Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2003

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
16/05542
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:714
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBOVE:2016:4123
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 137 auto’s onder BV die wordt verdacht van witwassen en vervolgens failliet gaat. Bij behandeling klaagschrift van pandhouder van auto’s heeft als belanghebbende aanwezige curator van failliete BV zelf klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave aan hem van auto’s. 1. Ontvankelijkheid (mondeling) klaagschrift en cassatieberoep curator (klager). 2. Moet door HR gemaakt onderscheid tussen beslag ex art. 94 Sv en beslag ex art. 94a Sv worden herijkt, nu beslag ter verbeurdverklaring ex art. 33a.1.a Sr a.g.v. Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming alle kenmerken van conservatoir beslag heeft gekregen?

Ad 1. Klaarblijkelijk heeft Rb verklaring van curator en het daarmee gepaard gaande overleggen van klaagschrift aangemerkt als een (ontvankelijk) klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, daar de wet niet de mogelijkheid kent dat een verzoek om teruggave mondeling wordt gedaan. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu schriftelijke indiening van klaagschrift op griffie ex art. 552a.1 jo. 449.3 Sv mede strekt ter waarborging van het belang dat beslagene en belanghebbenden een afschrift ontvangen van klaagschrift en bij behandeling van klaagschrift worden betrokken en eventueel zelf klaagschrift kunnen indienen, een en ander als bepaald in art. 552a.5 Sv. I.c. is voldaan aan het in art. 552a.5 Sv gewaarborgde belang, zodat n-o verklaring van curator in zijn beklag achterwege kon blijven. Ook overigens is in dezen geen belang aanwijsbaar om ambtshalve het cassatieberoep tegen beschikking n-o te verklaren.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010: BM4095 inhoudende dat in geval van faillissement van beslagene wel een ex art. 94a Sv gelegd conservatoir beslag vervalt, maar niet een ex art. 94 Sv gelegd beslag. Die regel geldt ook na inwerkingtreding van Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming . Enkele omstandigheid dat sindsdien o.g.v. art. 33a.1.a Sr - naast 'door middel van het strafbare feit' verkregen voorwerpen - ook 'uit de baten van het strafbare feit' verkregen voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar zijn, brengt niet mee dat beslag op voorwerp met het oog op verbeurdverklaring o.g.v. art. 33a.1.a Sr uitsluitend strekt tot behoud van verhaalspositie van overheid als schuldeiser. Dit is anders bij conservatoir beslag a.b.i. art. 94a Sv, nu die bepaling geen enkel verband vereist tussen bepaald strafbaar feit en inbeslaggenomen voorwerp.

Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. ontvankelijkheid klager in beklag. Samenhang met 16/05626B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/1213
NBSTRAF 2018/352
SR-Updates.nl 2018-0417
INS-Updates.nl 2018-0250
NJ 2019/215 met annotatie van J.M. Reijntjes
JOR 2019/198 met annotatie van Baar, J.L.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 16/05542 B

IF/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 26 oktober 2016, nummer RK 16/937, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , kantoorhoudende te [plaats] .

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden beschikking vernietigt en de klager alsnog niet-ontvankelijk verklaart in zijn beklag.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Op 10 mei 2016 zijn 137 personenauto's onder [A] BV (hierna: [A] ) in beslag genomen. Op 8 juni 2016 heeft [betrokkene 2] , die stelt een pandrecht te hebben op de inbeslaggenomen auto's, ter griffie van de Rechtbank een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen personenauto's. Op 15 juni 2016 is [A] in staat van faillissement verklaard met benoeming van de klager [klager] tot curator. Op 14 juli 2016 zijn een camper en een personenauto van het merk Maserati onder [betrokkene 2] in beslag genomen. Op 26 augustus 2016 heeft [betrokkene 2] zijn klaagschrift aangevuld met een subsidiair verzoek de teruggave te gelasten van de 137 inbeslaggenomen auto's aan de klager en dat de teruggave aan hem zal worden gelast van de inbeslaggenomen camper en personenauto van het merk Maserati. Op 12 oktober 2016 heeft de Rechtbank het klaagschrift van [betrokkene 2] (rekestnummer 16/578) in de raadkamer behandeld, waarbij [klager] als belanghebbende aanwezig was. Bij deze gelegenheid heeft [klager] zelf een klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van de onder [A] inbeslaggenomen auto's ingediend, waaraan het rekestnummer 16/937 is toegekend.

2.2.

Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek in openbare raadkamer van de Rechtbank van 12 oktober 2016, rekestnummer 16/937, heeft [klager] aldaar verklaard het klaagschrift alsmede zijn spreekaantekeningen over te leggen. Voorts heeft hij het klaagschrift mondeling aangevuld met het verzoek tot teruggave aan hem van de onder [betrokkene 2] inbeslaggenomen camper en Maserati personenauto. De genoemde spreekaantekeningen houden onder meer in dat reeds op grond van het klaagschrift van [betrokkene 2] teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan hem, [klager] kan worden gelast, maar dat, indien hij daarvoor een zelfstandig verzoek moet inleveren, hij dat bij deze doet. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank deze verklaring en het daarmee gepaard gaande overleggen van een klaagschrift aangemerkt als een (ontvankelijk) klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, daar de wet niet de mogelijkheid kent dat een verzoek om teruggave mondeling wordt gedaan.

2.3.

Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden op de volgende grond. De schriftelijke indiening van een klaagschrift op de griffie op de voet van art. 552a, eerste lid, Sv in verbinding met art. 449, derde lid, Sv strekt mede ter waarborging van het belang dat de beslagene en belanghebbenden een afschrift ontvangen van het klaagschrift en bij de behandeling van het klaagschrift worden betrokken en eventueel zelf een klaagschrift kunnen indienen, een en ander als bepaald in art. 552a, vijfde lid, Sv.

De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden in dat voorafgaand aan de behandeling van het klaagschrift van [betrokkene 2] overleg heeft plaatsgevonden tussen alle betrokkenen over de behandeling van dat klaagschrift, waarbij [klager] zich akkoord heeft verklaard met de datum van behandeling op 12 oktober 2016. Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken een e-mailbericht, verzonden door de strafgriffie op 13 oktober 2016, gericht aan [klager] , dat onder meer inhoudt: "hierbij deel ik u mede dat het klaagschrift beslag dat door u is ingediend als curator inzake [A] op 12 oktober 2016 is ontvangen door de strafgriffie van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo. Het is ingeboekt onder raadkamernummer 16/937." Aldus bezien is [klager] als beslagene of als belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord over het klaagschrift van [betrokkene 2] en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen en is [betrokkene 2] als belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord over het klaagschrift van [klager] . Nu de klaagschriften van [betrokkene 2] en van [klager] betrekking hebben op dezelfde voorwerpen en de bij de klaagschriften betrokken partijen en andere belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord bij de behandeling in raadkamer van 12 oktober 2016, is voldaan aan het in art. 552a, vijfde lid, Sv gewaarborgde belang, zodat niet-ontvankelijkverklaring van [klager] in zijn beklag achterwege kon blijven. Ook overigens is in dezen geen belang aanwijsbaar om ambtshalve het cassatieberoep tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren.

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift en stelt de vraag aan de orde of het door de Hoge Raad gemaakte onderscheid tussen beslag op de voet van art. 94 Sv en beslag op de voet van art. 94a Sv herijkt moet worden. Het voert daartoe aan dat het beslag ter verbeurdverklaring op grond van art. 33a, eerste lid onder a, Sr als gevolg van de Wet van 31 maart 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten ter verbetering van de toepassing van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (verruiming mogelijkheden voordeelontneming) alle kenmerken van een conservatoir beslag heeft gekregen.

3.2.

In zijn beschikking van 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM4095, NJ 2013/322 heeft de Hoge Raad - kort gezegd - geoordeeld dat in geval van faillissement van de beslagene wel een op de voet van art. 94a Sv gelegd conservatoir beslag vervalt, maar niet een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag.

3.3.

Die regel geldt ook na de inwerkingtreding met ingang van 1 juli 2011 van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming. De enkele omstandigheid dat sindsdien op grond van art. 33a, eerste lid onder a, Sr - naast 'door middel van het strafbare feit' verkregen voorwerpen - ook 'uit de baten van het strafbare feit' verkregen voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar zijn, brengt niet mee dat een beslag op een voorwerp met het oog op verbeurdverklaring op grond van art. 33a, eerste lid onder a, Sr uitsluitend strekt tot behoud van de verhaalspositie van de overheid als schuldeiser. Dit is anders bij een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv, nu die bepaling geen enkel verband vereist tussen een bepaald strafbaar feit en het inbeslaggenomen voorwerp.

3.4.

Het middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018.