)

Ongeveer 10 minuten later kwam mijn zoon, genaamd [betrokkene 1] , bij mij aan de voordeur. Ik deed de deur open en vertelde wat er was gebeurd. Vervolgens keek ik naar rechts en zag ik [verdachte] met een bijl in zijn rechterhand staan. Ik zag dat [verdachte] de bijl ter hoogte van zijn schouderblad had. Ik zag dat de bijl met de scherpe zijde in onze richting wees.

(...)

Vervolgens hoorde ik [verdachte] zeggen dat hij mij af wilde maken, of woorden van gelijke strekking. Ik weet zeker dat dit voor ons beiden bedoeld was. Ik zag dat [verdachte] ons aankeek. Ik zag dat hij de bijl nog ter hoogte van zijn schouder had en deze in de richting van ons wees. Hierop pakte [betrokkene 1] een plank bij mij uit de tuin. Dit is de plank welke afkomstig is van het hek dat door [verdachte] vernield is. [betrokkene 1] liep naar [verdachte] om te zeggen: "Laten we het als mannen op straat uitvechten". Hierop volgend gaf [verdachte] de eerste klap met de bijl op de rechterarm van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] sloeg direct terug met de plank. [verdachte] werd toen geraakt op zijn schouderblad. Vervolgens is [betrokkene 1] weer weggerend en ging [verdachte] erachteraan.

(...)

Ik ben erg geschrokken van de bedreiging.

(...)

Ik zag dat [verdachte] een uitdrukking in zijn ogen had, die ik nog niet eerder had gezien. Ik voelde me zeer bedreigd.

5. De verklaring van [betrokkene 3] , afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de Rechtbank Gelderland op 19 maart 2014, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Vraag 30: heeft u gezien dat [verdachte] aangever [betrokkene 1] heeft geslagen met de bijl en/of slaande bewegingen heeft gemaakt?

Ja. Ik heb slaande bewegingen gezien, maar door het weglopen verdwenen ze uit beeld.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 14 en 15 van het proces-verbaal, genummerd PL0800 2013102131) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Afgelopen 22 september 2013 omstreeks 14.30 uur ben ik naar de buurvrouw van huisnummer 4 gestapt. Ik wilde haar vragen wanneer ze het hek weg ging halen. (...) Dit gesprek verliep niet op een normale manier.

(...)

Ik zag een zoon van die buurvrouw [betrokkene 3] voor mijn huis staan.

(...)

Ik heb toen in een flits een bijl vastgepakt.

(...)

Ik heb toen mijn voordeur opengedaan en hield die bijl in mijn rechterhand. Ik hield de bijl toen laag, dus naar beneden. Ik zei tegen hem: "sodemieter op." Toen hield ik de bijl omhoog, voor mij, op de hoogte van mijn buik. Ik deed dat uit voorzorg voor als hij wat zou doen. Ik heb hem mijn tuin uitgebonjourd.

(...)

Ik heb toen nog niks gedaan met die bijl. Direct daarna zag ik dat die zoon gelijk doorsloeg met die balk tegen mijn linker onderbeen aan. Ik voelde pijn aan mijn linkerbeen. (...) Tegelijkertijd heb ik waarschijnlijk met de bijl die balk hout uit zijn handen geslagen.

(...)

Ik heb hem toen verjaagd bij die balk vandaan. Ik zag dat hij ongeveer 10 meter weg rende. Ik rende direct achter hem aan en ik hield die bijl vast, gewoon laag. Vervolgens stopte hij opeens en ik knalde tegen hem op.

Dat was op de straat. Ik voelde dat hij mij om mijn nek vastpakte en dat hij mijn bijl vastpakte. (...) Toen kwam er een buurman, van de overkant, die ertussen dook om die bijl er tussenuit te krijgen.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 23 van het proces-verbaal, genummerd PL0800 2013102131) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2] :

Op zondag 22 september 2013 omstreeks 15.10 uur zag mijn vrouw dat er voor onze woning een ruzie op straat gaande was. Ik woon op de [a-straat] 11 te Tiel. Ik ben vervolgens buiten gaan kijken. Er was een hoop kabaal. Ik zag en hoorde dat twee mannen ruzie met elkaar hadden. Ik hoorde dat zij aan het schelden waren. Van een persoon weet ik dat hij de zoon is van de vrouw op de hoek. In het vervolg noem ik deze man 'man 1'. Ik ken de andere man ook, want hij is ook wonende in onze straat. Ik noem deze man in het vervolg 'man 2'.

(...)

Ik hoorde beiden roepen: "ik maak je kapot". In die trant ging het geschreeuw.

(...)

Ik zag dat man 1 naar de woning van man 2 liep. Ik zag dat ze beiden dreigend tegenover elkaar stonden. Ik zag dat man 2 ook wat in zijn handen had. Ik kon niet zien wat het was.

Op een gegeven moment zag ik dat man 1 mijn kant op gerend kwam. Ik zag dat hij uiteindelijk zijn plank tijdens het rennen weggooide. Ik zag dat man 2 achter hem aan gerend kwam met een bijl in zijn handen. Voor mijn woning zag ik dat man 1 zich omdraaide en man 2 vastpakte. Ik zag dat zij ten val kwamen en met elkaar begonnen te rollen. Ik kon toen de bijl afpakken van man 2."

2.2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

"13. Verdediging doet een beroep op noodweer. Cliënt zegt de bijl pas te hebben getoond nadat achtereenvolgens; hard op de ramen werd gebeukt, zo hard dat "ze er bijna uitvlogen"; dreigende termen waren geuit door aangever jegens cliënt en aangever dreigend met een metalen voorwerp richting de deur van aangever ging. Hij is pas achter aangever aangelopen nadat hij door aangever met de zware balk geslagen is.

14. Deze omstandigheden creëren minst genomen een onmiddellijk dreigend gevaar van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf en zijn woning. Het gevaar voor zijn lijf is zelfs verwezenlijkt. Cliënt mocht verdedigen tegen deze aanhoudende, onmiddellijke dreiging en de daarop volgende aanranding. De dreiging was naar uiterlijke verschijningsvorm zodanig, dat aangever niet te stoppen leek. Er wordt door getuigen beschreven dat aangever dreigde, bleef schreeuwen; ontplofte.

15. Cliënt had onder die omstandigheden de verwachting dat hij hem te lijf zou gaan, en zelfs na de eerste keer tonen van de bijl, gebeurde dat ook. Aangezien aangever niet uit zichzelf ophield en de dreiging dat ramen ingeslagen zouden worden, en binnen blijven of op andere wijze vluchten geen optie was, was het handelen van cliënt geboden (subsidiair).

16. Cliënt wilde aangever laten stoppen en heeft om die reden gedreigd; in verhouding tot de dreiging van aangever en het daadwerkelijk gebruikte geweld, waardoor cliënt ernstig letsel heeft opgelopen, is de dreiging van cliënt noodzakelijk (proportioneel) geweest. Cliënt komt een geslaagd beroep op noodweer toe; ik verzoek u cliënt voor het onder twee tenlastegelegde te ontslaan van alle rechtsvervolging."

2.2.4.

Het Hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:

"Voor aanvaarding van een beroep op noodweer is vereist dat een feit wordt begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte en [betrokkene 1] beiden een aandeel hebben gehad in de aanleiding tot en de escalatie van het conflict. Verdachte is als eerste naar de moeder van [betrokkene 1] gegaan en heeft daar een hekje uit de grond gehaald. Pas daarna is [betrokkene 1] gearriveerd en is hij op de ramen van de woning van verdachte gaan bonken en naar verdachte gaan schreeuwen. Op dat moment heeft verdachte ervoor gekozen om met de bijl in zijn hand naar buiten te gaan en recht tegenover [betrokkene 1] te gaan staan. Hij had toen ook een andere keuze kunnen maken, bijvoorbeeld de politie bellen. Bovendien levert het gebonk op de ramen en het geschreeuw van [betrokkene 1] naar het oordeel van het hof geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op (en ook geen reële dreiging daarvan), waartegen verdachte zich zou moeten verdedigen. Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan.

Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.

Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende.

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)

2.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat het gebonk op de ramen en het geschreeuw van [betrokkene 1] geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding oplevert (en ook geen reële dreiging daarvan), waartegen de verdachte zich zou moeten verdedigen. Gelet op wat namens de verdachte is aangevoerd ter onderbouwing van de aanranding - waarvan het Hof de juistheid deels in het midden heeft gelaten - is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het Hof daarnaast aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd dat voor de verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond omdat de verdachte ook een andere keuze had kunnen maken, bijvoorbeeld de politie bellen, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd, nu het Hof niet heeft doen blijken te hebben onderzocht of dit van de verdachte ook kon worden gevergd.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2018.