Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2091

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
17/01521
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:899
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:5279, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben nagebootst pistool dat lijkt op vuurwapen, art. 13.1 WWM. Nagebootst pistool een speelgoedvoorwerp a.b.i. art. 3 RWM jo. EU-Richtlijn 2009/48/EG (Speelgoedrichtlijn)? Het Hof heeft het verweer verworpen o.g.v. dat het pistool geen speelgoedvoorwerp is a.b.i. de Speelgoedrichtlijn omdat het niet is voorzien van de CE-markering die ingevolge art. 16 Richtlijn vereist is om als speelgoed a.b.i. die Richtlijn te worden aangemerkt. Gelet op doel en strekking van de CE-markering zoals daarvan blijkt uit Besluit van de Raad van de EG van 22 juli 1993, 93/465/EEG en uit art. 3.16 Speelgoedrichtlijn, heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat ingevolge art. 16 Speelgoedrichtlijn een voorwerp als i.c. eerst kan worden aangemerkt als speelgoed a.b.i. Speelgoedrichtlijn als het is voorzien van een CE-markering, nog daargelaten dat art. 17.1 Speelgoedrichtlijn de mogelijkheid openlaat dat deze markering niet is aangebracht op het speelgoed zelf, maar op een daaraan bevestigd etiket of op de verpakking. De gegrondheid van het middel leidt echter niet tot cassatie. Gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering - waaronder de vaststelling van het Hof dat het voorwerp dat verdachte voorhanden had, naar vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk Beretta model 92 - moet in cassatie het ervoor worden gehouden dat verdachte een imitatie van een echt vuurwapen voorhanden had. Indien een imitatie van een echt vuurwapen is vervaardigd voor verzamelaars en dat voorwerp (of de verpakking ervan) is voorzien van een zichtbare en leesbare aanduiding dat zij is bestemd voor verzamelaars van 14 jaar en ouder, kan dat voorwerp reeds op grond van art. 2.1, tweede volzin, Speelgoedrichtlijn jo. Bijlage I.2.e niet worden beschouwd als speelgoed. Daarbuiten geldt op grond van art. 2.1, eerste volzin, Speelgoedrichtlijn dat een voorwerp slechts dan als speelgoed kan worden aangemerkt in het geval dat het is ontworpen of bestemd om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt. Weliswaar is namens verdachte aangevoerd dat sprake is van een "speelgoedpistool", maar niet is aangegeven dat en waarom aan die specifieke, in de Speelgoedrichtlijn gestelde voorwaarde zou zijn voldaan. Gelet daarop en daarnaast in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de (uiterlijke) kenmerken van het voorwerp dat verdachte voorhanden had, heeft het Hof het verweer dan ook terecht verworpen. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2166
RvdW 2018/1276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2018

Strafkamer

nr. S 17/01521

IV/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 november 2016, nummer 20/003898-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en beslissing op een gevoerd verweer

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 2 maart 2015 te Bergen op Zoom een wapen van categorie I onder 7°, te weten een (nagebootst) pistool (gelijkend op een vuurwapen van het merk Beretta model 92), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad."

2.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De raadsman voert het woord tot pleidooi:

Het wapen is een kinderpistool. Als je de trekker overhaalt maakt het een ratelend geluid.

Ik ben in de wet gedoken en ben uitgekomen bij een Europese regeling. Speelgoedvoorwerpen vormen een uitzondering op wapens van categorie 1 onder 7 en door minister aangewezen voorwerpen krachtens de Regeling wapens en munitie. Het betreft echt een speelgoedpistooltje dat je ook kunt kopen bij de Action voor 3 euro. (...) Het pistooltje in kwestie had een gesloten loop met een oranje dopje. Dat valt mijns inziens onder de Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG), hetgeen een uitzonderingscategorie vormt van artikel 3, aanhef en sub a van de Regeling wapens en munitie (cfr. Stcrt. 2014, 18098). Volgens de bijlage, waarop spullen staan die niet als speelgoed worden beschouwd, vallen imitatiewapens die erg lijken niet onder de uitzonderingscategorie, maar volgens mij gaat het hier om een speelgoedwapen. Daarom verzoek ik u mijn cliënt vrij te spreken."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer als volgt overwogen en beslist:

"De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat het vermeende wapen een speelgoedpistool betreft dat valt onder de zogenaamde Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG), hetgeen een uitzonderingscategorie vormt in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. Het pistool zou namelijk evident een speelgoedpistool zijn, nu het zich kenmerkt door een gesloten loop met oranje dop, licht van gewicht is en een ratelend geluid maakt indien de trekker wordt overgehaald. Voorts is het de raadsman bekend dat een soortgelijk pistool als speelgoed wordt verkocht in een detailhandelszaak in Nederland.

Gelet op het voorgaande vindt volgens de verdediging de uitzonderingscategorie van artikel 3, aanhef en sub a van de Regeling wapens en munitie (cfr. Stcrt. 2014, 18098) toepassing. Naar de mening van de verdediging leidt dit ertoe dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte op 2 maart 2015 in Bergen op Zoom een nagebootst pistool bij zich droeg. Op grond van hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal betreffende dat pistool is het hof van oordeel dat gelet op de vorm, afmeting en donkere kleur sprake is van een sprekende gelijkenis met een vuurwapen van het merk Beretta model 92. Het pistool is daarom voor bedreiging of afdreiging geschikt. Het feit dat het pistool een gesloten loop met kleine oranje dop heeft, licht van gewicht is en een ratelend geluid kan maken, doet daar niet aan af. Het feit dat een soortgelijk pistool als speelgoed in een detailhandelszaak wordt verkocht, maakt dat evenmin anders.

Bij het voorgaande betrekt het hof tevens de omstandigheden waaronder het pistool bij de verdachte is aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verdachte met het wapen op straat is aangetroffen. Verbalisant [verbalisant] was ter plaatse gegaan nadat hij de melding had gekregen dat de verdachte bij zijn ex-partner voor de deur stond te vervelen. Verbalisant [verbalisant] zag de man op straat staan en vorderde zijn legitimatiebewijs. [verbalisant] zag dat de verdachte plots een zwarte kolf/handgreep van een pistool of revolver vastpakte die in de linkerbinnenzak zat en het wapen gelijk daarop naar boven haalde. Vervolgens heeft deze verbalisant onmiddellijk uit reactie de rechterhand en -pols van de verdachte vastgepakt waarin hij het wapen vast had. Vervolgens liet de verdachte het wapen vallen.

Mede gelet op de manier waarop de verdachte het wapen tevoorschijn heeft gehaald terwijl gevraagd was om een legitimatie en de schrikreactie van de verbalisant is het voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat het aangetroffen wapen voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

De stelling van de verdediging dat het pistool is uitgezonderd van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie omdat deze onder de Speelgoedrichtlijn valt, faalt reeds omdat het feitelijke grondslag mist. Om als speelgoed in de zin van die Richtlijn te worden aangemerkt, is immers ex art. 16 vereist dat sprake is van een CE-markering. In voornoemd proces-verbaal betreffende het pistool is expliciet gerelateerd dat zulks in het onderhavige geval niet het geval is, nu het pistool geen Europees keuringsteken heeft.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in al zijn onderdelen."

3 Juridisch kader

In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang.

● Wet wapens en munitie:

- art. 2, eerste lid, aanhef en onder 7°:

"Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(...)

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn."

● Regeling wapens en munitie (hierna: RWM):

- art. 3, aanhef en onder a:

"Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG."

● Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (hierna: de Richtlijn of Speelgoedrichtlijn):

- art. 2, eerste lid:

"Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna "speelgoed" genoemd).

De in bijlage I vermelde producten worden niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn beschouwd."

- art. 3, aanhef en onder 16:

"Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

16. "CE-markering": een markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het speelgoed in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de communautaire harmonisatiewetgeving die in het aanbrengen ervan voorziet."

- art. 4, tweede lid:

"Fabrikanten stellen overeenkomstig artikel 21 de vereiste technische documentatie op en voeren overeenkomstig artikel 19 de toepasselijke beoordelingsprocedure ten behoeve van overeenstemming uit of laten deze uitvoeren.

Wanneer met die procedure is aangetoond dat het speelgoed aan de toepasselijke eisen voldoet, stellen de fabrikanten een EG-verklaring van overeenstemming, zoals bedoeld in artikel 15, op en brengt hij de in artikel 17, lid 1, beschreven CE-markering aan."

- art. 12:

"De lidstaten mogen op hun grondgebied het op de markt aanbieden van speelgoed dat aan deze richtlijn voldoet, niet belemmeren."

- art. 16, eerste lid:

"Speelgoed dat op de markt wordt aangeboden, is voorzien van de CE-markering."

- art. 17, eerste lid:

"De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het speelgoed, op een daaraan bevestigd etiket of op de verpakking aangebracht. (...)"

● Bijlage I bij de Richtlijn: Lijst van producten die, met name, niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn worden beschouwd (als bedoeld in artikel 2, lid 1):

"2. Producten voor verzamelaars, mits op het product of de verpakking ervan zichtbaar en leesbaar is aangegeven dat het bestemd is voor verzamelaars van 14 jaar en ouder. Voorbeelden van deze categorie zijn:

(...)

e) imitaties van echte vuurwapens."

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel klaagt, mede gelet op de toelichting, over de verwerping door het Hof van het verweer dat het in de bewezenverklaring vermelde (nagebootste) pistool een speelgoedvoorwerp is in de zin van art. 3 RWM in verbinding met de Speelgoedrichtlijn.

4.2.

Het Hof heeft voormeld verweer verworpen op de grond dat het pistool geen speelgoedvoorwerp is in de zin van de Speelgoedrichtlijn omdat het niet is voorzien van de CE-markering die ingevolge art. 16 van de Richtlijn vereist is om als speelgoed in de zin van die Richtlijn te worden aangemerkt.

4.3.

In het Besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993, 93/465/EEG, PbEG L 200/23, is een aantal procedures vastgesteld voor de beoordeling van de overeenstemming van industrieproducten, waaronder op grond van de Speelgoedrichtlijn speelgoed, met de eisen van de richtlijnen voor technische harmonisatie. Het Besluit beoogt de waarborging van overheidsbelangen zoals de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers van producten. Ingevolge dat Besluit geeft de C(onformité)E(uropéenne)-markering aan dat het desbetreffende product voldoet aan de communautaire verplichtingen die de fabrikant van het product zijn opgelegd en dat het voldoet aan alle communautaire bepalingen met betrekking tot het aanbrengen van de markering.

4.4.

Gelet op het doel en de strekking van de CE-markering zoals daarvan blijkt uit voormeld Besluit en uit art. 3 onder 16 van de Speelgoedrichtlijn, heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat ingevolge art. 16 van de Speelgoedrichtlijn een voorwerp als het onderhavige eerst kan worden aangemerkt als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn als het is voorzien van een CE-markering, nog daargelaten dat art. 17, eerste lid, van de Speelgoedrichtlijn de mogelijkheid openlaat dat deze markering niet is aangebracht op het speelgoed zelf, maar op een daaraan bevestigd etiket of op de verpakking.

4.5.

De gegrondheid van het middel leidt echter niet tot cassatie om de volgende reden. Gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering - waaronder de vaststelling van het Hof dat het voorwerp dat de verdachte voorhanden had, naar vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk Beretta model 92 - moet in cassatie het ervoor worden gehouden dat de verdachte een imitatie van een echt vuurwapen voorhanden had. Indien een imitatie van een echt vuurwapen is vervaardigd voor verzamelaars en dat voorwerp (of de verpakking ervan) is voorzien van een zichtbare en leesbare aanduiding dat zij is bestemd voor verzamelaars van veertien jaar en ouder, kan dat voorwerp reeds op grond van art. 2, eerste lid tweede volzin, van de Speelgoedrichtlijn in verbinding met Bijlage I, sub 2 aanhef en onder e, niet worden beschouwd als speelgoed. Daarbuiten geldt op grond van art. 2, eerste lid eerste volzin, van de Speelgoedrichtlijn dat een voorwerp slechts dan als speelgoed kan worden aangemerkt in het geval dat het is ontworpen of bestemd om door kinderen jonger dan veertien jaar bij het spelen te worden gebruikt. Weliswaar is namens de verdachte aangevoerd dat sprake is van een "speelgoedpistool", maar niet is aangegeven dat en waarom aan die specifieke, in de Speelgoedrichtlijn gestelde voorwaarde zou zijn voldaan. Gelet daarop en daarnaast in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de (uiterlijke) kenmerken van het voorwerp dat de verdachte voorhanden had, heeft het Hof het verweer dan ook terecht verworpen.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst,V. van den Brink, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2018.