Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1975

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
17/03686
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:706, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Arbeidsrecht. Aansprakelijkheid werkgever voor arbeidsgerelateerd verkeersongeval (art. 7:611 BW). Gebondenheid rechter in schadestaatprocedure (art. 612 Rv) aan in hoofdprocedure vastgestelde grondslag voor aansprakelijkheid. Uitleg arrest in hoofdprocedure, in het licht van de toenmalige rechtspraak over werkgeversaansprakelijheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1180
PS-Updates.nl 2018-0841
NJB 2018/1964
RvdW 2018/1165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 oktober 2018

Eerste Kamer

17/03686

LZ/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen,

t e g e n

[verweerster] , voorheen Astrum Automotive B.V.,
gevestigd te [plaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak 326437\CV EXPL 11-4772 van de kantonrechter te Roermond van 29 februari 2012 en 23 mei 2012;

b. het vonnis in de zaak 117575/HA ZA 12-248 van de rechtbank Limburg van 16 januari 2013;

c. de arresten in de zaken HD 200.108.360/01 en HD 200.123.595/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 september 2013, 15 april 2014, 10 februari 2015, 1 september 2015, 9 februari 2016, 9 mei 2017 en 18 juli 2017.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof, met uitzondering van het arrest van 18 juli 2017, heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [eiser] mede door mr. J. Ramaker.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van de op 10 september 2013, 15 april 2014, 10 februari 2015, 1 september 2015, 9 februari 2016 en 9 mei 2017 gewezen tussenarresten en tot verwijzing.

De advocaat van [verweerster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) Op 22 juli 1998 is [eiser] betrokken geraakt bij een ernstig auto-ongeval.

(ii) [eiser] was op dat moment op weg naar zijn werk met een zogenoemde autoambulance, die eigendom was van zijn werkgever Autoster, een rechtsvoorganger van [verweerster] . [eiser] vervulde de ‘nooddienst’, waarbij hij dag en nacht telefonisch bereikbaar moest zijn en in geval van een oproep zich zo spoedig mogelijk met de autoambulance naar de plaats van inzet moest begeven.

(iii) [eiser] is bij het ongeval ernstig gewond geraakt met blijvende invaliditeit als gevolg.

(iv) Autoster had ten behoeve van de autoambulance een inzittendenverzekering afgesloten bij Bovemij Verzekeringen. De maximaal verzekerde som bedroeg € 2.269,--. Daarnaast had Autoster een ongevallenverzekering afgesloten waarvan de verzekerde som bij invaliditeit ƒ 67.000,-- (€ 27.227,--) bedroeg.
In 2001 is een bedrag van € 27.227,-- aan [eiser] uitgekeerd.

( v) [eiser] heeft van Autoster vergoeding gevorderd van de door hem naar aanleiding van het ongeval geleden schade (hierna: de hoofdprocedure). [eiser] heeft zich daarbij primair beroepen op schending van de zorgplicht door Autoster op grond van art. 7:658 BW en subsidiair op de verplichting van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW. Nadat de kantonrechter deze vordering had afgewezen, heeft het hof haar bij arrest van 17 april 2007 alsnog op de subsidiaire grondslag toegewezen. Het hof heeft Autoster veroordeeld tot betaling van de door [eiser] naar aanleiding van het ongeval geleden schade, nader op te maken bij staat. Het hof heeft onder meer overwogen:

“4.13.3. Daarnaast heeft [eiser] blijkens de onder grief III gegeven toelichting en hetgeen hij bij pleidooi verder naar voren heeft gebracht nog gesteld (naar het hof begrijpt) dat in dit geval Autoster (niettemin) als werkgever ingevolge artikel 7:611 BW aansprakelijk is, omdat [eiser] deze schade heeft opgelopen tijdens de deelname aan het verkeer in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden. [eiser] heeft daarbij gewezen op een aantal arresten van de Hoge Raad (HR 12 januari 2001, NJ 2001 nr. 253 en HR 9 augustus 2002, NJ 2004 nr. 235) waarin een dergelijke aansprakelijkheid wordt aangenomen. Autoster heeft aansprakelijkheid betwist omdat het hier uitsluitend ging om normaal woon-werkverkeer, waarbij [eiser] onverplicht gebruik maakte van de auto-ambulance om van zijn woonhuis naar zijn dagelijkse werkplaats te komen. (…)

4.13.4.

De vraag die aldus beantwoord dient te worden is of het gebruik door [eiser] van de betreffende auto-ambulance voor woon-werkverkeer, terwijl hij die dag nooddienst had, moet worden aangemerkt als een bezigheid die op een lijn is te stellen met de in de uitoefening van de aan [eiser] opgedragen werkzaamheden.

(…)

Onder deze omstandigheden is Autoster aansprakelijk te achten voor de door [eiser] bij of door het ongeval geleden schade, omdat deelname aan het verkeer in een werksituatie nu eenmaal een bepaald risico in het leven roept, waaraan niet afdoet dat wel vast staat dat het ongeval is veroorzaakt door toedoen van [eiser] , nu immers van opzet of bewuste roekeloosheid van [eiser] – naar Autoster ook erkent – geen sprake is geweest. Daaraan doet voorts niet af dat Autoster een collectieve ongevallenverzekering heeft gesloten. Gezien de aard van deze beperkte dekking tot maximaal fl. 60.000,= kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat daarmee Autoster aan haar verplichting als bedoeld in artikel 7:611 BW heeft voldaan. De aard en de omvang van het risico bij deelname aan het verkeer in dienstbetrekking is immers van dien aard dat een verzekering met een dergelijke – beperkte – dekking niet adequaat is te noemen. Dit onderdeel van de grief slaagt derhalve, zodat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

4.14

Nu Autoster niet betwist heeft dat [eiser] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden, komt de vordering tot betaling door Autoster van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval, derhalve voor toewijzing in aanmerking. Het hof gaat daarbij voorbij aan de stelling van Autoster dat door het betalen van een bedrag van (uiteindelijk) fl. 67.600,= (inclusief wettelijke rente) door haar verzekeringsmaatschappij Bovemij in het kader van een ongevallenverzekering de totale schade van [eiser] (mogelijk) gedekt is. Niet alleen wordt die stelling weersproken door [eiser] , maar bovendien heeft hij gewezen op zijn jeugdige leeftijd en het feit dat hij blijvend ernstig invalide is hetgeen naar redelijkerwijs moet worden aangenomen grote gevolgen heeft voor zijn maatschappelijk functioneren in brede zin. Daarmee is minst genomen de mogelijkheid aannemelijk gemaakt dat [eiser] een schade heeft geleden die veel meer omvat dan het reeds aan hem ter beschikking gestelde bedrag van fl. 67.600,=.”

(vi) De Hoge Raad heeft het door Autoster tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen bij arrest van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7775, NJ 2009/334.

3.2.1

[verweerster] heeft (als rechtsopvolger van Autoster) jegens [eiser] onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat de schade tot vergoeding waarvan [verweerster] is veroordeeld, wordt bepaald op nihil (hierna: de verklaringsprocedure). [verweerster] stelt zich op het standpunt dat haar aansprakelijkheid jegens [eiser] is beperkt tot het bedrag dat aan [eiser] zou zijn uitgekeerd als Autoster een behoorlijke verzekering ten behoeve van haar werknemers zou hebben afgesloten. [verweerster] voert aan dat het in 1998 onmogelijk was om een betere verzekering af te sluiten dan Autoster heeft gedaan. De rechtbank heeft de vordering afgewezen op de grond dat deze, kort gezegd, een ontoelaatbare doorkruising van de schadestaatprocedure opleverde.

3.2.2

[eiser] heeft jegens [verweerster] een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt (hierna: de schadestaatprocedure). [eiser] heeft zijn totale schade na aftrek van de ontvangen verzekeringsuitkering begroot op € 951.765,--. [verweerster] heeft zich ook in deze procedure op het hiervoor in 3.2.1 vermelde standpunt gesteld. De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat [verweerster] aansprakelijk is voor de gehele schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden, en dat de aansprakelijkheid van [verweerster] niet is beperkt tot het bedrag dat [eiser] zou hebben ontvangen indien een behoorlijke verzekering ten behoeve van de werknemers zou zijn afgesloten. De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep opengesteld.

3.2.3

[verweerster] heeft zowel in de verklaringsprocedure als in de schadestaatprocedure hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij tussenarrest van 10 september 2013 de voeging van de beide procedures bevolen. Bij tussenarrest van 15 april 2014 heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“9.5. Het hof heeft reeds bij tussenarrest van 10 september 2013 in de verklaringsprocedure overwogen, dat de kernvraag is, hoe het dictumvan het arrest van het hof van 17 april 2007 moet worden verstaan. Dat is ook de kernvraag in de schadestaatprocedure. (…)

9.6.

Het hof stelt voorop dat het dictum volgens vaste rechtspraak moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid (…).

9.7.

Het dictum van het arrest van 17 april 2007 luidt als volgt:

Het hof:

(…)

Veroordeelt Autoster tot betaling van de door [eiser] naar aanleiding van het ongeval van 22 juli 1998 geleden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum tot aan de dag der algehele voldoening (…).” .

9.8.

In dat arrest is onder meer het volgende overwogen:

[Hoge Raad: hier volgt een citaat uit de rov. 4.13.4 en 4.14, die hiervoor in 3.1 onder (v) zijn opgenomen]

9.9.

Anders dan [eiser] heeft aangevoerd, kan uit deze rechtsoverwegingen niet worden afgeleid dat het hof heeft bedoeld dat [verweerster] zonder meer zijn volledige schade dient te vergoeden. [eiser] heeft in de hoofdprocedure het hof verzocht [verweerster] te veroordelen tot schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Volgens vaste rechtspraak dient de hoofdprocedure ertoe om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding vast te stellen. Dat heeft het hof gedaan. Het hof heeft aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW verworpen en aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW toegewezen. Volgens vaste rechtspraak is het voor een verwijzing van partijen naar de schadestaatprocedure noodzakelijk en voldoende dat het bestaan of de mogelijkheid van schade aannemelijk is (vgl. o.m. HR 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2902). Het hof diende op de vordering tot verwijzing naar de schadestaat te beslissen en moest daartoe toetsen of de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is gemaakt door [eiser] . Uit de hiervoor geciteerde overwegingen blijkt, dat het hof die toets heeft uitgevoerd. Het hof heeft uitsluitend bedoeld, dat aannemelijk is dat [eiser] meer schade heeft geleden dan het door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerde bedrag. Daarmee is niet gezegd dat [verweerster] dus de volledige schade van [eiser] moet vergoeden.

9.10.

[eiser] heeft betoogd dat de Hoge Raad met zijn arresten van 1 februari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB6175 [...] /Akzo en ECLI:NL:HR:2008:BB4767 [...] /Taxicentrale Nijverdal) tot inkeer is gekomen van zijn tot dan toe geldende rechtspraak dat aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW tot volledige schadevergoeding dient te leiden. Het arrest in de hoofdzaak is van vóór die arresten. [eiser] leidt daaruit af dat het hof van oordeel was dat [eiser] zijn volledige schade vergoed moet krijgen. Het hof verwerpt dat standpunt. Zoals gezegd, het hof diende in de hoofdprocedure slechts te beoordelen of de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt. Uitsluitend in dat licht dienen de hiervoor geciteerde overwegingen te worden verstaan.
Het hof is tot het oordeel gekomen dat [verweerster] aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW en dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] schade lijdt, die het, uit hoofde van de door [verweerster] gesloten verzekering uitgekeerde bedrag, overstijgt en dat daarmee de mogelijkheid aannemelijk is, dat [eiser] meer schade lijdt dan hij reeds vergoed heeft gekregen. Daarmee kon de vordering - verwijzing naar de schadestaatprocedure - worden toegewezen door het hof. Het hof heeft daarmee de discussie welke schade voor vergoeding in aanmerking komt, eenvoudigweg onbeantwoord gelaten en doorgeschoven naar de schadestaatprocedure.

9.11.

Het voorgaande betekent dat [verweerster] in de schadestaatprocedure het verweer mag voeren dat [verweerster] destijds geen verzekering kon sluiten met een hogere dekking dan zij daadwerkelijk heeft gedaan, en dat dit tot gevolg heeft dat de omvang van haar schadevergoedingsverplichting beperkt dient te blijven tot het bedrag dat [eiser] uit hoofde van de ongevallenverzekering heeft ontvangen. Dit verweer betreft immers de inhoud en omvang van de schadevergoeding (vgl. o.m. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674).

Het hof verwerpt dus de stelling van [eiser] dat [verweerster] dit verweer niet meer mag voeren omdat [verweerster] dit verweer al in de hoofdprocedure had moeten voeren maar dat niet heeft gedaan. Evenmin kan [eiser] worden gevolgd in zijn stelling dat hij volledige schadevergoeding heeft gevorderd en dat die vordering is toegewezen. Als dat al zou zijn gevorderd door [eiser] ( [eiser] heeft dat niet zo expliciet gevorderd; hij heeft verwijzing naar
de schadestaatprocedure gevorderd) dan is dat niet toegewezen. Het hof verwijst naar het hiervoor geciteerde dictum van het arrest van 17 april 2007.

9.12.

Uit de hiervoor aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 1 februari 2008 volgt dat een werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval en dat, wanneer een werkgever in deze verplichting te kort schiet, hij jegens de betreffende werknemer aansprakelijk is voor zover deze daardoor schade heeft geleden. Hieruit vloeit voort dat de schadevergoedingsverplichting van [verweerster] beperkt blijft tot hetgeen uitgekeerd zou zijn wanneer een behoorlijke verzekering zou zijn afgesloten. Voor het antwoord op de vraag of en tot welk bedrag [verweerster] de door [eiser] geleden schade dient te vergoeden, dient dus te worden vastgesteld tot welk bedrag een behoorlijke verzekering dekking zou hebben verleend naast de als onvoldoende geoordeelde dekking die de wel door [verweerster] afgesloten verzekering bood.”

3.2.4

Vervolgens heeft het hof onderzocht, kort gezegd, wat op 22 juli 1998 een adequate verzekering zou zijn geweest volgens de toen heersende maatschappelijke opvattingen.
In dat kader heeft het hof tussenarresten gewezen op 10 februari 2015, 1 september 2015, 9 februari 2016 en 9 mei 2017. Het hof heeft vervolgens bepaald dat tegen het tussenarrest van 9 mei 2017 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.

3.3

Onderdeel 1 van het middel is onder meer gericht tegen de rov. 9.5-9.12 van het tussenarrest van 15 april 2014. Het onderdeel bevat de klacht dat de door het hof aan het arrest van 17 april 2007 in de hoofdprocedure gegeven uitleg onbegrijpelijk is. De klacht betoogt dat, gelet op (1) de verhouding tussen de hoofdprocedure enerzijds en de verklarings- en de schadestaatprocedure anderzijds, (2) de ten tijde van het arrest in de hoofdprocedure bestaande rechtspraak van de Hoge Raad inzake de aansprakelijkheid van de werkgever op grond van art. 7:611 BW voor arbeidsgerelateerde verkeersongevallen en (3) het partijdebat in de hoofdprocedure, het arrest van 17 april 2007 aldus moet worden uitgelegd dat [verweerster] jegens [eiser] op grond van art. 7:611 BW aansprakelijk is voor alle door [eiser] bij of door het ongeval geleden schade, op de grond dat [eiser] die schade heeft opgelopen tijdens deelname aan het verkeer in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Autoster (procesinleiding onder 2.40).

3.4

Deze klacht is gegrond. Uitgangspunt is dat de rechter in de hoofdprocedure de grondslag voor aansprakelijkheid vaststelt en dat de rechter in de schadestaatprocedure gebonden is aan dat oordeel.
Het arrest van het hof van 17 april 2007 in de hoofdprocedure laat geen andere uitleg toe dan dat de grondslag voor de door het hof aangenomen aansprakelijkheid van [verweerster] is gelegen in een rechtstreeks op art. 7:611 BW berustende verplichting van de werkgever om de werknemer diens schade als gevolg van een arbeidsgerelateerd verkeersongeval te vergoeden en dat het hof op die grondslag [verweerster] aansprakelijk acht voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van het hem overkomen verkeersongeval, en dus niet voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering. Een en ander blijkt uit de volgende overwegingen in het arrest van 17 april 2007 (zie hiervoor in 3.1 onder (v)):

- de weergave door het hof in rov. 4.13.3 van de grondslag van [eiser] ’ vordering “dat in dit geval Autoster (…) als werkgever ingevolge art. 7:611 BW aansprakelijk is, omdat [eiser] deze schade heeft opgelopen tijdens de deelname aan het verkeer in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden.”;

- de overweging in rov. 4.13.3 dat [eiser] zich daarbij heeft beroepen op HR 12 januari 2001, NJ 2001/253 ( [...] / [...] ) en HR 9 augustus 2002, NJ 2004/235 ( [...] / [...] ). Deze arresten hielden, naar in 2007 algemeen werd aangenomen, in dat de werkgever, gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid en de uit goed werkgeverschap voortvloeiende verplichtingen, op grond van art. 7:611 BW aansprakelijk is voor de schade die de werknemer lijdt als gevolg van een ongeval tijdens vervoer per auto dat op één lijn moet worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden;

- het oordeel van het hof in rov. 4.13.4: “Onder deze omstandigheden is Autoster aansprakelijk te achten voor de door [eiser] bij of door het ongeval [onderstreping Hoge Raad] geleden schade, omdat deelname aan het verkeer in een werksituatie nu eenmaal een bepaald risico in het leven roept (…)”;

- de formulering van het dictum: “Veroordeelt Autoster tot betaling van de door [eiser] naar aanleiding van het ongeval [onderstreping Hoge Raad] van 22 juli 1998 geleden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf die datum tot aan de dag der algehele voldoening (…).”

Hetgeen het hof in het arrest van 17 april 2007 aan het slot van rov. 4.13.4 met betrekking tot de door Autoster afgesloten ongevallenverzekering overweegt (zie hiervoor in 3.1 onder (v)), is in het licht van de hiervoor vermelde passages onvoldoende om daaruit iets anders af te leiden. De desbetreffende overweging heeft kennelijk slechts de strekking dat aan de uit art. 7:611 BW voortvloeiende verplichting tot vergoeding van de ongevalsschade niet reeds is voldaan doordat Autoster een ongevallenverzekering heeft afgesloten, nu deze naar haar aard een beperkte dekking biedt en daarom niet voldoende is om de volledige schade van [eiser] als gevolg van het ongeval te vergoeden.

Aan het zojuist overwogene staat niet in de weg dat de Hoge Raad in het arrest van 19 december 2008 in de hoofdprocedure (zie hiervoor in 3.1 onder (vi)) heeft vooropgesteld (rov. 3.3) dat de werkgever, uit hoofde van zijn in art. 7:611 BW neergelegde verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van de werknemer wiens werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat hij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raakt bij een verkeersongeval, en dat schending van die verplichting leidt tot aansprakelijkheid jegens de werknemer voor zover deze door die tekortkoming schade heeft geleden, een en ander onder verwijzing naar HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6175, NJ 2009/330 /Akzo),
HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4767, NJ 2009/331 ( [...] /Taxicentrale Nijverdal) en HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129, NJ 2009/332 (Maatzorg/ [...] ). Deze algemene vooropstelling houdt naar haar aard geen oordeel in omtrent de inhoud van het in cassatie bestreden arrest van 17 april 2007, maar geeft de stand van het recht weer zoals dat luidde na de genoemde arresten van 1 februari 2008 en 12 december 2008. Uit de daarop volgende rov. 3.4 blijkt dat in die cassatieprocedure slechts aan de orde was of het vervoer waarbij [eiser] het ongeval is overkomen op één lijn moet worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.

3.5

Uit het hiervoor in 3.4 overwogene volgt dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan het arrest in de hoofdprocedure heeft gegeven.

3.6

Onderdeel 5 klaagt dat het hof in de tussenarresten van 10 september 2013 (rov. 4.6) en van 15 april 2014 (rov. 9.19 en 9.25) ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerster] haar verweer tegen de vordering van [eiser] mocht beperken tot de voorvraag of [eiser] recht had op vergoeding van zijn volledige schade ten gevolge van het ongeval dan wel op vergoeding van de schade die door een behoorlijke verzekering zou zijn gedekt, en dat zij in een later stadium alsnog inhoudelijk verweer zou mogen voeren tegen de diverse door [eiser] opgevoerde schadeposten.

Deze klacht faalt. Het stond het hof vrij om het debat omtrent de bedoelde voorvraag om proceseconomische redenen als eerste te doen plaatsvinden. Geen rechtsregel verbiedt dat [verweerster] na beantwoording van die vraag alsnog inhoudelijk verweer voert tegen de door [eiser] opgevoerde schadeposten.

3.7

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

3.8

Na verwijzing zal alsnog de omvang van de schade moeten worden vastgesteld die [eiser] lijdt als gevolg van het hem op 22 juli 1998 overkomen auto-ongeval.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 15 april 2014, 10 februari 2015, 1 september 2015, 9 februari 2016 en 9 mei 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 507,93 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 19 oktober 2018.