Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1999

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
17/01792
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:618, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Staatsrecht. Staatsregeling van Curaçao. Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao. Bevoegdheid Rekenkamer tot onderzoek bij vennootschap waarvan meerderheid aandelen wordt gehouden door het Land. Verschil tussen rekenplicht en informatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1962
RvdW 2018/1159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 oktober 2018

Eerste Kamer

17/01792

EE/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

HET LAND CURAÇAO,
zetelende te Curaçao,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering,

t e g e n

UNITED TELECOMMUNICATIONS SERVICES N.V.,
gevestigd te Curaçao,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. D. Rijpma en C.J. Seinen, thans mr. D. Rijpma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als het Land en UTS.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak AR 75669/2015 van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 21 maart 2016;

b. het vonnis in de zaak AR 75669/15 - H 225/16 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 10 januari 2017.

Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof heeft het Land beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

UTS heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor UTS toegelicht door haar advocaat en mede door mr. R.L. Bakels.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van het Land heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Het gaat in deze zaak om de reikwijdte van de onderzoeksbevoegdheden van de Algemene Rekenkamer van Curaçao (hierna: de Rekenkamer). Aanleiding voor het geschil is een verzoek van de Staten van Curaçao aan de Rekenkamer om onderzoek te doen naar het beleid van UTS. De aandelen in UTS zijn voor het grootste deel in handen van het Land. UTS verzet zich tegen dit onderzoek omdat een dergelijk onderzoek volgens haar buiten de wettelijke taak en bevoegdheid van de Rekenkamer valt. Het gerecht in eerste aanleg heeft de hierop gerichte vorderingen van UTS toegewezen. Die beslissing is door het hof bekrachtigd.

3.1.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) UTS is een naamloze vennootschap die actief is op het gebied van telecommunicatiediensten. Het Land houdt 87,5% van de geplaatste aandelen in het kapitaal van UTS.
De overige 12,5% van de aandelen wordt gehouden door het Land Sint Maarten.

(ii) Op 9 december 2014 hebben de Staten van Curaçao een motie aangenomen waarin aan de Rekenkamer wordt verzocht een diepgaand onderzoek te doen naar het gevoerde beleid van UTS en haar dochterondernemingen vanaf het jaar 2010.

(iii) Bij brief van 9 januari 2015 heeft de ondervoorzitter van de Staten aan de voorzitter van de Rekenkamer het volgende bericht:

“In de media zijn herhaaldelijk verschillende negatieve berichten naar buiten gekomen over het functioneren van de United Telecommunication Services (UTS) en haar dochterondernemingen. Deze zijn aanleiding geweest om een motie in de Staten aan de orde te stellen om de Algemene Rekenkamer Curaçao een diepgaand onderzoek te laten instellen naar het gevoerde beleid van de UTS en haar dochterondernemingen, vanaf het jaar 2010. Thans bieden de Staten u een afschrift aan van de motie welke unaniem is aangenomen in hun openbare vergadering van 9 december 2014. Tevens wensen de Staten op korte termijn van u te vernemen wanneer het onderzoek kan worden aangevangen.”

(iv) Bij brief van 1 april 2015 heeft de secretaris van de Rekenkamer aan de voorzitter van de raad van commissarissen van UTS onder meer het volgende bericht:

“De Rekenkamer heeft besloten gevolg te geven aan de motie en zal een onderzoek gaan starten naar het gevoerde beleid door het bestuur, de Raad van Commissarissen en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van UTS N.V. en haar dochterondernemingen. De centrale vraag van het onderzoek luidt:

Is het beleid van het bestuur, de Raad van Commissarissen en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van UTS N.V. inclusief de daaronder vallende dochterondernemingen vanaf 2010 rechtmatig, transparant en doelmatig geweest?

Met dit onderzoek wil de Rekenkamer de volgende vragen beantwoorden:

a. Rechtmatigheid

Hebben het bestuur, de RVC en de AVA gehandeld in overeenstemming met wet- en regelgeving (waaronder de Code of Corporate Governance, het bestuursreglement, het reglement voor de RVC en interne procedures en richtlijnen)?

b. Transparantie

Hebben het bestuur, de RVC en de AVA verantwoording afgelegd over hun handelen en heeft dat geleid tot informatie voor belanghebbenden?

c. Doelmatigheid

Is het bestuur zorgvuldig omgegaan met de ter beschikking staande middelen?”

3.1.3

De Staatsregeling van Curaçao (hierna: Streg) bevat de volgende bepalingen die in deze zaak van belang zijn.

Art. 68:

1. Er is een Algemene Rekenkamer.

2. De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Land.

Art. 70:

1. Bij landsverordening worden de inrichting, de samenstelling en de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer geregeld.

2. Bij landsverordening kunnen aan de Algemene Rekenkamer andere dan in dit hoofdstuk genoemde taken worden opgedragen.

3.1.4

De in art. 70 Streg bedoelde landsverordening is de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao (hierna: Lv ARC). Daarvan zijn in deze zaak onder meer de volgende bepalingen van belang.

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Art. 1:

De controle op het geldelijk en materieel beheer in de ruimste zin geschiedt – ongeacht welke vorm aan dat beheer is gegeven – voor het Land Curaçao door de Algemene Rekenkamer.

Hoofdstuk III. Rechtmatigheidsonderzoek

Art. 19:

Alle personen die gelden, geldswaarden of goederen aan het Land toebehorend, dan wel [in]gelden in 's landskas gedeponeerd onder zich hebben of die het beheer voeren over tot ‘s landskas behorende geldmiddelen, zijn rekenplichtig aan de Algemene Rekenkamer.

Art. 22:

1. De Algemene Rekenkamer onderzoekt:

a. het door de Ministers gevoerde financiële beheer en de jaarlijkse financiële verantwoording daarover;

b. de administraties die ten behoeve van dat beheer en die verantwoordingen worden gevoerd.

(…)

Art. 25:

1. De Algemene Rekenkamer is bevoegd voor zover zij zulks nodig acht voor het uitoefenen van haar taak door één of meer van haar leden of plaatsvervangende leden, door haar secretaris of door haar personeel, desgewenst met medewerking van door haar aangewezen deskundigen, bij alle Ministeries van het Land informatie op door haar aan te geven wijze te vorderen. (…) Zij is tevens bevoegd om aanvullende informatie te vorderen.

2. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid geldt zowel ten aanzien van alle rekenplichtigen als bedoeld in artikel 19 als ten aanzien van de instellingen en rechtspersonen, bedoeld in artikel 41.

(…)

Hoofdstuk IV. Doelmatigheidsonderzoek

Art. 29

1. De Algemene Rekenkamer wijdt aandacht aan de doelmatigheid van het beheer van gelden en goederen, de organisatie en de functionering van de diensten van het Land.

2. De ministers stellen de Algemene Rekenkamer tijdig op de hoogte van de doelmatigheidsonderzoeken die zij doen instellen en van de resultaten daarvan.

3. De artikelen 24 en 25 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk V. Overige taken en bevoegdheden

Art. 30

1. De Staten kunnen de Algemene Rekenkamer verzoeken om bepaalde onderzoeken in te stellen, voor zover de aard van de werkzaamheden van de Algemene Rekenkamer dit toelaat.

2. Indien de Algemene Rekenkamer voldoet aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, vermeldt zij haar bevindingen en haar oordeel als resultaat van het onderzoek in een rapport, alsmede in het in artikel 37 bedoelde verslag.

Art. 35

Indien de zorg voor de administratie aan een derde wordt uitbesteed, is de Algemene Rekenkamer bevoegd mede aan de hand van de administratie van de betrokken derde dan wel bij degene die de administratie in opdracht van die derde voert een onderzoek in te stellen, waarbij het bepaalde in artikel 25, eerste en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing is.

Art. 41

1. Alle instellingen en rechtspersonen, in het genot van subsidie ten laste van het Land of het beheer voerend over gelden of goederen, vanwege het Land verstrekt, doen aan de Algemene Rekenkamer periodieke overzichten van het gehele geldelijk beheer en van de vermogenstoestand, zodra deze ter beschikking zijn, toekomen. Andere ter zake van beheer of de organisatie uitgebrachte rapporten, memoranda, en eventueel andere stukken welke voor de beoordeling van het functioneren der vorenbedoelde lichamen van belang zijn, worden op eerste vordering van de Algemene Rekenkamer overgelegd.

2. Dezelfde verplichting bestaat eveneens voor instellingen en rechtspersonen, bij het beheer waarvan het geldelijk belang van het Land rechtstreeks of zijdelings is betrokken.

(…)

3.2

Het hof heeft aan zijn hiervoor in 3.1.1 genoemde beslissing onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

Mede gelet op het ingrijpende karakter van de door het Land gepretendeerde bevoegdheid van de Rekenkamer om bij UTS het onderzoek zoals aangekondigd in te stellen, komt aan het in art. 70 Streg tot uitdrukking gebrachte legaliteitsbeginsel ten aanzien van de bevoegdheden van de Rekenkamer een bijzonder gewicht toe, in die zin dat het bestaan van de bevoegdheid niet kan worden aangenomen, voor zover die bevoegdheid niet voldoende duidelijk blijkt uit de tekst van de Lv ARC. (rov. 2.7)

Het is van principieel belang om het onderscheid tussen de private en publieke sector voor ogen te houden. Wat betreft de private sector dient de eigen sfeer te worden gerespecteerd, dat wil zeggen de zelfstandigheid en het private karakter van instellingen die in de private sector werkzaam zijn. In de publieke sector wordt met collectieve gelden gewerkt en moet de parlementair-democratische controle op de besteding van deze gelden altijd mogelijk zijn. Aangenomen moet worden dat ook in Curaçao het systeem van de comptabiliteitswetgeving tot op zekere hoogte is gebaseerd op de scheiding van uitgaven van publieke en private aard.

De (toegenomen) verwevenheid tussen de beide sectoren kan de wetgever echter ertoe hebben doen besluiten bepaalde categorieën, die strikt genomen niet tot de publieke sector behoren, toch tot die sector te rekenen, indien en voor zover deze enigerlei financiële relatie met het Land hebben in de zin van subsidie, deelneming, garantie of heffing. (rov. 2.9)

Art. 1 Lv ARC biedt een onvoldoende concrete grondslag om de gepretendeerde bevoegdheid erop te kunnen baseren. (rov. 2.11)

De vraag is of een naamloze vennootschap als rekenplichtige in de zin van art. 19 Lv ARC kan worden aangemerkt en, zo ja, onder welke voorwaarden. Het ligt niet voor de hand om aan te nemen dat in alle gevallen waarin het Land aandeelhouder is van een naamloze vennootschap, de naamloze vennootschap reeds op die grond rekenplichtige is, met als gevolg dat het Land in alle gevallen een grotere controlebevoegdheid zou hebben dan de andere aandeelhouders. Een naamloze vennootschap heeft immers een eigen vermogen dat afgescheiden is van het vermogen van de aandeelhouders. Een naamloze vennootschap kan dan ook niet als rekenplichtige in de zin van art. 19 Lv ARC worden aangemerkt op de enkele grond dat het Land aandeelhouder van haar is. Ook is niet voldoende dat het Land meerderheidsaandeelhouder is, zoals in dit geval.
Dat maakt immers nog niet dat gezegd kan worden dat de vennootschap gelden, geldswaarden of goederen onder zich heeft die aan het Land toebehoren, of dat zij gelden onder zich heeft die in 's Lands kas zijn gedeponeerd, of dat zij het beheer voert over geldmiddelen die tot 's Lands kas behoren. (rov. 2.12)

Het voorgaande wil niet zeggen dat een naamloze vennootschap nooit als rekenplichtige in de zin van art. 19 Lv ARC zou kunnen worden aangemerkt. Het is mogelijk dat de aard van de feitelijke activiteiten van een naamloze vennootschap meebrengt dat gezegd moet worden zij het beheer voert over publieke middelen. Daarbij kan ook de statutaire doelstelling van de naamloze vennootschap van belang zijn. Het Land heeft aangevoerd dat zij niet alleen meerderheidsaandeelhouder van UTS is, maar ook dat alle aandelen in UTS in handen van een overheid zijn, en dat in de kern sprake is van behartiging van het publieke belang dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van een complete telecommunicatie-infrastructuur in Curaçao gewaarborgd is. In het licht van de eigen stelling van het Land dat op de Curaçaose telecommunicatiemarkt sinds geruime tijd sprake is van een situatie van vrije concurrentie (en het feit van algemene bekendheid in Curaçao dat UTS in Curaçao inderdaad concurrentie ondervindt van andere bedrijven), en van de onbetwiste stelling van UTS dat zij een commercieel bedrijf met winstoogmerk is, is hetgeen het Land heeft aangevoerd echter onvoldoende om uit de aard van de feitelijke activiteiten van UTS of haar statutaire doelstelling te kunnen afleiden dat zij het beheer voert over publieke middelen en uit dien hoofde als rekenplichtige in de zin van art. 19 Lv ARC moet worden aangemerkt. (rov. 2.13)

Ook art. 22 Lv ARC biedt onvoldoende grondslag om de gepretendeerde bevoegdheid op te kunnen baseren. Het door UTS gevoerde financiële beheer kan immers niet worden gelijkgesteld aan het door de ministers gevoerde financiële beheer. UTS legt ook niet jaarlijkse financiële verantwoording af over het door enige minister gevoerde financiële beheer en zij voert ten behoeve van dat beheer en die verantwoordingen ook geen administraties. (rov. 2.14)

Aangenomen moet worden dat art. 29 Lv ARC beoogt te regelen dat de Rekenkamer de in art. 22 Lv ARC omschreven onderzoeksobjecten niet alleen dient te onderwerpen aan een rechtmatigheidsonderzoek, maar ook aan een doelmatigheidsonderzoek. Anders gezegd: art. 29 Lv ARC kent aan de Rekenkamer niet de bevoegdheid toe andere onderzoeksobjecten aan een onderzoek te onderwerpen dan in art. 22 Lv ARC zijn genoemd. (rov. 2.16)

Ook art. 30 Lv ARC biedt onvoldoende grondslag om de gepretendeerde bevoegdheid op te kunnen baseren. De in die bepaling voorkomende zinsnede “voor zover de aard van de werkzaamheden van de Algemene Rekenkamer dit toelaat” moet aldus worden uitgelegd dat art. 30 Lv ARC geen zelfstandige bevoegdheden aan de Rekenkamer toekent. Anders gezegd: indien de Staten aan de Rekenkamer verzoeken om een onderzoek te doen, vloeien uit dat verzoek geen aanvullende bevoegdheden voor de Rekenkamer voort. Een ruimere uitleg zou ook strijd opleveren met de eerder door het hof genoemde uitgangspunten (met betrekking tot het legaliteitsbeginsel en het onderscheid tussen de private en de publieke sector). (rov. 2.18)

De art. 25 en 41 Lv ARC dragen de Rekenkamer geen aanvullende taken op. De in die bepalingen aan de Rekenkamer toegekende bevoegdheden bevatten geen verwijzing naar een bepaalde taak van de Rekenkamer. Daarom moet worden aangenomen dat de Rekenkamer deze bevoegdheden slechts kan uitoefenen ter vervulling van de haar bij art. 68 lid 2 Streg opgedragen taak: het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Land. (rov. 2.22)

Indien het de Staten niet erom te doen is zelf toezicht te houden op UTS, maar zij het door de Rekenkamer uit te voeren onderzoek slechts willen gebruiken in het kader van hun taak om controle op de regering uit te oefenen, meer in het bijzonder op de minister in wiens portefeuille de taak valt om namens het Land de aan het aandeelhouderschap van UTS verbonden rechten uit te oefenen, dan komt dat niet duidelijk tot uitdrukking in de motie. Ook de brief van 1 april 2015 van de secretaris van de Rekenkamer maakt onvoldoende duidelijk dat het aangekondigde onderzoek aldus zal worden beperkt.
(rov. 2.23)

3.3

Onderdeel 2 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 2.9. Het klaagt dat het hof geen rekening heeft gehouden met de bedoeling van de wetgever om te voorzien in een integrale controle op het beheer van de overheidsfinanciën van het Land “in de ruimste zin”, dat wil zeggen “ongeacht of dit beheer in publieke- of privaatrechtelijke organisaties geschiedt”. Daarmee heeft het hof miskend dat de controle van de Rekenkamer zich zowel over de publieke als de private sector uitstrekt. Het onderdeel verwijst hierbij naar de art. 25, 35 en 41 Lv ARC.

3.4.1

Op grond van art. 68 lid 2 Streg is de Rekenkamer belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Land. Art. 70 lid 1 Streg bepaalt dat de inrichting, de samenstelling en de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer bij landsverordening worden geregeld. Dit is gebeurd bij de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao (de Lv ARC). Art. 1 Lv ARC bepaalt dat de controle op het geldelijk en materieel beheer in de ruimste zin geschiedt – ongeacht welke vorm aan dat beheer is gegeven – door de Rekenkamer. De taak van de Rekenkamer kan daarmee kort worden weergegeven als controle op het beheer van de publieke middelen.

3.4.2

De landsverordening onderscheidt rekenplichtigen en informatieplichtigen. Rekenplichtig zijn op grond van art. 19 Lv ARC alle personen die, kort gezegd, middelen of goederen van het Land onder zich hebben of daarover het beheer voeren. Informatieplichtigen zijn op grond van
art. 25 lid 2 Lv ARC de in art. 19 Lv ARC genoemde personen, alsmede de instellingen en rechtspersonen genoemd in art. 41 Lv ARC, dus instellingen en rechtspersonen die in het genot zijn van subsidie ten laste van het Land of die het beheer voeren over gelden of goederen vanwege het Land verstrekt (art. 41 lid 1 Lv ARC), en instellingen en rechtspersonen bij het beheer waarvan het geldelijk belang van het Land rechtstreeks of zijdelings is betrokken (art. 41 lid 2 Lv ARC).

3.4.3

Het hiervoor in 3.4.2 genoemde onderscheid kan in belangrijke mate worden herleid tot het verschil tussen hetgeen kan worden aangeduid als de publieke en de private sector. De in art. 19 Lv ARC genoemde personen kunnen worden gerekend tot de publieke sector. De instellingen en rechtspersonen die niet onder de omschrijving van art. 19 Lv ARC vallen, maar wel onder die van art. 41 lid 1 of lid 2 Lv ARC, kunnen worden gerekend tot de private sector. Laatstgenoemden hebben, kort gezegd, geen middelen of goederen die aan het Land toebehoren, onder zich en hebben daarover ook niet het beheer. Zij hebben slechts subsidie ontvangen of beheren, op een andere wijze dan bedoeld in art. 19 Lv ARC, gelden of goederen die vanwege het Land zijn verstrekt, of het geldelijk belang van het Land is rechtstreeks of zijdelings bij hun beheer betrokken.

3.4.4

Dat op laatstgenoemde instellingen en rechtspersonen slechts een informatieplicht rust en niet een rekenplicht, valt daarop terug te voeren dat zij weliswaar gebruik maken van of in stand worden gehouden door publieke middelen, maar dat zij anders dan rekenplichtigen, geen beheer voeren over publieke middelen. Anders dan rekenplichtigen behoeven zij van de aanwending van die middelen geen verantwoording af te leggen, maar uitsluitend daarover informatie te verschaffen, opdat de Rekenkamer haar hiervoor in 3.4.1 genoemde taak met betrekking tot het beheer van de publieke middelen naar behoren kan vervullen.

3.4.5

Uit het vorenstaande volgt dat de bevoegdheden van de Rekenkamer jegens informatieplichtigen beperkt zijn tot het verkrijgen en onderzoeken van de hiervoor de hiervoor in 3.4.4 genoemde informatie, zoals nader omschreven in de art. 25 en 41 Lv ARC. De Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao kent de Rekenkamer immers geen andere bevoegdheden jegens informatieplichtigen toe dan deze.

3.4.6

Het vorenstaande is niet in tegenspraak met de door het onderdeel ingeroepen bedoeling van de wetgever om met de landsverordening te voorzien in een integrale controle op het beheer van de overheidsfinanciën van het Land “in de ruimste zin”, dat wil zeggen “ongeacht of dit beheer in publieke- of privaatrechtelijke organisaties geschiedt” (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5). Zoals uit het vorenstaande volgt, is immers van beheer van de overheidsfinanciën van het Land (publieke middelen) bij de buiten art. 19 Lv ARC vallende informatieplichtigen geen sprake.

3.5.1

Het hof heeft geoordeeld dat UTS niet kan worden aangemerkt als rekenplichtige in de zin van art. 19 Lv ARC. Daartoe heeft het overwogen, kort gezegd, dat UTS een naamloze vennootschap is, met een eigen vermogen, en dat niet blijkt dat UTS het beheer voert over publieke middelen. Het hof heeft voorts overwogen dat aan dit oordeel niet afdoet dat bij aandeelhouderschap van het Land in UTS sprake is van behartiging van het publieke belang dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van een complete telecommunicatie-infrastructuur in Curaçao gewaarborgd is. Deze overwegingen en dit oordeel (rov. 2.12 en 2.13) zijn in cassatie (terecht) niet bestreden.

3.5.2

Het hof heeft geoordeeld (in rov. 2.20) dat UTS wel kan worden aangemerkt als een rechtspersoon als bedoeld in art. 41 lid 2 Lv ACR en dat zij dus wel een inlichtingenplichtige is als bedoeld in art. 25 lid 2 Lv ARC.

3.5.3

Gelet op het hiervoor overwogene, heeft het hof terecht geoordeeld dat de bevoegdheden van de Rekenkamer jegens UTS beperkt zijn tot hetgeen hiervoor in 3.4.4 en 3.4.5 is vermeld, in dit geval dus hetgeen de uitoefening van de aandeelhoudersrechten door het Land betreft (vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 2.20 en 2.23), en dat derhalve een onderzoek naar het beleid van UTS zoals door de Staten gewenst, door de bepalingen van de landsverordening niet mogelijk wordt gemaakt. Het onderdeel is dus ongegrond.

3.6.1

Onderdeel 3 is gericht tegen de door het hof aan art. 30 Lv ARC gegeven uitleg. Volgens het Land biedt dit artikel wel voldoende grondslag voor de bevoegdheid van de Rekenkamer om het onderzoek te verrichten dat door de Staten is verzocht.

3.6.2

Ook dit onderdeel is ongegrond. Het hof heeft terecht geoordeeld dat art. 30 Lv ARC geen zelfstandige bevoegdheden aan de Rekenkamer toekent en dat de Rekenkamer aan die bepaling dus niet een bevoegdheid kan ontlenen die haar elders in de verordening niet is verleend.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt het Land in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van UTS begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien het Land deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 19 oktober 2018.