Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:2002

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
16/03498
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:881
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:2819, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Telen en bewerken van hennep in woning (art. 3.B Opiumwet) en diefstal d.m.v. braak van elektriciteit t.b.v. hennepkwekerij (art. 311.1.5 Sr). 1. Ontvankelijkheid OM in h.b. ex art. 416.3 Sv. Bevat schriftuur OvJ ’grieven’ in de zin van art. 410.1 Sv? 2. Slagende bewijsklachten.

Ad 1. Opvatting dat onder ‘grieven’ a.b.i. art. 410.1 Sv uitsluitend kunnen worden begrepen bezwaren die zich direct richten tegen in e.a. gewezen vonnis, is onjuist. Gelet op wetgeschiedenis kunnen onder 'grieven' a.b.i. art. 410.1 Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in e.a. als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Gelet hierop getuigt ‘s Hofs oordeel dat door OvJ in schriftuur aangevoerde omstandigheid, te weten dat sprake is van verwevenheid van strafzaken tegen verdachte en tegen medeverdachte vanwege samenhang in waardering van verklaringen, duidelijk maakt wat de inzet van h.b. is en derhalve een 'grief' in de zin van art. 410.1 Sv oplevert, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

Ad 2. Aangezien bewezenverklaring, inhoudende dat verdachte opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bewerkt, en voorts elektriciteit heeft "weggenomen", niet z.m. kan worden afgeleid uit de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/03499P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2063
RvdW 2018/1212
NBSTRAF 2018/351
SR-Updates.nl 2018-0403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 16/03498

JHO/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 juli 2016, nummer 23/003290-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

2.1.

De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de schriftuur van de Officier van Justitie een grief in de zin van art. 410, eerste lid, Sv bevat. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

(i) een akte rechtsmiddel inhoudende dat de Officier van Justitie op 11 augustus 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 28 juli 2015 waarbij de verdachte was veroordeeld ten aanzien van de hem tenlastegelegde feiten;

(ii) een formulier "schriftuur hoger beroep OM ex art. 410 Sv", onder meer inhoudende:

"Parketnummer: 13/736009-13 (strafzaak en ontnemingsvordering)

(...)

Verdachte is gelijktijdig vervolgd met de verdachte [betrokkene 1] . Beiden zijn veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en diefstal van stroom. Tevens is ten aanzien van beide verdachten bepaald dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden ontnomen. Verdachten hebben ter zitting elkaar aangewezen als degene die verantwoordelijk was voor de kwekerij en die het meeste voordeel daarvan zou hebben genoten.

De rechtbank heeft het voordeel van [verdachte] geschat op

€ 3.000,- (voordeel behaald doordat hij geen huur voor het pand hoefde te betalen) en dat van [betrokkene 1] op

€ 64.957,- (opbrengst kwekerij).

[betrokkene 1] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gelet op de samenhang in deze zaken en de beschuldigingen over en weer acht ik het wenselijk de zaken in hoger beroep gelijktijdig voor te leggen aan het Gerechtshof.

(...)

Conclusie

Ik ben van mening dat deze zaken zo nauw met elkaar verweven zijn, met name gelet op het feit dat zij elkaar aanwijzen als de eigenaar van de kwekerij, dat zij gelijktijdig aan het Hof dienen te worden voorgelegd. Met conclusie, dat het Gerechtshof het vonnis vernietigt en opnieuw recht doet.

Deze schriftuur bevat alle grieven en de motivering daarvan."

2.3.

Het Hof heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:

"De advocaat-generaal heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard, omdat de schriftuur van de zijde van het Openbaar Ministerie geen grieven tegen het vonnis bevat en hij, alhoewel ook hij een redelijke grond ziet de zaken in hoger beroep gelijktijdig te behandelen, tegen het vonnis geen bezwaren heeft.

Het hof overweegt als volgt. Het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep is niet bij akte beperkt en ligt dus in beginsel ten volle aan het hof voor. In de op 24 augustus 2015 bij het hof ingekomen schriftuur hoger beroep is opgenomen dat de zaken van de verdachte en zijn medeverdachte zo nauw met elkaar zijn verweven, met name gelet op het feit dat zij elkaar aanwijzen als de eigenaar van de hennepkwekerij, dat zij gelijktijdig aan het hof dienen te worden voorgelegd. De schriftuur is afgesloten met de zinsnede dat de schriftuur alle grieven en de motivering daarvan bevat. De inhoud van de appelschriftuur moet zo worden begrepen, dat het hoger beroep is ingesteld teneinde te voorkomen dat, indien het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank komt, in beide zaken een veroordeling uitblijft. Dit moet worden aangemerkt als een grief in de zin van artikel 410, derde lid (de Hoge Raad leest: eerste lid), Wetboek van Strafvordering en het Openbaar Ministerie is mitsdien ontvankelijk in het hoger beroep."

2.4.

Voor de beoordeling van de middelen zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 410, eerste lid, Sv, zoals dit luidde ten tijde van het indienen van de schriftuur:

"De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen."

- art. 416, derde lid, Sv:

"Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

2.5.

Wetsgeschiedenis

2.5.1.

Tot de inwerkingtreding op 1 mei 1992 van de Wet van 27 november 1991, Stb. 1991, 663 houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in het bijzonder betreffende bepalingen houdende termijnen, luidde het eerste lid van art. 410 Sv, welke bepaling reeds eerder was vernummerd van art. 409 tot 410 (zie Stb. 1935, 685), als volgt:

"Binnen veertien dagen na de instelling van het hooger beroep kan de beroepende partij aan het gerechtshof een memorie indienen, houdende de middelen en gronden waarop zij haar beroep steunt. Deze memorie wordt bij de processtukken gevoegd."

2.5.2.

Bij eerstgenoemde wet is de wettekst van art. 410, eerste lid, Sv veranderd van "middelen en gronden" in "grieven". Sedertdien luidt het eerste lid van art. 410 Sv, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:

"De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen."

2.5.3.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de eerstgenoemde wet houdt onder meer het volgende in:

"Tussen de in de artikelen 410 en 447, eerste lid, gebruikte begrippen «middelen en gronden» respectievelijk «grieven» bestaat geen duidelijk onderscheid. Ik hecht eraan in dezen uniformiteit tot stand te brengen. De term «middelen en gronden» acht ik met het oog op de aan de «middelen van cassatie» door de Hoge Raad gestelde eisen verwarrend. Ik stel daarom voor ook in de tekst van artikel 410 te spreken over «grieven»."

(Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3, p. 10.)

2.5.4.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470 (Wet stroomlijnen hoger beroep) houdt onder meer het volgende in:

- de memorie van toelichting:

"Hier wordt voorgesteld de rechter meer ruimte te geven het hoger beroep voornamelijk te richten op datgene wat partijen aan de orde willen stellen. Als verdachte en openbaar ministerie tevreden zijn over bepaalde onderdelen van het vonnis in eerste aanleg, behoeft de rechter in hoger beroep aan onomstreden onderdelen in beginsel geen aandacht te besteden. Dat ligt pas anders als de beroepsrechter vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid voor een rechtvaardige uitkomst bepaalde vragen aan de orde wil stellen. Daarbij moet echter worden bedacht dat wanneer in een beperktere behandeling bepaalde elementen van het vonnis in eerste aanleg niet meer aan bod komen de kwaliteit van de rechtsgang in eerste aanleg hoogwaardig moet zijn. Een «harde» keuze tussen partijautonomie en instandhouding van de eigen bevoegdheid van de beroepsrechter om niet rechtstreeks bestreden onderdelen van het vonnis te herstellen behoeft niet te worden gemaakt wanneer de appèlfase zo wordt ingericht dat zo spoedig mogelijk duidelijkheid wordt verkregen over de proceshouding van de partijen. De rechter dient over de instrumenten te beschikken om daar flexibel op in te spelen. (...)

3.2.1

De betekenis van grieven

In het actuele strafprocesrecht zijn de contouren van een grievenstelsel in de artikelen 410 en 416 Sv zichtbaar, maar de vrijblijvendheid daarvan doet afbreuk aan de doelmatigheid. De bepalingen zijn zelfs betekenisloos in de gevallen, dat alleen de verdachte appèl instelt en ter terechtzitting in hoger beroep niet verschijnt. Ik acht het alleszins redelijk, om van degene die in appèl komt, of dat nu het openbaar ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis. Met het karakter van appèl als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. Dat is uit een oogpunt van inzet van beperkte (overheids-)middelen en mensen rationeel, aangezien daardoor dubbel en nodeloos werk wordt voorkomen."

(Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 9 en 11-12.)

2.6.

Het eerste middel berust blijkens de toelichting op de opvatting dat onder 'grieven' als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv uitsluitend kunnen worden begrepen bezwaren die zich direct richten tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis. Die opvatting is onjuist. Uit de hierboven in 2.5 weergegeven wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het begrip 'grieven' in art. 410, eerste lid, Sv in de plaats is gekomen van de uitdrukking 'middelen en gronden' zonder dat daarmee door de wetgever een verschil in betekenis werd beoogd. Dit brengt mee dat het begrip 'grieven' in art. 410, eerste lid, Sv geacht kan worden dezelfde betekenis te hebben als de uitdrukking 'middelen en gronden waarop zij haar beroep steunt' in art. 410, eerste lid (oud), Sv. Voorts kan uit de hierboven in 2.5.4 weergegeven wetsgeschiedenis worden afgeleid dat de wetgever bij het voortbouwend appel de rechter de ruimte heeft willen geven het hoger beroep voornamelijk te richten op datgene wat partijen aan de orde willen stellen. Een en ander brengt mee dat onder 'grieven' als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep kunnen vallen.

Gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de door de Officier van Justitie in de schriftuur aangevoerde omstandigheid, te weten dat sprake is van - kort gezegd - verwevenheid van de strafzaken tegen de verdachte en tegen de medeverdachte vanwege de samenhang in waardering van verklaringen, duidelijk maakt wat de inzet van het hoger beroep is en derhalve een 'grief' in de zin van art. 410, eerste lid, Sv oplevert, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

2.7.

Het eerste middel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en is dus tevergeefs voorgesteld. Dit brengt mee dat het tweede middel, dat uitgaat van die onjuiste rechtsopvatting, belang mist en geen bespreking behoeft.

2.8.

De middelen falen.

3 Beoordeling van het derde en het vierde middel

3.1.

De middelen, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking, klagen dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"feit 1:

hij in de periode 1 maart 2011 tot en met 17 november 2011 te Amsterdam Zuidoost, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt, in een pand aan [a-straat 1] , een hoeveelheid van in totaal 288 hennepplanten;

feit 2:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2011 tot en met 17 november 2011 te Amsterdam Zuidoost, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, 56.812 kHw, toebehorend aan Liander N.V., gevestigd te Lelystad, waarbij hij, verdachte, het weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door het aanbrengen van een illegale elektriciteitsaansluiting die buiten de meter om een in die woning aanwezige en in werking zijnde hennepplantage van elektriciteit voorzag."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt in de eerste plaats op de volgende bewijsmiddelen, opgenomen in het - door het Hof op de voet van art. 423, derde lid, Sv in zoverre overgenomen - vonnis van 28 juli 2015 van de Rechtbank Amsterdam:

"Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

- Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL132F-2011295914-5 van 17 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde p. 6-10).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 17 november 2011 stelden wij een onderzoek in.

Aanleiding:

Naar aanleiding van een BelM melding een onderzoek ingesteld bij perceel [a-straat 1] te Amsterdam Zuidoost. In de BelM melding stond dat er een hennepplantage aanwezig was en dat er een flinke wietlucht rond het pand hing. De eerste verdieping zou afgesloten zijn middels gordijnen en de andere verdieping schijnt redelijk normaal bewoond te worden door een jonge man van circa 26 jaar.

Op 17 november 2011 is verbalisant met een medewerker van electriciteitsbedrijf Liander een warmte meting gaan doen bij bovenstaand perceel.

Op de warmte meter was duidelijk een verhoogd warmte / kleuren beeld waarneembaar.

Betreden woning:

Nadat wij voorzien waren van een schriftelijke machtiging van de HOvJ hebben wij perceel [a-straat 1] te Amsterdam Zuidoost op 17 november 2011 betreden.

De voordeur werd geopend door een man, die later bleek te zijn genaamd: [verdachte] .

Ik zag dat er op de trap naar de woning toe kleine resten afkomstig van hennep lag. Ik zag dat er bij de deur van de woning twee vuilniszakken stonden met daarin aarde en plantenresten. Ik rook op de trap de voor mij ambtshalve bekende henneplucht.

Ik ben de woning ingegaan en ik zag een ruimte met meerdere deuren. Ik heb de deur welke zich aan mijn linkerzijde bevond geopend. Ik zag dat deze ruimte was ingericht als kweekruimte.

Onderzoek woning

Wij zagen dat de eerste verdieping van de woning was ingericht als een inwerkingzijnde hennepkwekerij.

Een plattegrond van de woning is getekend welke bij de proces-verbaal wordt gevoegd.

In ruimte A werd door ons het volgende aangetroffen:

• 215 hennepplanten in cocos

• 21 brandende assimilatielampen van 600 watt

• 1 ventilator in MDF kast van 550 watt

• 1 ventilator in MDF kast van 147 watt

• 2 ventilatoren staand model van 50 watt

• 2 koolstoffilters met een lengte van 1 meter

• 1 groepenkast / verdeelkast

In ruimte B werd door ons het volgende aangetroffen:

• 1 dompelpomp van 240 watt

• 1 dompelpomp van 280 watt

• 1 dompelpomp van 90 watt

• 1 drukspuit van 5 liter

• 14 jerrycans met voedingsmiddelen

• 1 voedingsregelaar

• 1 waterton van 300 liter

In ruimte C werd door ons het volgende aangetroffen:

• 73 hennepplanten in potten met cocos

• 6 brandende assimilatielampen van 600 watt

• 27 reserve assimilatielampen

• 1 ventilator in MDF kast van 80 watt

• 1 ventilator staand model van 45 watt

• 1 koolstoffilter van 1 meter lang

• 1 kweektent van 2 meter bij 4 meter

• 1 dompelpomp van 90 watt

In ruimte D werd door ons het volgende aangetroffen:

• 1 ventilator in MDF kast

• 3 jerrycans met voedingsmiddelen

• 1 buisventilator

• Diverse afvalzakken met plantenresten

• 1 knipschaar

Wij zagen dat de woning was voorzien van een inwerking zijnde ventilatiesysteem welke was voorzien van gebruikte koolstoffilters. De ramen van kweekruimte A waren afgeplakt met zeil en gordijnen. In kweekruimte B stond een kweektent. Tevens waren de ramen afgeplakt met zeil. Tevens zagen wij dat in de kweekruimtes waar de hennepplanten werden gekweekt, de planten belicht werden met behulp van kunstlicht.

Onderzoek diefstal stroom door Liander:

Op verzoek van verbalisanten is er 17 november 2011 een onderzoek ingesteld door een fraudespecialist van elektriciteitsbedrijf Liander aan de elektriciteitsmeter. Door hem werd geconstateerd dat de stroom via bekabeling buiten de registratie van de elektriciteitsmeter om was aangelegd. Dit betekent dat de elektriciteit op illegale wijze werd verkregen.

Tevens deelde hij ons mede dat de zegel van de elektriciteitsmeter verbroken is geweest maar dat er nieuwe zegels op zaten welke middels een waterpomptang was vastgemaakt. De fraudespecialist deelde ons mede dat er vermoedelijk drie eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Dit vermoeden baseerde hij op de vervuiling en het aanwezige stof en spinnenragen op de kappen van de assimilatielampen in beide kweekruimtes. Ook waren er in ruimte D meerdere kartonnen dozen aanwezig met vetvlekken. In deze dozen zijn de toppen van eerdere oogsten vervoerd. In ruimte D lag tevens een knipschaar welke rook naar hennep en er zaten oude hennepresten aan. Tevens lag er in ruimte D gebruikt materiaal waaronder vuile piepschuimplaten.

- Een geschrift, te weten een aangifte van Liander N.V. van 23 november 2011, in ontvangst genomen d.d. 1 december 2011 door verbalisant [verbalisant 2] (proces-verbaalnr. 2011295914) (doorgenummerde p. 59-61).

Dit geschrift houdt onder meer in, als verklaring van [betrokkene 2] , administratief medewerker bij Liander, zakelijk weergegeven:

Liander N.V. transporteert en distribueert energie naar de contractant van bovengenoemd perceel ( [a-straat 1] te Amsterdam). Liander heeft vanaf 2 december 2006 met [betrokkene 1] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel.

Op verzoek van Liander is in samenwerking met de politie te Amsterdam op 17 november 2011 door een fraudespecialist van Liander een onderzoek ingesteld naar de aansluiting, waaronder de meetinrichting die eigendom is van Liander en die zich bevindt in bovengenoemd perceel.

De fraudespecialist constateerde op 17 november 2011 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:

De eerdergenoemde fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluiting waren verbroken. Hij zag namelijk dat alle door Liander aangebrachte zegels waren verbroken. Na het verwijderen van het deksel van de huisaansluitkast zag hij dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. De eerdergenoemde fraudespecialist zag dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was. Contractueel hoort er 1 x 35A in te zitten. Hij zag dat er nu hoofdzekeringen met een waarde van 3 x 35A geplaats waren. Door voorstaande werd schade en hinder veroorzaakt aan Liander, omdat de juiste tarievenregeling niet kon worden toegepast. Voorts was het gelijktijdige af te nemen vermogen van de getransporteerde elektriciteit niet meer in overeenstemming met de installatie.

Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.

Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel in ieder geval in de periode van maart 2011 tot 17 november 2011. Dit betekent dat er in deze periode vermoedelijk sprake is geweest van tenminste drie eerdere oogsten.

Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Liander ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 56.812 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

- Een verslag d.d. 24 november 2011, laboratoriumnummer 1504N11 van dr. P. Hommerson, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] (doorgenummerde p. 106).

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

6 bovengrondse plantendelen, 5,5 g is hennep.

- Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL132E-2011295914-7 van 17 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde p. 25-31).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik verblijf op de [a-straat 1] te Amsterdam. Ik verblijf daar nu ongeveer een jaar. Ik woon daar alleen. De woning wordt gehuurd door mijn stiefvader, [betrokkene 1] .

- Wie is de eigenaar van de kwekerij?

Dat is mijn stiefvader genaamd [betrokkene 1] . Verder kwamen er wel eens mensen langs. Deze waren voor mij onbekend.

- Hoeveel planten stonden er?

Er waren twee slaapkamers op de eerste verdieping met hennep planten. Ik vermoed tussen de 200 en 300 hennep planten.

- Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL132E-2011295914-17 van 18 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde p. 41-43).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik wil nog zeggen dat ik wel wist van de hennep plantage. Ik heb wel eens geholpen met klusjes aan de hennep plantage. Ik heb namelijk wel eens geknipt en gepompt. Het knippen was samen met een bekende van mijn stiefvader.

Toen ik ongeveer een jaar geleden in de woning kwam zag ik dat alle spullen al in huis waren om de hennep plantage op te bouwen. Ik heb gezien dat de hennep plantage werd opgebouwd. Mijn stiefvader kwam regelmatig langs de woning waar ik woon. Mijn stiefvader kwam dan voor de post. Verder heb ik een aantal keren gezien dat mijn stiefvader naar de hennep ging kijken. Hij ging dan even kijken of het er allemaal goed uit zag.

- De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2015 heeft afgelegd, inhoudende onder meer, zakelijk weergegeven:

Ik heb klusjes gedaan, zoals het knippen van de hennep, op verzoek van [betrokkene 1] . Het was een soort tegenprestatie voor het feit dat ik gratis in de woning mocht wonen. Ik heb ook gezien dat [betrokkene 1] zelf met de hennepplantage in de weer was."

3.2.3.

Voorts steunt deze bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL135J 2011295914-27 van 29 november 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina's 82-84).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Gepleegd feit: vervaardigen softdrugs.

In verband met bovenvermeld feit werd door mij een dactyloscopisch onderzoek ingesteld aan objecten, verlichting (assimilatielampen kap) en zes stukken tape.

Bij dit onderzoek heb ik in totaal twee dactyloscopisch sporen aangetroffen, veiliggesteld en gewaarmerkt. Omschrijving van de in beslag genomen sporen:

Dacty spoor: 11898, SIN: AADC2953NL, plaats van veiligstellen: op stuk uitgeknipte aluminium lampenkap.

Dacty spoor: 11901, SIN: AADC2948NL, plaats van veiligstellen: begin van een stuk tape.

2. Een rapport (ongedateerd) met HAVANK-nummer 04021211000100000 van Dienst IPOL FI-d dactyloscopie, Korps landelijke politiediensten, opgemaakt door [verbalisant 5] .

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven (doorgenummerde pagina's 86-87):

In de zaak met HAVANK-nummer 04021211000100000, SIN AADC2948NL is met behulp van het geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem geanalyseerd en op onderscheidende kenmerken gecodeerd. Op basis van deze analyse heeft het geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem met behulp van een vergelijkingsalgoritme de meest gelijkende vingerafdrukken geselecteerd.

Dit heeft geleid tot de gedragen conclusie dat het spoor geïdentificeerd is op een afdruk voorkomend op het vingerafdrukkenblad ten name van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979.

De identificatie betekent dat het spoor identiek is aan de afdruk van de geïdentificeerd. Dit leidt tot de conclusie dat alleen de geïdentificeerde de donor van het spoor kan zijn.

3. Een rapport (ongedateerd) met HAVANK-nummer 04021211000100100 van Dienst IPOL FI-d dactyloscopie, Korps landelijke politiediensten, opgemaakt door [verbalisant 5] .

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven (doorgenummerde pagina's 88-89):

In de zaak met HAVANK-nummer 04021211000100100, SIN AADC2953NL is met behulp van het geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem geanalyseerd en op onderscheidende kenmerken gecodeerd. Op basis van deze analyse heeft het geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem met behulp van een vergelijkingsalgoritme de meest gelijkende vingerafdrukken geselecteerd.

Dit heeft geleid tot de gedragen conclusie dat het spoor geïdentificeerd is op een afdruk ten name van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979.

De identificatie betekent dat het spoor identiek is aan de afdruk van de geïdentificeerd. Dit leidt tot de conclusie dat alleen de geïdentificeerde de donor van het spoor kan zijn."

3.2.4.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Na een anonieme melding, waarin is aangegeven dat een flinke wietlucht rond het pand [a-straat 1] te Amsterdam Zuidoost hing, en de waarneming van een warmtebron bij hetzelfde pand zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het pand binnengetreden. Op de trap roken zij niet alleen de hen bekende henneplucht, maar zagen zij ook hennepresten. Bij de deur van de woning stonden twee vuilniszakken met daarin aarde en plantenresten. Op de eerste verdieping werd vervolgens een in werking zijnde hennepkwekerij, verdeeld over twee afgesloten ruimtes, aangetroffen. De verdachte was tijdens het binnentreden in het pand aanwezig. Hij heeft bij de politie verklaard dat zijn stiefvader, de medeverdachte [betrokkene 1] , het pand huurde en dat [betrokkene 1] hem ongeveer een jaar om niet in de woning heeft laten verblijven.

In de hennepkwekerij zijn sporen veiliggesteld, in beslag genomen en onderzocht. Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat vingerafdrukken van de verdachte zijn aangetroffen op een van de assimilatielampen die boven de planten hingen, alsmede op een stuk tape op een doos met daarin piepschuim platen.

Op basis van de in de woning aangetroffen witte, op kalk gelijkende aanslag op het grondzeil en de irrigatiebuizen, stofaanslag op de deursponningen, hennepaanslag op de deurposten, hennepschaartjes en verlichtingsschakelaars, en (zeer) vervuilde koolstoffilters meldt Liander in de aangifte dat er vermoedelijk sprake is geweest van tenminste drie eerdere oogsten.

[betrokkene 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij het pand sinds ongeveer vijf jaren huurde, maar dat hij voornamelijk in de woning van zijn (thans ex-)partner in Almere verbleef. Ongeveer tweemaal per maand kwam hij in de woning in Amsterdam Zuidoost. Wanneer hij enkel de post kwam halen, zoals het geval was een dag voor de ontmanteling van de kwekerij, bleef hij op de begane grond. Hij ging wel eens naar het toilet op de eerste verdieping, maar meestal liep hij naar het woongedeelte op de tweede verdieping. Hij heeft tot slot verklaard niets af te weten van de hennepkwekerij en nooit een wietlucht in de woning te hebben geroken.

De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd. Op 17 november 2011 heeft hij bij de politie verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat zich in de woning een hennepkwekerij bevond, dat deze kwekerij van zijn stiefvader was en dat hij de planten niet heeft verzorgd. Tijdens het verhoor op 18 november 2011 heeft hij verklaard dat hij wel eens heeft geholpen: hij heeft wel eens gepompt en samen met een ander geknipt, en af en toe heeft hij wat geld van [betrokkene 1] ontvangen. Voorts heeft hij verklaard dat de kwekerij nog niet was opgebouwd op het moment dat hij de woning betrok, maar dat alle spullen er al wel stonden, dat er zeker eenmaal is geoogst en dat het voor hem duidelijk was dat de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat er naar zijn idee tweemaal is geoogst.

Gelet op de aangetroffen situatie ter plaatse, bovengenoemde verklaringen van [betrokkene 1] en de omstandigheid dat vingerafdrukken van de verdachte op twee verschillende plaatsen in de hennepkwekerij zijn aangetroffen, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, zijn de verklaringen van de verdachte, die erop neerkomen dat hij slechts zijdelings bij de kwekerij betrokken is geweest, niet geloofwaardig. Het hof gaat ervan uit dat hij degene is geweest die de kwekerij heeft ingericht of doen inrichten, de hennep heeft geteeld en de elektriciteit heeft gestolen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

Nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat de verdachte de feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zal hij van het ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken."

3.3.

Aangezien de bewezenverklaring, inhoudende dat de verdachte opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bewerkt, en voorts elektriciteit heeft "weggenomen", niet zonder meer kan worden afgeleid uit de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4.

Beide middelen zijn terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018.