Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:205

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
17/02508
Formele relaties
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2017:1362, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3, lid 3, Wet werk en bijstand. Gezamenlijke huishouding. Vaststelling gezamenlijk hoofdverblijf ontbreekt in bestreden uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/335
V-N 2018/11.20.22
NLF 2018/0510 met annotatie van Sonja Dusarduijn
NJB 2018/552
BNB 2018/80
Viditax (FutD), 16-02-2018
FutD 2018-0469
USZ 2018/93 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
NTFR 2018/471 met annotatie van mr. D. Westerman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 februari 2018

nr. 17/02508

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X2] te [Z] (hierna: belanghebbende) en het incidenteel beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: het College) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 april 2017, nrs. 14/5733 WWB, 14/5734 WWB en 15/704 WWB, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Limburg (nrs. AWB 12/1758 WWB en AWB 13/2114 WWB) betreffende ten aanzien van belanghebbende genomen besluiten ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: de WWB). De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft tevens schriftelijk haar zienswijze omtrent het incidenteel beroep naar voren gebracht.

Het College heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek en in het incidenteel beroep een conclusie van repliek ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

Belanghebbende ontving vanaf 14 oktober 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het College het recht op bijstand van belanghebbende per 1 juni 2012 ingetrokken. Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand van belanghebbende teruggevorderd over de periode van 14 oktober 2002 tot en met 31 mei 2012. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat belanghebbende een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [X1] (hierna: [X1]).

2.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank heeft het College bij besluit van 17 oktober 2014 de bezwaren tegen het besluit van 22 januari 2013 gegrond verklaard wat betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 14 oktober 2002 tot en met 31 december 2006 en de terugvordering over die periode.

2.3.

Voor de Centrale Raad was in geschil of belanghebbende en [X1] in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2012 een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, lid 3, van de WWB.

2.4.

De Centrale Raad heeft vooropgesteld dat volgens artikel 3, lid 3, van de WWB van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Vervolgens heeft de Centrale Raad geoordeeld dat het College heeft voldaan aan de bewijslast dat sprake is van een gezamenlijke huishouding vanaf mei 2010. Aan dit oordeel heeft hij ten grondslag gelegd dat er zorg was van [X1] voor belanghebbende in de vorm van het beschikbaar stellen van zijn woning en computer, en ook zorg van belanghebbende voor [X1]. Daarom bestaat er geen toereikende grondslag voor de intrekking van de bijstand van belanghebbende over de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 april 2010, aldus de Centrale Raad.

3. Beoordeling van de in het principale beroep en in het incidenteel beroep voorgestelde middelen

3.1.

Bij de beoordeling van de middelen wordt vooropgesteld dat ingevolge artikel 80, lid 1, van de WWB slechts beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 3, leden 2 tot en met 5, van de WWB en de daarop berustende bepalingen.

3.2.

Voor zover in de middelen wordt geklaagd over onvoldoende motivering van de uitspraak van de Centrale Raad, hebben zij geen betrekking op schending of verkeerde toepassing van de in 3.1 genoemde bepalingen en kunnen zij niet tot cassatie leiden.

3.3.

In het eerste middel van zowel het principale als het incidenteel beroep wordt betoogd dat de Centrale Raad een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het in artikel 3, lid 3, van de WWB gehanteerde begrip “gezamenlijke huishouding”.

3.4.

Een van de voorwaarden om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding is volgens artikel 3, lid 3, van de WWB dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (vgl. HR 13 maart 2015, nr. 14/02766, ECLI:NL:HR:2015:556, BNB 2015/106). Belanghebbende heeft in hoger beroep betwist dat daarvan sprake was. De middelen slagen. De Centrale Raad heeft aan zijn oordeel dat het College aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen belanghebbende en [X1] ten grondslag gelegd dat sprake was van wederzijdse verzorging, maar heeft niet vastgesteld of, en zo ja vanaf welke datum, belanghebbende en [X1] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Aldus berust de door de middelen bestreden beslissing niet op de door de Centrale Raad vastgestelde – juiste - maatstaf.

3.5.

Het in het principale beroep voorgestelde tweede middel richt zich tegen het oordeel van de Centrale Raad dat sprake is van wederzijdse zorg. Het middel faalt. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6.

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen kan de uitspraak van de Centrale Raad niet in stand blijven. Terugwijzing moet volgen om vast te stellen of, en zo ja vanaf welke datum, belanghebbende en [X1] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4 Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep van belanghebbende zal het College worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Wat betreft het incidenteel cassatieberoep van het College acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart beide beroepen in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de proceskosten en de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn,

wijst het geding terug naar de Centrale Raad van Beroep ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3006 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2018.